Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2254

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
05-09-2017
Zaaknummer
15/01395
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:834, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Slagende motiveringsklacht over bewezenverklaarde hennepverkoop. De bewezenverklaring, v.zv. inhoudende dat verdachte meermalen opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, kan niet zonder meer worden afgeleid uit de bewijsvoering. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 15/01393 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0347

Uitspraak

5 september 2017

Strafkamer

nr. S 15/01395

AJ/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 12 maart 2015, nummer 20/001816-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft I.T.H.L. van de Bergh, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 2b tenlastegelegde en de strafoplegging, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2. Beoordeling van het derde middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring

onder 2b, voor zover inhoudende dat de verdachte opzettelijk hennep heeft verkocht, ontoereikend heeft gemotiveerd.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 2b bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 september 2007 tot en met medio maart 2008 in Nederland, meermalen opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."

2.2.2.

Met betrekking tot de bewezenverklaring heeft het Hof het volgende overwogen:

"Op 15 april 2008 troffen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in de gewelvenkelder (hierna ook: ruimte 1) van de woning van de verdachte aan de [a-straat 1] te Nederweert oogstrijpe hennepplanten en een gebruiksklare inrichting voor de teelt van hennep aan. De verbalisanten zagen onder meer dat boven de planten assimilatielampen waren aangebracht en dat die lampen brandden. Voorts zagen de verbalisanten dat de elektriciteitskabels van deze lampen naar een paneel liepen waarop voorschakelapparaten (transformatoren) waren gemonteerd, dat de elektriciteitskabels op de voorschakelapparaten waren aangesloten, dat van de voorschakelapparaten elektriciteitskabels naar een schakel- en verdeelinrichting liepen en dat de elektriciteitskabels van de schakel- en verdeelinrichting in stopcontacten waren gestoken. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen dat in de gewelvenkelder 153 hennepplanten aanwezig waren, die gemiddeld 65 centimeter hoog waren. Uit een representatief aantal hennepplanten knipte verbalisant [verbalisant 1] een top, die hij verpakte ten behoeve van een NIT-test.

De verdachte werd op 15 april 2008 om 09.30 uur aangehouden wegens vermoedelijke overtreding van de Opiumwet en overgebracht naar het politiebureau te Weert, waar hij om 9.45 uur aankwam.

Op 15 april 2008, omstreeks 10.00 uur, vernam verbalisant [verbalisant 1] van een medewerker van Essent dat hem was opgevallen dat, nadat de stroomvoorziening van de hennepkwekerij in de gewelvenkelder was uitgeschakeld, de elektriciteitsafname hoog bleef. Voorts vernam verbalisant [verbalisant 1] van deze Essent-medewerker dat men zag dat een grijze elektriciteitsbuis naar de nieuw aangebouwde keuken liep.

Verbalisant [verbalisant 1] heeft daarop telefonisch contact opgenomen met de verdachte in het politiebureau te Weert en de verdachte gevraagd of er nog een hennepkwekerij in zijn woning was daar er nog steeds een hoge stroomafname was. Verbalisant [verbalisant 1] hoorde dat de verdachte daarop zei: "Als je de ondergrondse garage inloopt dan staat er rechts in de hoek een witte kast. Achter deze kast zit een luik met een schuifje erop. Achter dit luik zit een hennepkwekerij."

De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen vervolgens in de ondergrondse garage een witte kast staan. De verbalisanten zagen achter die kast een luik en achter dat luik zagen de verbalisanten een verborgen ruimte (hierna ook: ruimte 2) waarin oogstrijpe hennepplanten stonden. De verbalisanten zagen onder meer dat boven de planten assimilatielampen waren aangebracht en dat die lampen brandden. Voorts zagen de verbalisanten dat de elektriciteitskabels van deze lampen naar een paneel liepen waarop voorschakelapparaten (transformatoren) waren gemonteerd, dat de elektriciteitskabels op de voorschakelapparaten waren aangesloten, dat van de voorschakelapparaten elektriciteitskabels naar een schakel- en verdeelinrichting liepen en dat de elektriciteitskabels van de schakel- en verdeelinrichting in stopcontacten waren gestoken. De verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen dat in de ruimte 210 hennepplanten aanwezig waren, die gemiddeld 65 centimeter hoog waren. Uit een representatief aantal hennepplanten knipte verbalisant [verbalisant 1] een top, die hij verpakte ten behoeve van een NIT-test.

(...)

Verkopen van hennep (feit 2 sub b)

Zoals hiervoor is overwogen troffen de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 15 april 2008 in de gewelvenkelder onder de woning van de verdachte en in een verborgen ruimte onder de nieuw aangebouwde keuken van die woning in werking zijnde hennepkwekerijen aan, waarin op dat moment 363 hennepplanten stonden, die alle gemiddeld 65 centimeter hoog waren.

Op grond van algemene ervaringsregels heeft te gelden dat de kweekcyclus van hennepplanten gemiddeld tien weken beslaat: de groei- en bloeitijd duurt gemiddeld negen weken; daarnaast wordt rekening gehouden met een week leegstand voor het oogsten en opruimen van de oude planten en het inrichten van de kwekerij met nieuwe plantenstekken (bron: het rapport 'Wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht' van het Bureau Ontnemingswetgeving van het Openbaar Ministerie van 1 november 2010, hierna ook: het BOOM-rapport).

Op grond van de door de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank van 25 maart 2011 afgelegde verklaring dat hij vanaf september 2007 is begonnen met het telen van hennepplanten - waarbij het hof er in het voordeel van de verdachte vanuit zal gaan dat de eerste teelt pas aan het einde van die maand aanving - en gelet op de hiervoor vermelde gemiddelde duur van de kweekcyclus van hennepplanten kan naar het oordeel van het hof redelijkerwijs worden aangenomen dat er twee voltooide kweekcycli zijn geweest (de eerste van eind september tot en met medio december 2007 en de tweede van medio december 2007 tot en met eind februari 2008) en dat eind februari 2008 is begonnen met de teelt van de hennepplanten die op 15 april 2008 in de woning van de verdachte werden aangetroffen. Deze aanname vindt steun in het gegeven dat laatstbedoelde hennepplanten op 15 april 2008 gemiddeld 65 centimeter hoog waren.

Gezien de wijze van inrichting van de in de woning van de verdachte aangetroffen hennepkwekerijen, zoals door de verbalisanten omschreven, en gelet op de hoeveelheid daarin aanwezige hennepplanten (363 stuks) kan naar het oordeel van het hof als vaststaand worden aangenomen dat in de woning van de verdachte min of meer bedrijfsmatig, doch in ieder geval met een zekere mate van professionaliteit op grote schaal hennep werd geteeld. Naar het oordeel van het hof kan in het algemeen worden verondersteld dat het op deze wijze telen van dergelijke hoeveelheden hennepplanten geschiedt met het doel de hennep te verkopen.

In deze zaak is niet gebleken dat de hennepplanten werden geteeld met een ander doel dan het verkopen van de geoogste hennep. Het hof acht dan ook - anders dan door de verdediging is bepleit - bewezen dat de verdachte in de periode van september 2007 tot medio maart 2008 meermalen hennep heeft verkocht.

Naar het oordeel van het hof ging het daarbij telkens om meer dan 500 gram hennep, en aldus steeds "een grote hoeveelheid van het middel" als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet.

Het hof komt tot deze conclusie op grond van het gegeven dat in de woning van de verdachte op 15 april 2008 363 hennepplanten werden aangetroffen, terwijl niet is gebleken van aanwijzingen waaruit zou kunnen volgen dat de verdachte in de periode van 1 september 2007 tot en met medio maart 2008 telkens minder dan 200 hennepplanten heeft geteeld en geoogst, alsmede op grond van het in het hiervoor genoemde BOOM-rapport neergelegde uitgangspunt dat de gemiddelde opbrengst van één hennepplant 28,2 gram hennep bedraagt."

2.3.

Aangezien de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte meermalen opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de bewijsvoering, is de bestreden uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.4.

Het middel is gegrond.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 2b tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is vastgesteld op 29 augustus 2017 en gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 september 2017.