Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2262

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-09-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
15/05939
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1241, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:4616, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Afvalstoffenbelasting. Art. 27, 89 en 91 Wet belastingen op milieugrondslag (tekst 2011). Artikel XXXVIc Belastingplan 2012. Teruggaaf op verzoek als berekening verschuldigde belasting leidt tot negatief bedrag. Tijdigheid van het verzoek. Betekenis van de woorden “bij de aangifte” in artikel XXXVIc Belastingplan 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 08-09-2017
FutD 2017-2210
NLF 2017/2301 met annotatie van Martijn Hoffer
mr. E.G. Borghols, Van den Bosch & partners annotatie in NTFR 2017/2260

Uitspraak

8 september 2017

nr. 15/05939

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] N.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 november 2015, nr. 14/00692, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 13/2723) betreffende het verzoek van belanghebbende om teruggaaf van afvalstoffenbelasting op de voet van artikel 89, lid 7, van de Wet belastingen op milieugrondslag over het tijdvak december 2011. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 29 november 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1241).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende exploiteert een stortplaats. De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aangiftebiljet voor de afvalstoffenbelasting voor het tijdvak december 2011 uitgereikt. Op het biljet staat vermeld “Aangifte en betaling moeten uiterlijk binnen zijn op 31 januari 2012”. Het door belanghebbende ingevulde aangiftebiljet is op 1 februari 2012 door de Inspecteur ontvangen. De in dat aangiftebiljet opgenomen berekening van de verschuldigde belasting resulteerde in een bedrag van negatief € 846.887. In dit bedrag is begrepen een vermindering als bedoeld in artikel 27, lid 1, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst 2011; hierna: Wbm).

2.1.2.

De Inspecteur heeft de aangifte aangemerkt als een verzoek om teruggaaf van afvalstoffenbelasting als bedoeld in artikel 89, lid 7, Wbm. Bij voor bezwaar vatbare beschikking van 29 februari 2012 heeft de Inspecteur over het tijdvak december 2011 teruggaaf verleend van het in de aangifte vermelde bedrag van € 846.887 (hierna: de teruggaafbeschikking).

2.1.3.

Bij brief van 7 maart 2012 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen “de aangifte afvalstoffenbelasting (…) over het tijdvak december 2011”. Belanghebbende heeft daarin, onder verwijzing naar het overgangsrecht dat is opgenomen in artikel XXXVIc, lid 2, van het Belastingplan 2012 (hierna ook: het overgangsrecht), welk overgangsrecht betrekking heeft op de toepassing van artikel 27, lid 1, Wbm, verzocht om verhoging van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde vermindering met € 6.963.648.

2.1.4.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 april 2012 besloten de door belanghebbende gevraagde hogere vermindering niet te verlenen.

2.2.1.

Voor het Hof was - voor zover in cassatie van belang - in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de door belanghebbende gevraagde hogere vermindering niet heeft verleend.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat uit de tekst van en de toelichting bij het overgangsrecht volgt dat een verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 89, lid 7, Wbm, wat betreft de vermindering die voortvloeit uit het overgangsrecht, diende te geschieden bij de aangifte over het laatste tijdvak in 2011. Hieruit volgt, aldus het Hof, dat het verzoek van belanghebbende om teruggaaf diende te geschieden bij de aangifte over het tijdvak december 2011. Aangezien de aangifte, met daarin begrepen het verzoek om teruggaaf van € 846.887, door de Inspecteur is ontvangen op 1 februari 2012, is het verzoek om teruggaaf volgens het Hof te laat ingediend. Het Hof heeft vervolgens het door belanghebbende bij de aangifte gedane verzoek om teruggaaf niet-ontvankelijk verklaard en de teruggaafbeschikking in die zin gewijzigd.

2.3.

De middelen richten zich tegen onder meer de hiervoor in 2.2.2 opgenomen oordelen van het Hof. De middelen betogen onder meer dat het Hof de in het overgangsrecht vervatte vermindering verwart met een verzoek om teruggaaf van belasting, het Hof niet duidelijk maakt op welk verzoek zijn oordelen zien, in artikel 89, lid 7, Wbm niet een uiterste termijn wordt genoemd waarbinnen het verzoek om teruggaaf van het negatieve bedrag aan belasting moet worden ingediend, en daarvoor evenmin een vormvoorschrift is gegeven. Voorts betogen de middelen dat in artikel XXXVIc, lid 2, van het Belastingplan 2012 met de woorden “[b]ij de aangifte” niet iets anders tot uitdrukking wordt gebracht dan dat de in die bepaling voorziene eenmalige verruiming van de vermindering van artikel 27, lid 1, Wbm haar beslag krijgt bij de berekening van de over het laatste tijdvak van het jaar 2011 verschuldigde belasting.

2.4.1.

Artikel 89, lid 1, Wbm bepaalt dat de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting op aangifte moet worden voldaan. Indien de berekening van de verschuldigde belasting leidt tot een negatief bedrag, verleent de inspecteur op verzoek van de belastingplichtige teruggaaf van dit bedrag (artikel 89, lid 7, Wbm).

2.4.2.

De Wbm voorziet niet in een termijn waarbinnen het teruggaafverzoek door de belastingplichtige moet zijn gedaan. Evenmin is in de Wbm de eis opgenomen dat het verzoek moet worden gedaan bij de aangifte over het tijdvak waarop de teruggaaf ziet. Het voorgaande leidt ertoe dat – aangezien de Inspecteur klaarblijkelijk de indiening van de aangifte over het tijdvak december 2011 onder vermelding van een negatief bedrag aan verschuldigde belasting heeft aangemerkt als een door belanghebbende gedaan verzoek om teruggaaf van die belasting - de Inspecteur terecht de hiervoor in 2.1.2 vermelde beschikking heeft gegeven, omdat niet sprake is van een niet‑tijdig verzoek om teruggaaf in de zin van artikel 89, lid 7, Wbm. ’s Hofs oordeel dat het teruggaafverzoek niet-ontvankelijk is, berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting.

Voor zover het Hof aan zijn beslissing omtrent de tijdigheid van het bij de aangifte gedane verzoek om teruggaaf mede ten grondslag heeft gelegd het bepaalde in artikel XXXVIc van het Belastingplan 2012, heeft het dat ten onrechte gedaan, aangezien hetgeen in dat artikel is bepaald niets inhoudt over een termijn waarbinnen het verzoek om teruggaaf in de zin van artikel 89, lid 7, Wbm moet worden gedaan. De middelen slagen in zoverre.

2.5.

De middelen komen voorts op tegen het hiervoor in 2.2.2 vermelde oordeel van het Hof dat een verzoek om teruggaaf als bedoeld in artikel 89, lid 7, Wbm, wat betreft de vermindering die voortvloeit uit het overgangsrecht, diende te geschieden bij de aangifte over het tijdvak december 2011.

2.6.1.

Artikel 27, lid 1, Wbm bepaalt dat op de verschuldigde afvalstoffenbelasting in mindering wordt gebracht de belasting ter zake van stoffen, preparaten of andere producten die de inrichting, al dan niet na nuttige toepassing, hebben verlaten.

2.6.2.

Bij de afschaffing van de afvalstoffenbelasting per 1 januari 2012 is in artikel XXXVIc, lid 2, van het Belastingplan 2012, bepaald dat “[b]ij de aangifte (…) over het laatste tijdvak van het jaar 2011” artikel 27, lid 1, Wbm zodanig wordt toegepast, dat ook de belasting ter zake van de op 31 december 2011 in de inrichting aanwezige stoffen, preparaten of andere producten die na 31 december 2011 de inrichting, al dan niet na nuttige toepassing, zullen verlaten, op de verschuldigde belasting in mindering wordt gebracht.

2.6.3.

Blijkens de in onderdeel 4.21 van de uitspraak van het Hof aangehaalde totstandkomingsgeschiedenis strekt artikel XXXVIc van het Belastingplan 2012 ertoe om bij gelegenheid van de afschaffing van de afvalstoffenbelasting in één keer af te rekenen over voorraden die de inrichting na 31 december 2011 zullen verlaten. Daarbij is ervoor gekozen die afrekening te laten plaatsvinden als onderdeel van de berekening van de over het laatste tijdvak van het jaar 2011 verschuldigde belasting. Dit is tot uitdrukking gebracht met het gebruik van de woorden “[b]ij de aangifte (…) over het laatste tijdvak van het jaar 2011”. Een verdere strekking valt aan die bewoordingen niet toe te kennen. Om die reden valt niet in te zien waarom, zoals het Hof heeft geoordeeld, een op het overgangsrecht betrekking hebbend verzoek om teruggaaf diende te geschieden bij de aangifte over december 2011. De toepassing van dat overgangsrecht leidt immers ook niet noodzakelijkerwijs tot een negatief bedrag aan verschuldigde belasting over dat tijdvak. Belanghebbende kon zich derhalve in haar bezwaarschrift op het standpunt stellen dat bij de berekening van de over het tijdvak december 2011 verschuldigde belasting alsnog rekening moest worden gehouden met het overgangsrecht en een eventueel voor haar daaruit voortvloeiende vermindering. De middelen slagen ook in zoverre.

2.7.

Op grond van het vorenoverwogene kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De middelen behoeven voor het overige geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent de proceskosten,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3342 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2017.