Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:213

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
16/01025
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1169, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Goederenrecht. Rechtsmiddelenverbod van art. 3:268 lid 3 BW analoog van toepassing op beschikking tot verblijven van verpand goed aan pandhouder (art. 3:251 BW)? Vgl. HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, NJ 1995/367.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 251
Burgerlijk Wetboek Boek 3 268
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2017, afl. 3, p. 164
JOR 2017/139 met annotatie van Mr. B.A. Schuijling
RI 2017/58
AR 2017/722
NJB 2017/429
RvdW 2017/217
JWB 2017/58
RBP 2017/34
Ondernemingsrecht 2017/67 met annotatie van Mr. dr. G.C. van Daal en mr. I.A.J. Deijkers
NJ 2018/89 met annotatie van H.J. Snijders
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 februari 2017

Eerste Kamer

16/01025

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

De vennootschap naar Frans recht CEREC - Compagnie d'Emboutissage de Recquignies - S.A.S,
gevestigd te Recquignies, Frankrijk,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,

t e g e n

BEHEERSMAATSCHAPPIJ ST. ANTONIUS B.V.,
gevestigd te Papenhoven, gemeente Sittard-Geleen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als CEREC en Beheer.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikking in de zaak 550650/KG RK 13-2037 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 21 november 2013;

b. de beschikking in de zaak 200.142.293/01 van het gerechtshof Amsterdam van 24 november 2015.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft CEREC beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Beheer heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) Beheer heeft als houdster van de aandelen in Antonius Vessel Heads B.V. (hierna: Antonius) deze aandelen in december 2009 verkocht en geleverd aan CEREC voor een prijs van € 14.000.000,--. Van de door CEREC verschuldigde koopprijs is een gedeelte groot € 2.000.000,-- omgezet in een lening van Beheer aan CEREC (hierna: de lening). Krachtens de bepalingen die op de lening van toepassing waren, diende de lening in tien gelijke kwartaaltermijnen van ieder € 200.000,-- te worden afbetaald. Tot zekerheid van deze betalingsverplichting is aan Beheer een pandrecht op de aandelen van CEREC in Antonius verstrekt. Op de lening en de pandakte is Nederlands recht van toepassing verklaard.

  • -

    ii) Begin 2010 heeft CEREC ‘concilliation’ aangevraagd, een procedure naar Frans recht, die erop is gericht een onderneming in staat te stellen op vrijwillige basis, maar onder begeleiding van een door de rechter benoemde ‘bewindvoerder’, met haar belangrijkste schuldeisers tot een herstructurering van haar schulden te komen. Het betalingsschema van de lening is twee keer aangepast.

  • -

    iii) Sinds 1 maart 2013 verkeert CEREC in ‘redressement judiciaire’, een insolventieprocedure naar Frans recht die vergelijkbaar is met de Nederlandse surseance van betaling.

  • -

    iv) Bij brief van 6 maart 2013 heeft Beheer de lening aan CEREC opgezegd. Eveneens bij brief van 6 maart 2013 heeft Beheer CEREC meegedeeld dat zij overgaat tot uitwinning van het pandrecht op de aandelen in Antonius.

3.2

Voor zover thans van belang heeft Beheer verzocht dat de aan haar in pand gegeven aandelen op de voet van art. 3:251 lid 1 BW voor een prijs van € 2.404.000,-- aan haar als koper en pandhouder zullen verblijven.
De voorzieningenrechter heeft dit verzoek toegewezen.

3.3

CEREC heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de voorzieningenrechter. Het hof heeft CEREC daarin niet-ontvankelijk verklaard. Het heeft daartoe als volgt overwogen.

“2.9 In zijn arrest van 17 juni 1994 heeft de Hoge Raad beslist dat ofschoon de wet een hogere voorziening tegen een krachtens artikel 3:251 lid 1 BW gegeven beschikking niet uitdrukkelijk uitsluit, op grond van de strekking van deze bepaling geoordeeld moet worden dat een hogere voorziening tegen een zodanige beschikking niet is toegelaten. De Hoge Raad heeft daarvoor dezelfde redenen van toepassing geacht als voor de uitsluiting van een hogere voorziening in artikel 3:268 lid 3 BW, met verwijzing naar de toelichting in de parlementaire geschiedenis bij dit artikel. De Hoge Raad heeft in het arrest derhalve geoordeeld dat een hogere voorziening tegen een beschikking als de onderhavige niet is toegelaten, behouders bijzondere gevallen.

Hoewel aan CEREC kan worden toegegeven dat het in de onderhavige zaak anders dan in de beslissing van de Hoge Raad gaat om verblijf aan de pandhouder, is naar het oordeel van het hof, gelet op het voornoemde arrest waarin de Hoge Raad behoudens specifieke uitzonderingen geen hoger beroep toelaat, voor een nuancering zoals CEREC voorstaat geen plaats. Op grond van de strekking van artikel 3:251 lid 1 BW en analoog aan artikel 3:268 lid 3 BW moet ook in het geval dat het pand aan de pandhouder als koper verblijft, dat zich in het algemeen wat betreft de redenen voor een appelverbod onvoldoende onderscheidt van het geval dat het pand anders dan krachtens een openbare verkoop wordt verkocht, worden geoordeeld dat een hogere voorziening tegen een zodanige beslissing niet is toegelaten.

2.10

Nu CEREC verder geen van de in de rechtspraak ontwikkelde doorbrekingsgronden heeft gesteld brengt dit mee dat CEREC in haar hoger beroep tegen de beschikking van 21 november 2013 niet-ontvankelijk zal worden verklaard. (…)”

3.4

Samengevat klaagt onderdeel 1 van het middel dat het hof ten onrechte met een beroep op HR 17 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1401, NJ 1995/367 (Rabobank/Sporting Connection) de uitsluiting van een hogere voorziening als bedoeld in art. 3:268 lid 3 BW (dat op hypotheek betrekking heeft) bij analogie van toepassing acht op de beschikking van de voorzieningenrechter als bedoeld in art. 3:251 lid 1 BW, voor zover daarin op verzoek van de pandhouder wordt bepaald dat het pand voor een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag aan de pandhouder als koper zal verblijven. Het onderdeel voert aan dat de beschikking in Rabobank/Sporting Connection betrekking had op een verzoek tot onderhandse verkoop en niet geldt voor de daarvan afwijkende situatie van een verblijfsverzoek, mede omdat rechtsmiddelenverboden restrictief plegen te worden uitgelegd. Ook wijst het onderdeel onder meer erop dat bij een verblijfsverzoek de belangen van de pandgever bij een zo hoog mogelijke opbrengst minder zijn gewaarborgd dan bij een verzoek tot onderhandse verkoop, omdat het pand niet aan de markt wordt aangeboden en de pandhouder de enige bieder is.

3.5.1

Het onderdeel faalt. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.5.2

In Rabobank/Sporting Connection heeft de Hoge Raad in algemene bewoordingen geoordeeld dat de strekking van art. 3:251 lid 1 BW meebrengt dat een hogere voorziening tegen een krachtens deze bepaling gegeven beschikking niet is toegelaten. In deze beschikking is niet een uitzondering gemaakt voor beschikkingen op verblijfsverzoeken.

Belangrijkste grond voor de beslissing in Rabobank/Sporting Connection was dat voor de uitsluiting van een hogere voorziening tegen een krachtens art. 3:251 lid 1 BW gegeven beschikking dezelfde redenen gelden als voor de uitsluiting van een hogere voorziening bedoeld in art. 3:268 lid 3 BW. De wetgever heeft die als volgt toegelicht:

“Een definitieve beslissing op het verzoek dient snel te kunnen worden verkregen, niet alleen om de executie zo min mogelijk op te houden, maar ook omdat de koper niet langer dan strikt nodig is in het onzekere mag worden gelaten of de onderhandse verkoop aan hem doorgang zal vinden.” (Parl. Gesch. Boek 3, p. 824).

Art. 3:268 lid 3 BW omvat ook het geval dat de beschikking betrekking heeft op een verzoek tot verkoop van het verhypothekeerde goed aan de hypotheekhouder (het betreft immers een ondershandse verkoop als bedoeld in art. 3:268 lid 2 BW). De argumenten die de wetgever heeft gegeven voor uitsluiting van een hogere voorziening zien dus mede op dat geval, ook voor zover die argumenten voor dat geval in mindere mate zouden opgaan dan voor beschikkingen op verzoeken tot onderhandse verkoop in het algemeen. Gelet hierop en op de in Rabobank/Sporting Connection gegeven motivering, ligt het dan voor de hand om die argumenten van de wetgever ook te betrekken op een beschikking op een verzoek tot verblijf aan de pandhouder. Ook vanuit een oogpunt van uniforme rechtstoepassing is een gelijke behandeling aangewezen.

3.5.3

Het onderdeel is mede aldus toegelicht dat in het geval van het verblijven van het verpande goed aan de pandhouder, onvoldoende is gewaarborgd dat de door deze ter goedkeuring aan de voorzieningenrechter voorgestelde prijs strookt met de marktwaarde van het verpande goed. Dit bezwaar gaat niet op. De voorzieningenrechter dient de pandgever in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Aldus kan de pandgever zijn bezwaren tegen toewijzing van het verzoek aan de rechter voorleggen. Bovendien bepaalt art. 3:251 lid 1 BW dat de voorzieningenrechter de prijs vaststelt waarvoor het verpande goed aan de pandhouder verblijft. Ook in dit verband kan de pandgever zijn standpunt bij de rechter inbrengen. Met de tussenkomst van de rechter – die als hij daartoe aanleiding ziet, nadere instructiemaatregelen kan treffen – is dus voldoende gewaarborgd dat de prijs van het verpande goed naar objectieve maatstaven wordt bepaald.

Overigens zijn deze zojuist vermelde waarborgen niet principieel anders dan de waarborgen die gelden voor het geval de hypotheekgever de voorzieningenrechter verzoekt te bepalen dat het verhypothekeerde goed aan hem zal verblijven.

3.5.4

Op grond van de hiervoor in 3.5.2 en 3.5.3 gegeven argumenten heeft de uitsluiting van een hogere voorziening waartoe in Rabobank/Sporting Connection is geoordeeld, mede betrekking op de in art. 3:251 lid 1 BW bedoelde beslissing van de voorzieningenrechter dat het pand zal verblijven aan de pandhouder. Voor zover de argumenten van CEREC voor een andersluidende beslissing niet in het bovenstaande aan de orde zijn gekomen, geven die argumenten evenmin aanleiding tot een ander oordeel.

3.6

Onderdeel 2 bouwt voort op onderdeel 1 en faalt daarom eveneens.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt CEREC in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Beheer begroot op € 853,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 februari 2017.