Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2317

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-09-2017
Datum publicatie
12-09-2017
Zaaknummer
17/01809
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening. Butlermoordzaak, veroordeling t.z.v. moord op 72-jarige echtgenote in 1983. Zevende herzieningsaanvraag. Aangevoerd wordt dat (i) twee getuigen onder druk zijn gezet door de politie om belastende verklaringen tegen aanvrager af te leggen waardoor ernstige twijfels zijn gerezen over de waarheid van die verklaringen, (ii) geen sprake is geweest van een niet-natuurlijk overlijden van het slachtoffer en (iii) voor aanvrager destijds niet voorzienbaar was dat medische hulp dringend geboden was en het tijdig inschakelen van medische hulp zou geen effect hebben gehad. HR stelt voorop dat v.zv. de aanvraag steunt op gronden die in de eerdere beslissingen van de HR op aanvragen tot herziening van het arrest van het Hof ongenoegzaam zijn geoordeeld, zij niet kan worden ontvangen. De aangevoerde gegevens wekken noch afzonderlijk, noch in samenhang beschouwd, een ernstig vermoeden a.b.i. in art. 457.1.c Sv. Afwijzing aanvraag. Eerdere aanvragen: ECLI:NL:HR:2006:AY9718 en ECLI:NL:HR:2003:AL6140.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0356

Uitspraak

12 september 2017

Strafkamer

nr. S 17/01809 H

SA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 13 mei 1985, nummer 23/232323-84, ingediend door G.G.J. Knoops en E. Vogelvang, beiden advocaat te Amsterdam, namens:

[aanvrager] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944.

1 De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 12 april 1984 - de aanvrager ter zake van "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf jaren.

2 De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Hoge Raad heeft voorts kennisgenomen van alle nadien, tot aan de datum van dit arrest binnengekomen correspondentie met betrekking tot deze aanvraag.

3 De procesgang

3.1.

Bij de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd is door het Hof ten laste van de aanvrager bewezenverklaard dat:

"hij op of omstreeks 5 november 1983 te Amsterdam opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hebbende hij verdachte voornoemde [slachtoffer] (die 72 jaar oud was en op 29 september 1983 in het huwelijk was getreden met hem, verdachte en welke vrouw hij, verdachte krachtens overeenkomst verzorgde en verpleegde en van wier lichamelijke conditie en medicijngebruik hij, verdachte globaal op de hoogte was) na kalm beraad en rustig overleg opzettelijk - zakelijk weergegeven - :

- soep met daarin een hoeveelheid - Surinaamse - rum (Palmboom) met een alcoholgehalte van ongeveer 90% toegediend, althans te eten gegeven en terwijl hij, verdachte in de wetenschap was van het hierna onder a. en b. en d. en e. weergegevene, te weten:

a. dat zij een of meer medicijnen welk(e) in combinatie met alcohol schadelijk kon(den) zijn voor haar gezondheid had ingenomen,

en

b. dat zij aan enige hartkwaal leed

en

d. dat zij uiterlijke tekenen van lichamelijk onwel bevinden en/of machteloosheid (zweten/pijn in haar benen) vertoonde

en

e. dat haar bloeddruk was opgelopen tot een abnormale hoogte (boven de 200 bovendruk)

- een mengsel van wijn en (teneinde het alcoholgehalte te verhogen) - Surinaamse - rum (Palmboom) met een alcoholgehalte van ongeveer 90% en gin, toegediend, althans te drinken gegeven en

- medische assistentie onthouden en nagelaten deze in te roepen, terwijl deze onmiskenbaar en dringend geboden was welk bovenomschreven complex van opzettelijk handelen en nalaten de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad."

3.2.1.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven:

Op 29 september 1983 ben ik in het huwelijk getreden met [slachtoffer], die gehuwd geweest is met [betrokkene 1]. Zij was 72 jaar oud. Sedert een aantal maanden was ik al bij haar in dienst als verzorger en verpleger. Ik was op de hoogte van haar medicijngebruik en, globaal, van haar gezondheidstoestand. Het was mij bekend dat zij medicijnen gebruikte die in combinatie met alcohol een nadelige uitwerking konden hebben. De reden dat ik met haar trouwde was haar geld. Ik had ontdekt dat zij over een aanzienlijk vermogen beschikte. Op 4 november 1983 heb ik haar tweemaal Inderal zien innemen en Rohypnol. Verder heeft ze die dag voorzover ik het gezien heb nog Valium 10 geslikt. 's Avonds bevond ik mij met [slachtoffer] in de woning aan de [a-straat] te Amsterdam. Ik heb haar soep te eten gegeven. In de loop van de avond kwam [betrokkene 2] op bezoek. Op een gegeven moment heb ik, zoals ik vaker deed, met een daarvoor bestemd toestel haar bloeddruk gemeten. Ook heb ik [slachtoffer] een drankje waarin gin zat gegeven. Het glas heb ik schoongemaakt voordat [betrokkene 2] en ik die nacht na het overlijden van [slachtoffer] de woning verlieten. Ik heb de dokter gewaarschuwd enige tijd nadat [slachtoffer] volgens mij al was overleden.

2. Een ambtsedig proces-verbaal nr R5-12982/83 (blz 294 e.v.) van 24 november 1983, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent-rechercheur van de gemeentepolitie te Amsterdam houdt, zakelijk weergegeven, in als de op 23 november 1983 aan verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Het is waar dat ik op de avond van het overlijden van [slachtoffer] haar bloeddruk heb opgemeten. Dit zal omstreeks 22.15 uur geweest zijn. De bloeddruk was ontstellend hoog, te weten boven de 220 bovendruk. Na het meten heb ik haar een mengsel met daarin gin te drinken gegeven. Ik heb tegen [betrokkene 2] gezegd: "Het loopt af. Het gaat mis". Ik ben teruggelopen naar de slaapkamer. Naar later bleek belde [betrokkene 2] [betrokkene 3]. Plotseling riep hij mij. [betrokkene 3] wilde mij aan de telefoon hebben. Ik heb de telefoon overgenomen. [betrokkene 3] vroeg mij of het afgelopen was. Ik heb dat bevestigd. [slachtoffer] leefde op dat moment nog. Het is mogelijk dat [betrokkene 3] heeft gezegd dat ik een dokter moest bellen en dat ik toen heb geantwoord dat het niet meer nodig was omdat het al te laat was.

3. Een proces-verbaal van 26 januari 1984 opgemaakt door de Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam houdt, zakelijk weergegeven, in als verklaring van verdachte:

Op de avond van haar overlijden vroeg [slachtoffer] mij om een "slok". Ik heb toen een drankje met gin erin klaargemaakt. Toen ik het glas aan [slachtoffer] gaf zag ik dat [betrokkene 2] bij de deur stond toe te kijken. Zij nam zelf een paracetamol voor de pijn in haar voeten.

4. Een proces-verbaal nr R5-12982/83 (blz. 222 e.v.) van 23 november 1983 op ambtseed/belofte opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam, houdt zakelijk weergegeven in als de op genoemde datum aan verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Ik kan stellen dat [slachtoffer] vanaf medio juli 1983 op een vast patroon voor medicijngebruik zat. Zij gebruikte Inderal 80 mg driemaal daags een dragee. Calcium 500 mg 1 tablet/bruis 's morgens. Temesta 2,5 mg 1 tablet 's morgens, oplopend gedurende de dag tot 3 à 4 totaal. Valium 10 dagelijks naar behoefte: het kwam ook wel voor dat zij dagen oversloeg. Paracetamol indien zij pijn had. Ook gebruikte zij Bisolvon 8 mg, driemaal daags twee tabletten. Verder kreeg zij 's avonds Rohypnol en Atosil. Ook Ludiomil heeft zij gekregen. Het hartmiddel Inderal, waarvan dr. Laue de dosering terugbracht van drie naar twee tabletten per dag, heeft zij voortdurend ingenomen.

5. Een ambtsedig proces-verbaal nr R5-12982 (blz. 251 e.v.) op 24 november 1983 opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam, houdt zakelijk weergegeven in als de op 21 november 1983 aan verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 2]:

Toen ik ongeveer zes maanden geleden [slachtoffer] ophaalde voor autorijles zag ik op het balcon van haar woning aan de [a-straat] te Amsterdam een man staan, die ik later leerde kennen als [aanvrager]. [slachtoffer] vertelde mij dat hij een huisgenoot was. Ik raakte met [aanvrager] bevriend. Terwijl [slachtoffer] deze zomer met vakantie in Frankrijk verbleef hebben [aanvrager] en ik op een dag een kast op haar slaapkamer doorzocht omdat wij vermoedden dat er een hoop geld of een aantal spaarbrieven aan toonder of zoiets dergelijks in zou liggen. Uit bankafschriften en andere papieren die wij aantroffen bleek ons dat [slachtoffer] een vermogen van f 1,8 miljoen bezat. Enige tijd later spraken wij erover hoe we dat geld in handen konden krijgen. Er werd het plan geopperd dat [aanvrager] met [slachtoffer] zou trouwen. Ik kwam met [aanvrager] overeen dat ik zou meeprofiteren van de erfenis. Nadat het huwelijk op 29 september 1983 gesloten was is [aanvrager], zoals hij mij verteld heeft, op 9 oktober met [slachtoffer] naar het kuuroord Bad Neuenahr gegaan. Van daaruit belde hij mij iedere dag op. Tijdens één van die telefoongesprekken zei hij mij dat hij contact gezocht had met een arts om een gezondheidsverklaring te krijgen voor [slachtoffer]. Op mijn vraag waar hij die voor nodig had antwoordde hij, dat wanneer [slachtoffer] iets zou overkomen, hij dan steviger in zijn schoenen stond. Na het huwelijk hebben wij thuis wel eens zitten praten over het overlijden van [slachtoffer]. [aanvrager] had het er onder andere over dat zij kwam te vallen in de badcel terwijl hij er niet was en doodbloedde. Ook is er wel over gesproken om het bad vol te laten lopen met water, zodat het een verdrinkingsdood leek. Ik kan wel zeggen dat er iedere keer over haar dood werd gesproken, ook bij het bezoek dat [betrokkene 3] en ik aan [aanvrager] brachten toen hij in Bad Neuenahr verbleef. [aanvrager] vertelde voortdurend dat het leven van [slachtoffer] voor hem veel te lang duurde. Op de avond van 4 november 1983 ben ik op verzoek van [aanvrager] naar de woning aan de [a-straat] gegaan. Toen ik daar aankwam lag [slachtoffer] in bed. Ik heb met [aanvrager] naar de televisie gekeken. Omstreeks 22.30 uur werd [aanvrager] door [slachtoffer] geroepen. Toen hij na ongeveer tien minuten terugkwam zei hij tegen mij: "Ik heb zojuist haar bloeddruk opgenomen en die is abnormaal hoog. Ik denk dat het een aflopende zaak is". Nadat hij weer naar de slaapkamer van [slachtoffer] was geweest zei hij woordelijk: "Ik zal haar nog een flinke slok geven." Ik zag toen dat hij gin, wijn en een scheut van een uit Suriname afkomstige drank met een alcoholpercentage van 95 die hij een keer van [betrokkene 3] had gekregen in een glas deed. Toen hij met het glas naar de slaapkamer liep ben ik hem achterna gegaan en bij de deur blijven staan kijken. Ik zag dat [slachtoffer] iets transpireerde en op de rand van het bed zat. [aanvrager] zette het glas aan haar mond en ik zag dat [slachtoffer] een flinke slok nam. Ik ben weer naar de kamer gegaan. Na enkele minuten hoorde ik dat [aanvrager] mij riep. Ik ben naar hem toegegaan. Hij zei: "Ik denk dat het nu afgelopen is." Tussen het moment waarop hij een hoge bloeddruk constateerde en het moment dat hij zei dat zij was overleden heeft ongeveer drie kwartier gezeten. Toen [aanvrager] mij had verteld dat [slachtoffer] een vreselijk hoge bloeddruk had heb ik [betrokkene 3] gebeld en haar gezegd dat ik langer wegbleef omdat [slachtoffer] op sterven lag. Daarna heeft [aanvrager] ook nog met haar gesproken en gezegd dat het een aflopende zaak was. Nadat [slachtoffer] was overleden heeft [aanvrager] het glas waaruit zij had gedronken omgespoeld en schoongemaakt. Hij zei dat hij dat deed omdat de dokter en de politie het glas met de drank die hij haar had gegeven niet mochten aantreffen. Later bij ons thuis heeft [aanvrager] verteld dat hij [slachtoffer] die avond soep heeft opgediend waarin hij een scheut alcohol gegooid had van die fles van 95%. Deze fles alsmede diverse medicijnen die [aanvrager] in zijn koffer had zitten heeft hij bij elkaar gezocht. Ik heb deze goederen, waarvan [aanvrager] zei dat er door de politie en de dokter vragen over gesteld konden worden, in Vinkeveen in een glasbak gedeponeerd.

6. De getuige [betrokkene 3] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik woon al enige jaren samen met [betrokkene 2]. De verpleger van [slachtoffer], [aanvrager], heb ik voor het eerst ontmoet op 13 april 1983. [aanvrager] werd daarna een huisvriend. Ik heb [aanvrager] rum met een alkoholpercentage van ongeveer 90% mee gegeven. Dat was een klein flesje. Ik had die rum uit Suriname meegenomen. Van [aanvrager] en [betrokkene 2] hoorde ik dat er in het huis van [slachtoffer] een kast was waar niemand in mocht en die altijd op slot zat. Ik weet niet hoe zij aan de sleutel zijn gekomen. In de kast lag geen geld maar wel papieren. Uit die papieren, waaronder bankafschriften, bleek dat [slachtoffer] een vermogen van 1,8 miljoen gulden bezat. Toen [aanvrager] wist dat zij vermogend was heeft hij weleens gezegd, dat hij met haar zou trouwen. [aanvrager] had eens bij een andere oudere rijke dame gewerkt als verpleger, die met een jonge man, haar chauffeur, was getrouwd. Die vrouw is kort na het huwelijk overleden. [aanvrager] zei daarover: "Wat hij kon, kan ik ook".

Er is over gesproken dat [slachtoffer] wel eens dood zou gaan. Op de dag van het huwelijk had [slachtoffer] een ring om. Ik vond hem wel mooi. [aanvrager] zei tegen mij dat ik die ring kon krijgen wanneer zij overleden was. Ook wel is er eens over gesproken haar te laten struikelen, het bad vol te laten lopen zodat ze zou verdrinken, haar drank en medicijnen te geven of de badkamervloer met groene zeep in te smeren. Op 4 november 1983 belde [betrokkene 2] mij 's avonds op dat hij bij [aanvrager] in de [a-straat] in Amsterdam een borrel zou gaan drinken. Om half elf belde [betrokkene 2] voor de tweede keer en zei dat [slachtoffer] dood was. Ik geloofde dat niet. Ik kreeg toen [aanvrager] aan de telefoon, die zei dat mevrouw ziek was en een hoge bloeddruk had, boven de 200 bovendruk. Ik heb toen gevraagd of hij er geen dokter bij moest halen. [aanvrager] zei toen dat een dokter weinig kon doen en het alleen maar een paar uur kon rekken.

Het derde telefoontje kreeg ik rond 12 uur 's nachts. Ik kreeg toen te horen dat [slachtoffer] was overleden. [betrokkene 2] en [aanvrager] zijn niet meteen naar huis gekomen. Zij zijn eerst naar een café gegaan. Zij kwamen tussen 3 en 4 uur in de morgen thuis. [aanvrager] vertelde toen dat hij [slachtoffer] soep met daarin Palmboom, Surinaamse rum, heeft gegeven. Toen later het stoffelijk overschot van [slachtoffer] door de politie in beslag werd genomen heeft [aanvrager] gezegd dat wanneer de politie vragen zou stellen wij niet alles moesten zeggen, bijvoorbeeld: - dat hij haar alkohol te drinken had gegeven, - over de telefoongesprekken van die avond en ook geen bijzonderheden over het huwelijk.

7. Een ambtsedig proces-verbaal nr R5-12982/83 (blz. 230 e.v.) van 23 november 1983 opgemaakt door [verbalisant 5], hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam houdt, zakelijk weergegeven, in als de op 22 november 1983 aan verbalisant afgelegde verklaring van [betrokkene 3]:

[aanvrager] vertelde ons dat hij [slachtoffer] alleen voor het geld zou trouwen. Hij belde ons dagelijks. Altijd sprak hij dan weer over het feit dat [slachtoffer] zo lastig was en dood moest. Ook toen [aanvrager] in Bad Neuenahr was belde hij dagelijks. Hij vertelde dat hij hoopte dat [slachtoffer] daar zou overlijden. Hij zou goed verzorgd achterblijven en het zou goed uitkomen als [slachtoffer] daar dood zou gaan, met al die artsen in de buurt. In de periode tussen 22 oktober 1983 en de bewuste vrijdag 4 november 1983 spraken [aanvrager] en [betrokkene 2] voortdurend over de dood van [slachtoffer], vooral [aanvrager].

8. Een proces-verbaal nr R5-12982-1983 (blz 317A) van 12 december 1983 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam bevat als bijlage een fotocopie van de vertaling van de op 10 november 1983 te Bad Neuenahr-Ahrweiler aan de hoofdagent-rechercheur (Kriminalobermeister) [verbalisant 6] afgelegde verklaring van dr. Karlheinz Laue, zakelijk weergegeven inhoudende:

[slachtoffer] is mij sinds 1972 als patiënte bekend. Op 14 oktober 1983 is [slachtoffer] naar mijn praktijk gekomen. Ik heb haar grondig onderzocht. Ik stelde op die dag bij haar een vermindering van de hartwerking vast. Ter ondersteuning van het hart heb ik haar toen Digimerk Minor voorgeschreven.

9. Een proces-verbaal nr R5-12982/83 (blz 210 e.v.) van 22 november 1983 op ambtseed/belofte opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam, houdt, zakelijk weergegeven, in als de op genoemde datum van verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

Volgens [slachtoffer] was Digimerk Minor een hartmiddel. Zij heeft mij op 20 oktober 1983 gezegd dat ik dat middel niet bij de apotheek behoefde te halen omdat zij al Inderal voor haar hart had.

10. Een ambtsedig proces-verbaal nr R5-12982/83 (blz 7 e.v.) van 7 november 1983 opgemaakt door [verbalisant 7] en [verbalisant 8], beiden hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Amsterdam, houdt zakelijk weergegeven in als de op genoemde datum aan verbalisanten afgelegde verklaring van [betrokkene 4]:

Ik ben huisarts. Op 5 november 1983 te 00.30 uur ontving ik thuis een telefoontje. Er meldde zich een mannenstem aan de telefoon, die mij mededeelde dat hij een sterfgeval te melden had. Ik vroeg de man wie was overleden en waar het was. De naam was [slachtoffer] en het adres was [a-straat] te Amsterdam. Ik ben daarheen gegaan. Omstreeks 00.45 uur was ik er. In het bed in de slaapkamer lag een vrouw. Ik constateerde dat zij was overleden. Naar mijn schatting minder dan een half uur terug.

11. Een rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie op 19 december 1983 opgemaakt op de door hem als vast gerechtelijk deskundige afgelegde eed houdt zakelijk weergegeven in als verklaring van de apotheker-toxicoloog drs A.M. van der Ark:

Op 9 november 1983 ontving ik van de patholoog-anatoom dr. J. Zeldenrust diverse delen uit het lijk van [slachtoffer]. Verzocht werd een toxicologisch onderzoek in te stellen. Met behulp van plaatchromatografie werd vastgesteld, dat maaginhoud en lever promethazine (handelsnaam Atosil) en afbraakproducten daarvan bevatten. Verder werden in de maaginhoud, lever en urine na hydrolyse aminochloorbenzofenon en tenminste één nauw verwante stof gevonden, hetgeen wijst op het gebruik van tenminste één benzodiazepine derivaat (zoals bijvoorbeeld Librium). Mogelijk is ook Rohypnol gebruikt. Promethazine en benzodiazepinederivaten versterken de werking van alcohol en de analyseresultaten zouden kunnen passen bij een dodelijke vergiftiging door een combinatie van alcohol, promethazine en een benzodiazepinederivaat.

12. Bovengenoemde deskundige Van der Ark heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven:

We hebben bij [slachtoffer] een bloedalcoholgehalte van 1,96 promille vastgesteld. In ons rapport staat 1,76 maar daarbij is rekening gehouden met de correctie die in zaken betreffende artikel 26 van de Wegenverkeerswet moet worden toegepast. In de urine was het 1,86. Dat is vreemd, want gewoonlijk is de alcoholconcentratie in de urine 1,5 maal zo hoog als in het bloed. Dat het hier lager is wijst erop dat [slachtoffer] kort voor haar dood een vrij grote hoeveelheid alcohol moet hebben gebruikt.

13. De deskundige dr J. Zeldenrust patholoog-anatoom, heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, zakelijk weergegeven:

Mijn sectieverslag en het toxicologisch rapport van drs Van der Ark in aanmerking nemende is mijn slotconclusie, dat de oorzaak van de dood van [slachtoffer] kan zijn geweest een acute vergiftiging door alcohol en door de door de heer Van der Ark aangetoonde geneesmiddelen, waarbij mogelijk betekenis toekomt aan de conditie van de 72-jarige [slachtoffer] en de toestand van haar hart. Als enige andere doodsoorzaak komt daarnaast alleen in aanmerking een spontane hartstilstand, al dan niet tengevolge van psychische spanningen. De waarschijnlijkheid daarvan acht ik, met name gelet op de factor alcohol waar we hier mee te maken hebben, geringer dan van de combinatie alcohol en medicijnen."

3.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"14. dat door de verdediging is betoogd dat niet geconcludeerd kan worden dat er oorzakelijk verband bestaat tussen de telastegelegde en bewezenverklaarde gedragingen van verdachte en de dood van [slachtoffer] omdat - kort samengevat - het uiterst onwaarschijnlijk is dat de gebruikte medicijnen op de dag van overlijden in combinatie met het waarschijnlijk geachte alcoholgebruik de directe doodsoorzaak kan zijn geweest en afgezien daarvan de in deze zaak gehoorde deskundigen ieder tot de conclusie komen dat absoluut niet met zekerheid is vast te stellen dat de doodsoorzaak het gevolg is geweest van de combinatie alcohol en medicijnen;

15. dat het Hof bij de bespreking van dit verweer het volgende voorop stelt:

a) verdachte heeft in ieder geval vanaf het moment waarop hij constateerde dat [slachtoffer] over een aanzienlijk vermogen beschikte gezocht naar een weg die er toe zou leiden dat hij (een deel van) dat vermogen verwierf;

b) met het oog op dit laatste heeft hij niet alleen een huwelijk met de 72-jarige [slachtoffer] gesloten maar ook bij herhaling en nadrukkelijk met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] besproken op welke wijze nadien haar dood bewerkstelligd zou kunnen worden;

c) [slachtoffer], van wie niet aannemelijk is geworden dat zij - zoals door de verdediging is aangevoerd - voor de komst van [betrokkene 2] reeds een grote hoeveelheid witte wijn had gedronken, is niet plotseling en onaangekondigd overleden maar ongeveer drie kwartier of meer nadat verdachte op 4 november 1983 omstreeks 22.30 uur tegen [betrokkene 2] en, bij een telefoongesprek, [betrokkene 3] had gezegd dat het volgens hem een aflopende zaak was, terwijl verdachte in die tussenliggende periode niet getracht heeft hoewel dat zonneklaar geboden was, doktershulp in te roepen maar wel een mengsel van wijn, gin en Palmboomrum met een zeer hoog alcoholpercentage aan [slachtoffer] te drinken heeft gegeven;

16. dat het Hof uit deze, in de bewijsmiddelen meer gedetailleerd weergegeven gang van zaken afleidt dat verdachte de dood van [slachtoffer] gewild heeft en, daarvan uitgaande, onder de gegeven omstandigheden het te eten geven van de soep met daarin Palmboomrum, het te drinken geven van bovengenoemd mengsel en het achterwege laten van medische hulp aanmerkt als uitingen van verdachtes wil de dood van [slachtoffer] te bewerkstelligen;

17. dat uit de in de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen van de deskundigen Zeldenrust en Van der Ark volgt dat de dood van [slachtoffer] medisch gezien zeer wel het gevolg kan zijn van de gecombineerde werking van de door [slachtoffer] gebruikte medicijnen en de haar toegediende alcohol; dat als feit van algemene bekendheid geen bewijs behoeft dat de mogelijkheid dat die combinatie fataal uitwerkt wordt vergroot door het achterwege laten van medische hulp wanneer die, zoals in dit geval, dringend geboden lijkt;

dat door de deskundige Zeldenrust als enig mogelijke andere doodsoorzaak genoemd is acute hartdood, al dan niet ten gevolge van psychische spanningen;

dat het Hof, mede gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer] eerst relatief geruime tijd nadat verdachte had gezegd dat het een aflopende zaak was is overleden, de kans dat zich een acute hartdood heeft voorgedaan nog voordat de aan verdachte verweten gedragingen het beoogde gevolg konden hebben menselijkerwijs gesproken zo onwaarschijnlijk acht, dat geconcludeerd moet worden dat de onder c) genoemde gedragingen van verdachte tezamen genomen als juridisch relevante oorzaak van de dood van [slachtoffer] moeten worden aangemerkt;

dat die dood ook het redelijkerwijs te verwachten gevolg van die gedragingen was en dus als zodanig aan verdachte moet worden toegerekend."

3.3.

Op 1 juli 2013 hebben mr. G.G.J. Knoops en mr. L. Vosman namens de aanvrager een verzoek als bedoeld in art. 461, eerste lid, Sv ingediend om nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening. Aangaande dit verzoek heeft de Adviescommissie afgesloten strafzaken op 27 november 2014 op de voet van art. 462, derde lid, Sv geadviseerd tot het doen van nader onderzoek. De Procureur-Generaal heeft dit advies overgenomen en nader onderzoek doen verrichten. In dat kader heeft de Advocaat-Generaal Hofstee vier deskundigen doen benoemen (dr. F.J.W. van de Goot, prof. dr. W. van de Voorde, prof. dr. W. Jacobs en prof. dr. M.J. Schalij) die ter zake hebben gerapporteerd. De Advocaat-Generaal heeft na afloop van dit onderzoek aan mr. Knoops laten weten geen reden te zien voor het vorderen van herziening in de onderhavige zaak, mede gelet op de inhoud van de uitgebrachte rapportages.

4 De eerdere herzieningsaanvragen

4.1.

De eerste herzieningsaanvraag, die heeft geleid tot de beschikking van 2 december 1986, steunde in het bijzonder op rapporten van de deskundigen prof. dr. H.J. Houthoff, hoogleraar pathologie, en prof. dr. F.A. Nelemans, vast beëdigd gerechtelijk deskundige, welke - kort gezegd - inhielden dat als oorzaak van de dood van [slachtoffer] een hartinfarct of hartritmestoornis het meest waarschijnlijk is. Daaromtrent heeft de Hoge Raad, samengevat, overwogen dat die deskundigen zijn uitgegaan van dezelfde feitelijke gegevens - zoals de bevindingen bij de lijkschouwing en de bij het toxicologisch onderzoek aangetroffen concentraties van geneesmiddelen en alcohol - waarvan ook het Hof is uitgegaan bij de bewijsvoering en de verwerping van het door de raadsman gevoerde verweer, zodat er geen sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2°, (oud) Sv.

4.2.

De tweede herzieningsaanvraag, die heeft geleid tot het arrest van 7 februari 1989, was onder meer gegrond op het rapport van dr. H.M. Laane, arts en beëdigd lijkschouwer, welk rapport inhield - kort gezegd - dat het alcoholgebruik van [slachtoffer] aanzienlijk geringer moet zijn geweest dan door het Hof bewezen is geacht. Bij dat rapport was als bijlage gevoegd een rapport van dr. C.J. van Boxtel, internist en klinisch farmacoloog, inhoudende dat de kans dat de 72-jarige [slachtoffer] aan een acute hartdood is overleden door de combinatie van alcohol en de xenobiotica promethazine en benzodiazepine of zelfs dat deze aan dit overlijden een bijdrage hebben geleverd als volstrekt verwaarloosbaar beschouwd moet worden, alsmede een brief van dr. van Boxtel, inhoudende dat [slachtoffer] leed aan ernstige hypokaliemie, waarmee onlosmakelijk levensbedreigende ritmestoornissen van het hart samenhangen. Daaromtrent heeft de Hoge Raad overwogen dat aan de berekeningen van dr. Laane geen betekenis kan worden gehecht, omdat het Hof niets heeft vastgesteld omtrent de hoeveelheden alcoholhoudende drank die [slachtoffer] op de avond van 4 november 1983 heeft genuttigd. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat een rapport van dr. P. Stevens van 29 april 1985, inhoudende dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat de gebruikte medicijnen op de dag van overlijden in combinatie met het waarschijnlijk geachte alcoholgebruik de directe doodsoorzaak kan zijn geweest, reeds aan het Hof bekend was. En ten slotte heeft de Hoge Raad, oordelende dat het Hof niet bekend was met de ernstige hypokaliemie en de daarmee samenhangende ritmestoornissen van het hart waaraan [slachtoffer] volgens dr. van Boxtel en dr. Laane moet hebben geleden, overwogen:

"5.5. Vergelijking van al hetgeen is vermeld in de stukken waarvan het Hof kennis heeft genomen met al hetgeen is vermeld in de stukken welke daarnaast nog bij de aanvrage zijn overgelegd leidt tot het oordeel dat aan het Hof niet bekend was hetgeen in de onder 3.3 en 3.4 vermelde stukken voorkomt omtrent de ernstige hypokaliemie en de daarmede samenhangende ritmestoornissen van het hart waaraan [slachtoffer] volgens Dr. van Boxtel en Dr. Laane moet hebben geleden.

5.5.1.

Bij de beoordeling van de vraag welke betekenis aan laatstbedoelde omstandigheid toekomt bij beschouwing daarvoor in samenhang met het complex van factoren waaraan de dood van [slachtoffer] volgens de bewezenverklaring moet worden toegeschreven, verdient het volgende de aandacht:

A. Waar de deskundige Van der Ark in zijn rapport, voor zover weergegeven in bewijsmiddel 11, en de deskundige Zeldenrust in zijn verklaring ter ’s-Hofs terechtzitting, vervat in bewijsmiddel 13, gewagen van een "dodelijke vergiftiging" respectievelijk een "acute vergiftiging" tengevolge van een combinatie van alcohol, promethazine en een benzodiazepinederivaat, spreken zij beiden slechts over een mogelijke doodsoorzaak:

Van der Ark betoogt immers dat de analyseresultaten "zouden kunnen passen" bij een dodelijke vergiftiging als evenbedoeld en Zeldenrust verklaart dat de door hem bedoelde acute vergiftiging de oorzaak van de dood van [slachtoffer] "kan zijn geweest". De conclusie van het rapport van Dr. Zeldenrust van 28 november 1983 (bijlage 1 bij het rapport van Dr. Laane) luidt:

"bij wijlen [slachtoffer], oud 72 jaar, kon de oorzaak in de dood niet met zekerheid worden vastgesteld omdat de anatomische bevindingen daartoe niet voldoende toereikend waren te achten". Anderzijds heeft Dr. van Boxtel in zijn brief van 2 februari 1988 (bijlage 16 bij het rapport van Dr. Laane) aan zijn betoog dat de hypokaliemie in combinatie met andere klachten en symptomen van de patiënte het bestaan van het syndroom van Conn bij haar "wel zeer waarschijnlijk" maken toegevoegd, dat deze diagnose "niet meer te bewijzen" is.

B. Ook indien de dood van [slachtoffer] niet het directe gevolg mocht zijn geweest van een "acute vergiftiging" door de combinatie van alcohol en medicijnen als bedoeld door Dr. Zeldenrust (bewijsmiddel 13), blijft binnen het complex van factoren welke direct of indirect tot het overlijden van [slachtoffer] kunnen hebben geleid de factor alcohol in combinatie met medicijnen van betekenis. Dit blijkt onder meer uit hetgeen in meergemeld rapport van Prof. Houthoff onder 3.3.3 is vermeld, te weten: dat een interactie tussen de door patiënte gebruikte geneesmiddelen in combinatie met alcohol "zeker een factor bij het overlijden geweest kan zijn", namelijk een risicofactor welke kansen op complicaties doet toenemen. Dat bij de waardering van die factor mede betekenis toekomt aan de scheut rum welke door de aanvrager was toegevoegd aan de door hem op 4 november 1983 aan [slachtoffer] opgediende soep en - vooral - aan het mengsel van wijn, rum en gin dat hij haar op die datum omstreeks 22.30 uur te drinken heeft gegeven, blijkt onder meer uit de verklaring van de deskundige Van der Ark ter 's-Hofs terechtzitting (bewijsmiddel 12), dat de alcoholconcentratie in de urine gewoonlijk 1,5 maal zo hoog is als in het bloed en dat de omstandigheid dat bij de overleden [slachtoffer] het alcoholgehalte in de urine lager was (1.86%) dan het alcoholgehalte in het bloed (1.96%) erop wijst dat [slachtoffer] kort voor haar dood een vrij grote hoeveelheid alcohol moet hebben gebruikt.

C. Indien ervan wordt uitgegaan dat [slachtoffer] inderdaad leed aan ritmestoornissen van het hart, strookt dit met de bewezenverklaarde omstandigheid b "dat zij aan enige hartkwaal leed".

5.5.2.

Mede gelet op de onder 5.5.1 sub A, B en C vermelde omstandigheden komt het de Hoge Raad niet aannemelijk voor, dat het Hof, ware het bekend geweest met de inhoud van meergemelde brief van Dr. van Boxtel van 2 februari 1988, hetgeen daaromtrent in hoofdstuk 6 van het rapport van Dr. Laane is vermeld en de inhoud van de hiervoren onder 3.4 vermelde brieven, zou zijn gekomen tot een vrijspraak of een andere bewezenverklaring dan die welke in 's-Hogen Raads beschikking van 2 december 1986 onder 2.1 is vermeld. Immers, volgens het bewezenverklaarde heeft het gehele daarin omschreven "complex van opzettelijk handelen en nalaten" de dood van [slachtoffer] tengevolge gehad, te weten het complex van: (1) het opzettelijk toedienen, althans te eten geven, van soep met daarin een hoeveelheid rum met een alcoholgehalte van ongeveer 90%, (2) het opzettelijk toedienen, althans te drinken geven, van een mengsel van wijn, rum met een alcoholgehalte van ongeveer 90% en gin, en (3) het opzettelijk onthouden van medische assistentie en het nalaten deze in te roepen, terwijl deze onmiskenbaar en dringend geboden was. In verband hiermede ligt het voor de hand aan te nemen dat het Hof, ware het bekend geweest met het - door Dr. Laane onderschreven - oordeel van Dr. van Boxtel dat [slachtoffer] "zeer waarschijnlijk" leed aan ernstige hypokaliemie met daarmede samenhangende ritmestoornissen van het hart, weliswaar binnen het complex van evenbedoeld handelen en nalaten dit laatste - te weten: het onthouden van medische assistentie en nalaten deze in te roepen - relatief nog zwaarder zou hebben laten wegen dan het - naar mag worden aangenomen - thans heeft gedaan, doch niettemin zou hebben geoordeeld dat het gehele complex van het in het onderhavige arrest van 13 mei 1985 bewezenverklaarde handelen en nalaten van de aanvrager in samenhang met de mede bewezenverklaarde omstandigheden a, b, d en e de dood van [slachtoffer] tengevolge heeft gehad.

5.6.

Het vorenoverwogene leidt tot het oordeel, dat aan de inhoud van geen van de bij de aanvrage overgelegde rapporten, brieven en andere bescheiden een ernstig vermoeden als bedoeld in artikel 457, eerste onder 2°, Sv kan worden ontleend."

4.3.

De derde herzieningsaanvraag, die heeft geleid tot de beschikking van 29 september 1992, steunde onder meer op een schriftelijke verklaring van drs. A.M. van der Ark, waarin hij de inhoud van de rapporten van prof. Houthoff, prof. Nelemans en dr. van Boxtel, welke rapporten aan de orde waren in de onder 4.1 en 4.2 vermelde beslissingen van de Hoge Raad en inhielden als de daarin neergelegde oordelen van de deskundigen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat [slachtoffer] is overleden door een combinatie van de door haar genuttigde alcohol en de door haar gebruikte medicijnen, doch dat de oorzaak van de dood van [slachtoffer] gezocht moet worden in een hartritmestoornis, onderschreef. De Hoge Raad overwoog dat, waar aan de eerder genoemde rapporten geen ernstig vermoeden kon worden ontleend als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2°, (oud) Sv, de verklaring van Van der Ark evenmin een dergelijk vermoeden kan wekken.

4.4.

In de beschikking van 14 november 1995 heeft de Hoge Raad, naar aanleiding van de vierde herzieningsaanvraag die onder meer steunde op notariële verklaringen van de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] en een verklaring van dr. H.M. Laane, onder meer overwogen:

"6.1. In een aanvrage tot herziening kan niet met vrucht een beroep worden gedaan op de inhoud van bescheiden welke reeds bij een eerdere aanvrage tot herziening van dezelfde uitspraak zijn overgelegd dan wel binnen het kader van de beoordeling van die eerdere aanvrage ter kennis van de Hoge Raad zijn gebracht als behelzende de resultaten van een naar aanleiding van die eerdere aanvrage ingesteld onderzoek.

6.2.

Hieruit volgt dat de Hoge Raad de thans bij de eerste aanvullende aanvrage gevoegde verklaring van dr Laane slechts op haar eigen merites beoordeelt, en wel voor zover daarin wordt gesteld dat bepaalde aspecten (nog) niet aan de orde zijn gekomen.

6.2.1.

Dat betreft in de eerste plaats de stellingen dat dr Zeldenrust onvoldoende geïnformeerd is geweest om te komen tot een juist oordeel, en dat dat juiste oordeel zou zijn geweest dat [slachtoffer] is overleden (waarschijnlijk) als gevolg van een spontane hartstilstand.

6.2.2.

Bij zijn stelling dat dr Zeldenrust onvoldoende geïnformeerd is geweest (bedoeld zal zijn ten tijde van het afleggen van zijn tot bewijs gebezigde verklaring ter 's Hofs terechtzitting "dat de oorzaak van de dood van [slachtoffer] kan zijn geweest een acute vergiftiging door alcohol en de door de heer Van der Ark aangetoonde geneesmiddelen") wordt er aan voorbijgezien dat niet primair van betekenis is of dr Zeldenrust onvoldoende geïnformeerd was maar dat het er te dezen om gaat of het Hof niet over informatie beschikte, die thans wel voorhanden is, en daardoor tot een onjuist oordeel zou zijn gekomen. Daaromtrent is niet gebleken: ter 's Hofs terechtzitting zijn rapporten van dr Laane en van de internist dr Stevens in het geding gebracht waarin deze geargumenteerd hebben betoogd dat - zakelijk weergegeven - het hoogstonwaarschijnlijk is dat de dood van [slachtoffer] is veroorzaakt door de combinatie van alcohol en medicijnen, heeft dr Laane als deskundige eender verklaard en heeft de verdediging uit beide rapporten essentiële gedeelten geciteerd, onder meer dat noch de schouwarts noch dr Zeldenrust symptomen hebben gevonden die wezen op een overdosis/intoxicatie van alcohol en dan ook nog in combinatie met benzodiazepines en promethazine. Het Hof was dus bekend met de van het oordeel van dr Zeldenrust afwijkende mening die dr Laane in zijn onder 6.2 bedoelde verklaring en opnieuw in zijn "Kanttekeningen" heeft gegeven. Daarom kan niet met vrucht worden volgehouden dat het Hof als gevolg van onvoldoende informatie niet in de gelegenheid is geweest de verschillende thesen omtrent de oorzaak van de dood van [slachtoffer] tegen elkaar af te wegen.

6.2.3.

De stelling dat dr Zeldenrust zou hebben verklaard dat [slachtoffer] waarschijnlijk is overleden als gevolg van een spontane hartstilstand indien hij voldoende geïnformeerd was geweest, in het bijzonder indien tot hem was doorgedrongen de beweerde mededeling van prof. dr F.A. Nelemans dat [slachtoffer] niet kan zijn overleden aan de gevolgen van de gecombineerde werking van alcohol en promethazine en een benzodiazepinederivaat, komt neer op een mening, gissing dan wel redenering - hetgeen daartegen in de "Kanttekeningen" wordt aangevoerd ten spijt - die geen omstandigheden oplevert als hiervoor onder 4.5 bedoeld. Ook de hiervoor onder 4.1 bedoelde brief van de KNMG levert niet een omstandigheid op als hiervoor onder 4.5 bedoeld.

6.2.4.

Het tweede aspect dat volgens de verklaring van dr Laane nog niet aan de orde is gekomen is hetgeen hiervoor onder 4.2.4 als grondslag van de aanvrage is weergegeven. Daarbij heeft dr Laane kennelijk tot uitgangspunt genomen zijn stellingen dat aan de aanvrager niet bekend was dat [slachtoffer] "aan enige hartkwaal leed" (waaromtrent het Hof het tegendeel als bewezen heeft aangenomen) en dat de uiterlijke tekenen van lichamelijk onwel bevinden en/of machteloosheid (zweten, pijn in haar benen) en het opgelopen zijn van haar bloeddruk tot een abnormale hoogte geen noodzaak opleverden om acuut medische hulp in te roepen.

6.2.5.

Op grond van de tot bewijs gebezigde verklaringen van de aanvrager "Ik was op de hoogte van haar medicijngebruik en, globaal, van haar gezondheidstoestand", "Op 4 november 1983 heb ik haar tweemaal Inderal zien innemen" en "Het hartmiddel Inderal (...) heeft zij voortdurend ingenomen" heeft het Hof geredelijk kunnen aannemen dat de aanvrager wist dat zijn echtgenote [slachtoffer] "aan enige hartkwaal leed", ongeacht de aard en de ernst daarvan. Dat de uiterlijke tekenen van onwel bevinden en machteloosheid niet noopten tot het inroepen van medische hulp en daarvan ook geen heil was te verwachten is wederom een redenering die niet oplevert een omstandigheid als onder 4.5 bedoeld.

6.3.1.

Vooropgesteld dat een aanvrager bij een aanvrage tot herziening aannemelijk moet maken dat en waarom getuigen op een hem belastende verklaring terugkomen levert de door [betrokkene 3] opgegeven reden voor het afleggen van haar verklaring, zoals die voor het bewijs van het telastegelegde is gebezigd, geen grond op om aan te nemen dat deze verklaring onjuist is geweest, aangezien die reden, te weten "Noch bij de rechtbank noch bij het gerechtshof kon ik iets zeggen dat afweek van de eerdere verklaringen" onaannemelijk is.

6.3.2.

Voor zover [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hebben vermeld dat zij tot hun tegenover de verbalisanten afgelegde, tot het bewijs gebezigde verklaringen zijn gekomen onder op hen uitgeoefende druk, kan zulks niet gelden als een onder 4.5 bedoelde omstandigheid omdat de verdediging ter 's Hof s terechtzitting reeds heeft gesteld "Getuigen en overige betrokkenen worden op een niet mis te verstane manier onder druk gezet. De ene suggestie na de andere worden de betrokkenen voorgelegd, hetgeen tot foute conclusies heeft geleid" en "De verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] van zo even zijn hier eveneens duidelijk over. Zij zijn in verwarring gebracht en hebben verschrikkelijk veel verschillende verklaringen afgelegd". Het Hof is dus met de gestelde druk bekend geweest en heeft zich daaromtrent een oordeel kunnen vormen.

(...)

6.5.

Al het onder 6 overwogene leidt tot het oordeel dat aan de inhoud van geen bij de aanvrage en de beide aanvullende aanvragen tot herziening overgelegde bescheiden een ernstig vermoeden als bedoeld in art. 457, eerste lid onder 2°, Sv kan worden ontleend."

4.5.

De vijfde aanvraag, die heeft geleid tot het arrest van 30 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6140, berustte op de – reeds bij eerdere aanvragen betrokken – stelling dat de ter terechtzitting van het Hof afgelegde verklaring van dr. Zeldenrust onjuist is omdat de oorzaak van de dood van [slachtoffer] niet kan zijn gelegen in een combinatie van het gemeten alcoholpromillage en de gebruikte medicijnen, doch dat als meest waarschijnlijke doodsoorzaak acute hartstilstand moet worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft daaromtrent onder meer overwogen:

"De constatering dat het Hof bij de veroordeling van de aanvrager zich voor het, aan de rechter voorbehouden, oordeel omtrent het rechtens vereiste causaal verband heeft gebaseerd op het gehele complex van feiten en omstandigheden, waaronder al het opzettelijk handelen en nalaten van de aanvrager, brengt mee dat het oordeel van deskundigen, voorzover dat inhoudt dat het naar medisch inzicht hoogst onwaarschijnlijk is dat de dood is veroorzaakt door (enkel) de combinatie van alcohol en medicijnen, niet zonder meer het ernstig vermoeden kan wekken dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken."

4.6.

De zesde herzieningsaanvraag, die heeft geleid tot het arrest van 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9718, steunde in het bijzonder op het resultaat van een microscopische herbeoordeling verricht door de pathologen prof. dr. J.W.M. Niessen en dr. R. Visser van preparaten van twee stukjes hartspier van [slachtoffer] die door het NFI zijn bewaard, en op een drietal deskundigenberichten van onderscheidenlijk dr. P. Stevens, internist, prof. dr. A.E. Becker, patholoog, en dr. R.W. Koster, cardioloog, waarin - samengevat - op een desbetreffende vraag van de raadsman van de aanvrager is gerapporteerd dat bij een spontane (niet te voorziene) acute hartstilstand die zich uit in onmiddellijk bewustzijnsverlies, binnen enkele minuten deskundige hulp moet worden geboden. Met een beroep op een rapport van toxicoloog dr. K. Lusthof van 7 maart 2005 en een rapport van 31 december 2003 van prof. D.J. Pounder werd voorts aangevoerd dat [slachtoffer] niet is overleden als gevolg van de combinatie van alcohol en promethazine. De Hoge Raad overwoog daaromtrent onder meer:

"De omstandigheid dat door het nieuw bekend geworden gegeven de kans dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van hartritmestoornissen groter zou moeten worden geacht dan destijds door het Hof is aangenomen, brengt evenwel niet mee dat dat nieuwe gegeven als novum kan gelden.

Zoals hiervoor (...) is vooropgesteld heeft het Hof geoordeeld dat de dood van het slachtoffer het redelijkerwijs te verwachten gevolg was van het bewezenverklaarde complex van gedragingen van de aanvrager en dat die dood daarom aan hem moet worden toegerekend.

Het Hof heeft in het verband van die causaliteit niet vastgesteld en dus ook niet beslissend geacht waaraan het slachtoffer, medisch gezien, uiteindelijk is overleden. De tot het bewijs gebezigde verklaring van dr. Zeldenrust houdt wat dat betreft in dat de doodsoorzaak een acute vergiftiging door alcohol kan zijn geweest waarbij mogelijk aan de conditie van het slachtoffer en de toestand van haar hart betekenis toekomt.

Het thans bekend geworden gegeven zou voor het Hof aanleiding hebben kunnen zijn om wat betreft de uiteindelijke doodsoorzaak aan de toestand van het hart, meer in het bijzonder aan de mogelijkheid van hartritmestoornissen, relatief meer gewicht toe te kennen dan door dr. Zeldenrust kennelijk is gedaan. Het oordeel van het Hof dat de dood van het slachtoffer aan de aanvrager moet worden toegerekend, wordt echter door het nieuwe gegeven niet aangetast.

In dit verband verdient nog opmerking dat in de thans overgelegde NFI-rapporten van dr. Visser en de toxicoloog dr. Lusthof uitdrukkelijk wordt gewezen op de mogelijkheid dat - zo van hartritmestoornissen sprake is geweest - de toegediende alcohol en medicijnen daarop indirect van invloed zijn geweest.

(...)

Bij de beoordeling van het causaal verband tussen het opzettelijk nalaten van de aanvrager en de dood van het slachtoffer - de vraag dus of de dood van het slachtoffer redelijkerwijs ook aan dit opzettelijke nalaten van de aanvrager kan worden toegerekend - is echter niet beslissend of voor de aanvrager op grond van de (...) genoemde omstandigheden voorzienbaar was, dan wel dat hij had moeten begrijpen dat medische hulp dringend noodzakelijk was, maar komt het erop aan of de aanvrager daadwerkelijk heeft begrepen dat die hulp was geboden.

Het oordeel van het Hof dat dat laatste het geval was, heeft het niet alleen gegrond op de, uit de bewijsmiddelen blijkende, wetenschap die de aanvrager had van de (...) genoemde omstandigheden. Het Hof heeft immers ook vastgesteld dat de aanvrager geruime tijd voor het tijdstip van overlijden tegen [betrokkene 2] en diens vriendin had gezegd dat het een "aflopende zaak was" en dat het "mis" ging. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de aanvrager op de vraag van de vriendin of er geen dokter bijgehaald moest worden, heeft geantwoord dat de dokter weinig anders kon doen dan tijd rekken."

5 Beoordeling van de aanvraag

5.1.

Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.

5.2.1.

De Hoge Raad begrijpt de aanvraag aldus dat daarin, naar de kern bezien, een beroep wordt gedaan op een drietal herzieningsgronden:

(i) de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] zijn onder druk gezet door de politie om belastende verklaringen tegen de aanvrager af te leggen waardoor ernstige twijfels zijn gerezen over de waarheid van die verklaringen;

(ii) er is geen sprake geweest van een niet-natuurlijk overlijden van [slachtoffer];

(iii) voor de aanvrager was destijds niet voorzienbaar dat medische hulp dringend geboden was, en het tijdig inschakelen van medische hulp zou geen effect hebben gehad.

5.2.2.

Bij de beoordeling van het aangevoerde moet worden vooropgesteld dat voor zover de onderhavige aanvraag steunt op gronden die in de hiervoor genoemde beslissingen van de Hoge Raad op aanvragen tot herziening van het arrest van het Hof ongenoegzaam zijn geoordeeld, zij niet kan worden ontvangen.

6 Beoordeling van de eerste herzieningsgrond

De aanvraag steunt allereerst op de, reeds in de aanvraag die heeft geleid tot de beschikking van 14 november 1995 aangevoerde, stelling dat de getuigen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] belastende verklaringen tegen de aanvrager hebben afgelegd, omdat zij door de politie onder druk zijn gezet. Zulks kan niet gelden als een onder 5.1 bedoeld gegeven, omdat de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep deze stelling reeds heeft aangevoerd. Het Hof is dus met de gestelde druk bekend geweest en heeft zich daaromtrent een oordeel kunnen vormen. Voorts heeft de Hoge Raad in die beschikking van 14 november 1995 reeds geoordeeld dat de andersluidende verklaringen die deze getuigen volgens daartoe overgelegde notariële akten hebben afgelegd, niet het in art. 457 Sv bedoelde ernstige vermoeden wekken. Hetgeen prof. P.J. van Koppen in zijn rapportage van 4 mei 2017 omtrent de totstandkoming van de belastende verklaringen van deze getuigen heeft opgemerkt kan aan dit een en ander niet afdoen.

7 Beoordeling van de tweede herzieningsgrond

7.1.

In het tweede onderdeel van de aanvraag wordt met een beroep op de rapporten van dr. F.J.W. van de Goot, prof. dr. W. van de Voorde, prof. dr. W. Jacobs en prof. dr. M.J. Schalij aangevoerd dat geen sprake is geweest van een niet-natuurlijk overlijden van [slachtoffer], maar van een acute hartdood.

7.2.

Het aangevoerde kan niet een ernstig vermoeden wekken als hiervoor onder 5.1 vermeld, nu dit in de kern neerkomt op een herhaling van in eerdere herzieningsaanvragen naar voren gebrachte informatie waarvoor ook thans geldt hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 2006, hiervoor onder 4.6 weergegeven, heeft overwogen. Voor zover de aanvraag mede in die zin moet worden begrepen dat de bevindingen van voornoemde deskundigen inhouden dat het toedienen van alcohol en medicijnen door de aanvrager aan [slachtoffer] geen enkele invloed kan hebben gehad op het intreden van de dood, stemt zij niet overeen met de inhoud van die bevindingen.

Het aanvullend onderzoek van dr. Van de Goot (productie 29) houdt hieromtrent immers het volgende in:

"De aanwezige toxicologische substraten, met name de alcohol kan, door extra belasting van de hartspier een rol hebben gespeeld waarbij tevens moet worden gesteld dat het promillage niet van dien aard was dat dit zonder de aanwezigheid van preëxistente hartpathologie geëigend is lethaal te zijn en gewenning het effect onvoorspelbaar maken."

Het rapport van prof. dr. Van de Voorde (productie 30) houdt hieromtrent in:

"Dr. K. Lusthof (2005) stelt dat "het onwaarschijnlijk [is] dat betrokkene is overleden aan de directe gevolgen van alcohol en medicijnen." Wel kan er sprake zijn geweest van een indirecte rol (bijkomende factor in het overlijden) "in combinatie met de mogelijk aanwezige hartproblemen. Doordat alcohol en sommige geneesmiddelen hersenfuncties dempen, in het bijzonder het ademcentrum, kan de zuurstofvoorziening van lichaamsweefsels (...) afnemen. Door de verminderde zuurstofvoorziening van het hart kunnen veronderstelde hartritmestoornissen of een veronderstelde hartaanval zijn verergerd."

Beide conclusies worden door ondergetekende onderschreven."

Voorts schrijft prof. dr. M.J. Schalij (productie 32) in zijn rapport:

"Haar andere aandoeningen namelijk het alcoholgebruik, het gebruik van anti-depressiva in verband met een mogelijke depressie en de moeilijk te behandelen hypokaliëmie mogen wellicht zelfstandig niet als oorzaak worden gerekend maar kunnen hebben bijgedragen aan het ontstaan van levensbedreigende ritmestoornissen."

7.3.

Het Hof heeft bovendien, blijkens hetgeen onder 3.3 is weergegeven, de veroordeling van de aanvrager wegens moord niet enkel gegrond op de vaststelling "dat de dood van [slachtoffer] medisch gezien zeer wel het gevolg kan zijn van de gecombineerde werking van de door [slachtoffer] gebruikte medicijnen en de haar toegediende alcohol". Het heeft immers bij zijn conclusie dat de dood redelijkerwijs als gevolg van de bewezenverklaarde gedragingen aan de aanvrager kon worden toegerekend in het bijzonder ook in aanmerking genomen dat de aanvrager aan [slachtoffer], die aan een hartkwaal leed en wier bloeddruk tot abnormale hoogte (boven de 200 bovendruk) was opgelopen, medische hulp achterwege heeft gelaten en deze ook niet heeft ingeroepen toen deze hulp dringend geboden was, doch in plaats daarvan haar drank met een zeer hoog alcoholpercentage heeft gegeven. De constatering dat het Hof bij de veroordeling van de aanvrager zich voor het, aan de rechter voorbehouden, oordeel omtrent het rechtens vereiste causaal verband heeft gebaseerd op het gehele complex van feiten en omstandigheden, waaronder al het opzettelijk handelen en nalaten van de aanvrager, brengt mee dat het oordeel van deskundigen, voorzover dat inhoudt dat het naar medisch inzicht waarschijnlijk is dat de dood is veroorzaakt door hartfalen, niet zonder meer het ernstig vermoeden kan wekken dat de aanvrager zou zijn vrijgesproken dan wel dat een minder zware strafbepaling zou zijn toegepast.

8 Beoordeling van de derde herzieningsgrond

8.1.1. In het derde onderdeel van de aanvraag wordt met een beroep op voornoemde deskundigenrapporten aangevoerd dat voor de aanvrager destijds niet voorzienbaar was, en hij dus niet behoefde te begrijpen, dat medische hulp dringend geboden was.

8.1.2. Voornoemde stelling is reeds in het zesde, ongegrond bevonden, herzieningsverzoek betrokken. Dienaangaande heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 19 december 2006 overwogen dat bij de beoordeling van het causaal verband tussen het opzettelijk nalaten van de aanvrager en de dood van [slachtoffer] - de vraag dus of de dood van [slachtoffer] redelijkerwijs ook aan dit opzettelijke nalaten van de aanvrager kan worden toegerekend - niet beslissend is of de aanvrager had moeten begrijpen dat medische hulp dringend noodzakelijk was, maar dat het erop aankomt of de aanvrager daadwerkelijk heeft begrepen dat die hulp was geboden. Het oordeel van het Hof dat dat laatste het geval was, heeft het niet alleen gegrond op de, uit de bewijsmiddelen blijkende, wetenschap die de aanvrager had van de fragiele gezondheidstoestand van [slachtoffer], van de uiterlijke tekenen van lichamelijk onwel bevinden die zij vertoonde, van haar sterk opgelopen bloeddruk en van het feit dat zij medicijnen die in combinatie met alcohol schadelijk konden zijn, had ingenomen. Het Hof heeft immers ook vastgesteld dat de aanvrager geruime tijd voor het tijdstip van overlijden tegen de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] had gezegd dat het een "aflopende zaak was" en dat het "mis" ging. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de aanvrager op de vraag van [betrokkene 3] of er geen dokter bijgehaald moest worden, heeft geantwoord dat de dokter weinig anders kon doen dan tijd rekken.

8.2.1. Daarnaast wordt in dit onderdeel van de aanvraag met een beroep op voornoemde rapporten betoogd dat ervan moet worden uitgegaan dat het tijdig inschakelen van medische hulp geen effect zou hebben gehad. Dr. Van de Goot rapporteert dat "[i]ndien overgegaan zou moeten worden tot reanimatiehandelingen daarbij ook [dient] te worden ingezien dat reanimatiehandelingen bij ouderen in de tijd waarover we spreken, zonder AED apparaat een weinig hoopvol verloop dient te worden toegedicht." Voorts schrijft prof. dr. M.J. Schalij dat kamerfibrilleren naar zijn mening de meest voor de hand liggende oorzaak van het overlijden is en dat "[d]e kans dat iemand begin jaren 80 een dergelijke episode zou overleven nihil [is]. De defibrillatoren waren niet beschikbaar op alle ambulances (dit wisselde per regio overigens). Daarnaast waren de reanimatie technieken anders dan tegenwoordig."

8.2.2. Ook deze bevindingen kunnen niet als een gegeven als in art. 457 Sv bedoeld worden aangemerkt, nu het Hof heeft vastgesteld dat de aanvrager in een vroeg stadium – dus reeds voordat onmiddellijke en adequate reanimatie was aangewezen – begreep dat medische hulp dringend geboden was, maar heeft nagelaten deze hulp in te schakelen. Het Hof heeft immers, blijkens hetgeen onder 3.3 is weergegeven, vastgesteld dat [slachtoffer] "niet plotseling en onaangekondigd [is] overleden maar ongeveer drie kwartier of meer nadat verdachte op 4 november 1983 omstreeks 22.30 uur tegen [betrokkene 2] en, bij een telefoongesprek, [betrokkene 3] had gezegd dat het volgens hem een aflopende zaak was, terwijl verdachte in die tussenliggende periode niet getracht heeft, hoewel dat zonneklaar geboden was, doktershulp in te roepen maar wel een mengsel van wijn, gin en palmboomrum met een zeer hoog alcoholpercentage aan [slachtoffer] te drinken heeft gegeven".

9 Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat de in de aanvraag aangevoerde gegevens noch afzonderlijk, noch in samenhang beschouwd, een ernstig vermoeden wekken als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv. Dat brengt mee dat de aanvraag kennelijk ongegrond is.

10 Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.

Dit arrest is vastgesteld op 29 augustus 2017 en gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2017.