Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:221

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
14/03452
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:629
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:959
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Politie als benadeelde partij. Casus: de politie heeft zich gevoegd als b.p. omdat zij schade heeft geleden doordat verdachte een valse aangifte heeft gedaan ex art. 188 Sr, met als grondslag onrechtmatige daad ex art 6:162 BW. Het hof heeft de b.p. n-o verklaard i.v.m. een onevenredige belasting van het strafgeding. Kostenverhaal o.g.v. het privaatrecht levert in beginsel een onaanvaardbare doorkruising op van publiekrechtelijke regelgeving (vgl. HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2835, NJ 2003/54; civiele kamer). Vordering van de politie als b.p. is wel mogelijk indien de aangifte zou zijn gedaan met geen ander doel dan de politie te schaden en aangever wist of moest begrijpen dat de aangifte de politie zou nopen of bewegen tot nodeloze opsporingshandeling . Indien de politie in het strafproces als b.p. schadevergoeding vordert wegens nodeloos gemaakte kosten, rust op haar de plicht f&o te stellen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan deze vereisten is voldaan. Bij betwisting rust op de politie ook, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de last bewijs van die f&o bij te brengen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0109 met annotatie van J.H.J. Verbaan
PS-Updates.nl 2017-0149
NBSTRAF 2017/99
JIN 2017/60 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
RvdW 2017/269
NJB 2017/495
NJ 2017/140

Uitspraak

14 februari 2017

Strafkamer

nr. S 14/03452

AGE/CeH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 2 juli 2014, nummer 21/003547-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij hebben Th.O.M. Dieben en J.G. Geertsma, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

De advocaten van de benadeelde partij hebben daarop schriftelijk gereageerd.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft bij aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De advocaten van de benadeelde partij hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de namens de verdachte voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

3.1.

Het middel klaagt over de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, voorheen Regiopolitie Gooi en Vechtstreek, thans de politie, op de grond dat de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

3.2.

Ten laste van de verdachte is – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – bewezenverklaard dat:

"1 primair:

zij op tijdstippen in de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te Laren ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels, Interpolis Schadeverzekeringen N.V. te bewegen tot de afgifte van een bedrag aan geld, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid met haar mededader een gewapende overval op kledingwinkel [...] te Laren in scene heeft gezet en vervolgens van die in scene gezette overval aangifte heeft gedaan bij de politie Gooi en Vechtstreek en medewerkers van de Rabobank (tussenpersoon van genoemde verzekeringsmaatschappij Interpolis Schadeverzekeringen N.V.) in kennis heeft gesteld van genoemde in scene gezette overval;

2 primair:

zij in de periode van 19 januari 2009 tot en met 21 januari 2009 te Hilversum, tezamen en in vereniging met anderen aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van [verbalisant 1] , inspecteur van politie opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van diefstal met geweldpleging."

3.3.

Het Hof heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering en heeft daartoe het volgende overwogen:

"Vordering van de benadeelde partij Regiopolitie Gooi en Vechtstreek ( [betrokkene 1] )

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 13.787,79. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 8.349,42. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:

"Degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces." Van rechtstreekse schade is sprake als iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden bepaling wordt beschermd.

Daargelaten het antwoord op de vraag of sprake is van schade aan de zijde van de benadeelde partij door de valse aangifte, is het in deze zaak ook de vraag of zo'n door de regiopolitie geleden schade in strafvorderlijke zin kan worden aangemerkt als een schade die in zo'n rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde, dat dergelijke vorderingen zonder een nadere wettelijke voorziening in het kader van een strafprocedure aanhangig kunnen worden gemaakt.

Het hof is van oordeel dat beantwoording van deze vragen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen."

3.4.1.

Het middel stelt de vraag aan de orde of de politie jegens degene die is veroordeeld ter zake van 'aangifte of klacht doen dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is' (art. 188 Sr), op grond van onrechtmatige daad als bedoeld in art. 6:162 BW verhaal heeft voor de kosten die zij als gevolg van de aangifte heeft moeten maken.

3.4.2.

Het gaat hier om kosten die de politie maakt ter uitvoering van haar publiekrechtelijke taak, strekkende tot het opsporen van strafbare feiten. De onbeperkte mogelijkheid van verhaal van deze kosten op grond van het privaatrecht - welke mogelijkheid onder meer zou bestaan indien een verdachte, een veroordeelde of een derde onrechtmatig handelen jegens de politie kan worden verweten - verdraagt zich niet zonder meer met de bijzondere wettelijke doeleinden en regeling van de strafrechtspleging. Kostenverhaal op grond van het privaatrecht levert dan ook in beginsel een onaanvaardbare doorkruising op van deze publiekrechtelijke regelgeving (vgl. HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2835, NJ 2003/360).

3.4.3.

Van deze onaanvaardbare doorkruising is in beginsel ook sprake bij verhaal van de kosten als gevolg van een valse aangifte. Dat is echter anders als vaststaat dat degene die de aangifte heeft gedaan, niet alleen wist dat het feit niet is gepleegd, maar de aangifte ook heeft gedaan met geen ander doel dan de politie te schaden en bij de aangifte wist of moest begrijpen dat deze de politie zou nopen of bewegen tot nodeloze opsporingshandelingen. Kostenverhaal valt in dat geval niet meer aan te merken als een onaanvaardbare doorkruising in de hiervoor in 3.4.2 genoemde zin.

3.4.4.

Indien de politie in het strafproces als benadeelde partij schadevergoeding vordert wegens nodeloos gemaakte kosten, rust op haar de plicht feiten of omstandigheden te stellen op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan de hiervoor in 3.4.3 vermelde vereisten is voldaan. Bij betwisting rust op de politie ook, overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv, de last bewijs van die feiten en omstandigheden bij te brengen.

3.4.5.

Gelet op het voorgaande is het oordeel van het Hof dat de behandeling van de vordering van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat de benadeelde partij daarom niet in haar vordering kan worden ontvangen, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoeft geen nadere motivering.

3.4.5.

Het middel faalt dus.

4 Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde taakstraf van 160 uren, subsidiair 80 dagen hechtenis.

5 Slotsom

Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis;

vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 152 uren, subsidiair 76 dagen hechtenis, bedragen;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan, G. Snijders, G. de Groot en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2017.