Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:2226

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
01-09-2017
Datum publicatie
01-09-2017
Zaaknummer
17/01351
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:729, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BOPZ. Verzoek machtiging voortgezet verblijf. Geneeskundige verklaring van een ‘arts verstandelijk gehandicapten’. Art. 1 lid 6 Wet Bopz. Kan met deze verklaring worden volstaan in geval van een gecombineerde diagnose die mede betrekking heeft op psychiatrische stoornis?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2017-0333

Uitspraak

1 september 2017

Eerste Kamer

17/01351

RM/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT ROTTERDAM,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. M.M. van Asperen,

t e g e n

[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats]

,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.E. Bruning.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de officier van justitie en betrokkene.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikkingen in de zaak C/10/513238 / FA RK 16-8980 van de rechtbank Rotterdam van 21 november 2016 en 16 december 2016.

De beschikkingen van de rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen beide beschikking van de rechtbank heeft de officier van justitie beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van de officier van justitie heeft bij brief van 13 juni 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De officier van justitie heeft op 28 oktober 2016 aan de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.

(ii) Betrokkene verbleef op dat moment op grond van een rechterlijke machtiging in een locatie die op grond van art. 1 lid 1 onder h Wet Bopz is aangemerkt als zwakzinnigeninrichting en daarmee als een ‘psychiatrisch ziekenhuis’ in de zin van die wet.

(iii) Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd, op 19 oktober 2016 ondertekend door de arts verstandelijk gehandicapten [betrokkene 1] als geneesheer-directeur van de desbetreffende locatie, die betrokkene daartoe op 19 oktober 2016 heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken andere arts verstandelijk gehandicapten. In rubriek 3 van deze verklaring was als diagnose gesteld ‘schizofrenie’ en ‘verstandelijke handicap’. Als belangrijkste diagnose was ‘schizofrenie’ aangekruist.

(iv) Na een tussenbeschikking van de rechtbank heeft de officier van justitie een ‘verbeterde’ geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur aan de rechtbank toegezonden. Als belangrijkste diagnose was ditmaal de verstandelijke beperking aangekruist. Een bijgevoegde brief van de geneesheer-directeur vermeldde dat in de geneeskundige verklaring van 19 oktober 2016 per abuis niet de juiste belangrijkste diagnose was aangekruist.
Ter toelichting werd vermeld dat betrokkene voor zijn schizofrenie is behandeld en gestabiliseerd, en daarna met een ingestelde medicatie is geplaatst in een andere locatie omdat de context-gestuurde behandeling aldaar passend is bij de verstandelijke beperking van betrokkene.

3.2

De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Zij heeft daartoe onder meer het volgende overwogen. Op grond van art. 1 lid 6 Wet Bopz is een ‘arts verstandelijk gehandicapten’ gelijkgesteld met een ‘psychiater’ voor zover het de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte betreft en is deze bevoegd als ‘medical expert’ in voorkomend geval een geneeskundige verklaring op te stellen. Indien echter sprake is van een (bovenliggende) psychiatrische stoornis, dient de geneeskundige verklaring te worden opgesteld door een psychiater. Bij geconstateerde psychiatrische problematiek van een verstandelijk gehandicapte patiënt dient een psychiater het onderzoek over te nemen. Van een dergelijke situatie is in het onderhavige geval sprake. Voorafgaande machtigingen zijn verleend om gevaar voortvloeiend uit de schizofrenie weg te nemen. In eerste instantie was een machtiging nodig om dwangmedicatie mogelijk te maken.

Van betrokkene is bekend dat de kans nog steeds groot is dat hij zich zonder rechterlijke machtiging aan behandeling zal onttrekken en de inname van zijn antipsychoticum zal staken, met risico op psychotische ontregeling met daaraan verbonden gevaar. Ook thans wordt in de geneeskundige verklaring het verband tussen de schizofrenie en het gevaar vermeld. Ook in de huidige situatie van betrokkene is er sprake van een vorm van dwang als het gaat om zijn antipsychotische medicatie. Uit de toelichting ter zitting blijkt dat de arts verstandelijk gehandicapten een dubbele diagnose heeft gesteld die verder gaat dan waartoe haar deskundigheid zich uitstrekt. Uit die toelichting blijkt voorts dat de behandeling door een ‘arts verstandelijk gehandicapten’ in de regel wordt gestopt indien de psychiatrische stoornis de overhand krijgt en dat in zo’n geval de bijstand van een psychiater wordt verzocht. In de omstandigheden van dit geval had betrokkene voor het psychiatrische deel van de problematiek moeten worden onderzocht en gezien door een psychiater en niet uitsluitend door een arts verstandelijk gehandicapten. (rov. 2.6-2.8)

3.3

Betrokkene heeft aangevoerd dat de officier van justitie wegens gebrek aan belang niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen, aangezien betrokkene krachtens een op 9 maart 2017 verleende rechterlijke machtiging opnieuw is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Vernietiging van de bestreden uitspraak zal volgens betrokkene niet kunnen leiden tot het alsnog verlenen van de verzochte machtiging.

Dit verweer gaat niet op. Indien de beschikking van de rechtbank zou worden vernietigd, zou de zaak moeten worden verwezen voor onderzoek of de gevraagde machtiging alsnog kan worden verleend. Niet kan op voorhand worden aangenomen dat betrokkene in dat geval nog uit hoofde van de machtiging van 9 maart 2017 zal zijn opgenomen wanneer einduitspraak wordt gedaan.

3.4.1

Onderdeel 1 van het middel bevat geen klacht. Onderdeel 2.1 klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat betrokkene (voor het psychiatrische deel van zijn problematiek) had moeten worden onderzocht door een psychiater en niet uitsluitend door een arts verstandelijk gehandicapten. Het onderdeel voert daartoe onder meer aan dat de wetgever in art. 1 lid 6 Wet Bopz de arts verstandelijk gehandicapten onvoorwaardelijk heeft gelijkgesteld met een psychiater als het gaat om de opname en het verblijf van een verstandelijk gehandicapte. Daarmee heeft de wetgever het aan het deskundig oordeel van deze ‘medical expert’ overgelaten of deze het nodig acht een psychiater te raadplegen dan wel de aanvrager naar een psychiater te verwijzen, aldus het onderdeel. Onderdeel 2.2 bevat een vervolgklacht over de motivering van het oordeel van de rechtbank.

3.4.2

Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld.

Voor het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis diende vóór de invoeging op 15 februari 2014 van art. 1 lid 6 Wet Bopz de betrokkene steeds te zijn onderzocht door een psychiater. Zie art. 16 lid 2 Wet Bopz in verbinding met art. 5 lid 1, tweede volzin, Wet Bopz, alsmede HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2028, NJ 2012/420 en HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:270, NJ 2014/103. Uit de zojuist genoemde beschikkingen volgt dat het aan de wetgever is hierop een uitzondering te maken, gelet op het grondrecht dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet voorzien.

Met art. 1 lid 6 Wet Bopz heeft de wetgever – voor zover hier van belang – een arts verstandelijk gehandicapten gelijkgesteld met een psychiater “voor zover het de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte betreft”. Uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat met deze bepaling is beoogd de arts verstandelijk gehandicapten bevoegd te maken “op zijn eigen deskundigheidsterrein een medisch oordeel [te] vellen over de (gedwongen) opname” (Kamerstukken II 2012-2013, 33 507, nr. 6, p. 14).

3.4.3

In het onderhavige geval is sprake van een geneeskundige verklaring waarin een gecombineerde diagnose is gegeven, bestaande in schizofrenie en een verstandelijke beperking. Uit hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen, volgt dat aan art. 1 lid 6 Wet Bopz niet de strekking kan worden toegekend dat voor een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden volstaan met een verklaring van een arts verstandelijk gehandicapten indien de diagnose niet is beperkt tot het ‘eigen deskundigheidsterrein’ van die arts, maar tevens het deskundigheidsterrein van de psychiater bestrijkt. In een zodanig geval is mede een verklaring van een psychiater vereist.

3.4.4

De rechtbank heeft – in cassatie onbestreden – overwogen dat eerdere rechterlijke machtigingen waren verleend om het door betrokkene veroorzaakte gevaar voortvloeiend uit de gediagnosticeerde psychiatrische stoornis weg te nemen, en dat die machtigingen nodig waren om dwangmedicatie mogelijk te maken. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat ook thans de machtiging is verzocht om zo nodig dwangbehandeling met een antipsychoticum mogelijk te maken. Daarmee heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat het verzoek tot voortgezet verblijf mede berust op (gevaar verband houdende met) de psychiatrische stoornis van betrokkene. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 is overwogen heeft de rechtbank geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met haar aldus gemotiveerde oordeel dat niet kon worden volstaan met de verklaring van een arts verstandelijk gehandicapten. Ook is dat oordeel niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. In het licht van het bovenstaande wordt dit niet anders door de omstandigheid dat de gewijzigde verklaring vermeldde dat de verstandelijke handicap inmiddels de bovenliggende stoornis was.

3.4.5

Op het bovenstaande stuiten alle klachten van het middel af.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 1 september 2017.