Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:210

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
15/04416
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1166, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:5191, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:3877, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Effectenleaseovereenkomst (Dexia). Gebondenheid aan WCAM-overeenkomst (Duisenbergregeling)? Verboden aanvulling van de feitelijke grondslag van het verweer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 24
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 347
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/427
RvdW 2017/256
AR 2017/773
JWB 2017/52
NJ 2017/101
JBPR 2017/24 met annotatie van mr. F.J.P. Lock
NTHR 2017, afl. 3, p. 150
TvPP 2017, afl. 3, p. 112
RF 2017/30
RBP 2017/35

Uitspraak

10 februari 2017

Eerste Kamer

15/04416

LZ/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. E.H. van Staden ten Brink,

t e g e n

DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. R.M. Hermans en mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Dexia.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 1042903 DX EXPL 09-238 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 september 2009 en 10 februari 2010;

b. de arresten in de zaak 200.065.778/01 van het gerechtshof Amsterdam van 16 september 2014 en 9 december 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Dexia heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiseres] heeft bij brief van 25 november 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) In 2000 heeft de (toenmalige) echtgenoot van [eiseres] (hierna: [betrokkene] ) een drietal aandelenleaseovereenkomsten gesloten met Dexia.
[eiseres] heeft geen toestemming verleend voor het aangaan van deze overeenkomsten.

(ii) [betrokkene] heeft medio 2003 een zogenoemde "Overeenkomst Dexia Aanbod" ondertekend; [eiseres] niet.

(iii) Twee van de drie overeenkomsten zijn aan het einde van de looptijd in november 2003 verlengd.

(iv) Bij brief van 16 december 2005 heeft [eiseres] met een beroep op art. 1:89 BW de nietigheid van de aandelenleaseovereenkomsten ingeroepen en terugbetaling gevorderd van alle door [betrokkene] betaalde termijnen.

(v) Twee van de drie overeenkomsten zijn geëindigd met een negatief resultaat, hetgeen heeft geleid tot een restschuld. [betrokkene] heeft de ter zake door Dexia in rekening gebrachte bedragen op 1 december 2006 aan Dexia betaald.

(vi) Bij beschikking van 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033, NJ 2007/427 heeft het gerechtshof te Amsterdam de op 8 mei 2006 door Dexia en enige andere belangenorganisaties gesloten overeenkomst (hierna: de WCAM-overeenkomst, ook wel Duisenberg-regeling genoemd), verbindend verklaard. Daarmee gold deze WCAM-overeenkomst als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:907 BW tussen Dexia en de kring der gerechtigden als daarin omschreven. De WCAM-overeenkomst bepaalt op welke manier effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en deze gerechtigden behoren te worden afgewikkeld.

3.2.1

In deze procedure heeft [eiseres] met een beroep op de hiervoor in 3.1 onder (iv) genoemde brief gevorderd dat Dexia wordt veroordeeld tot (terug)betaling van al hetgeen in het kader van de aandelenleaseovereenkomsten is betaald. Dexia heeft zich onder meer beroepen op verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging.

3.2.2

De kantonrechter heeft het beroep op verjaring wat betreft de hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde verlengingen verworpen en wat betreft de oorspronkelijke aandelenleaseovereenkomsten gehonoreerd. De kantonrechter heeft de vorderingen van [eiseres] dienovereenkomstig gedeeltelijk toegewezen.

3.2.3

Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Daartoe heeft het hof in zijn tussenarrest overwogen:

"3.1. De kantonrechter heeft vastgesteld en in hoger beroep is niet bestreden dat aan [betrokkene] bij de afrekening ter zake van de tweede en derde lease-overeenkomsten op grond van de Duisenbergregeling korting is verleend. Het hof houdt er op grond hiervan rekening mee dat door [betrokkene] indertijd geen opt-outverklaring is ingediend en de rechtsverhouding van Dexia met [betrokkene] en [eiseres] derhalve wordt geregeerd door de door dit hof bij beschikking van 25 januari 2007 ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) verbindend verklaarde overeenkomst waarin genoemde regeling is vervat. Dit zou reeds meebrengen [eiseres] geen beroep toekomt op de in artikel 1:88 lid 1 sub d jo artikel 1:89 BW bedoelde vernietigingsgrond en derhalve in het midden kan blijven of de bevoegdheid tot vernietiging is verjaard, zoals Dexia in dit geding betoogt en [betrokkene] - Stadegaard betwist."

En in zijn eindarrest:

"2.1. Bij beschikking van 25 januari 2007 heeft dit hof op de voet van artikel 7:907 lid 1 BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard (hierna: de WCAM-overeenkomst), welke overeenkomst een regeling inhoudt voor de afwikkeling van schade ontstaan uit effectenleasecontracten.
Nu het feit dat [betrokkene] het Dexia Aanbod heeft aanvaard er niet aan in de weg stond dat [eiseres] , die het formulier betreffende dit aanbod niet had mee-ondertekend, een beroep deed op de in artikel 1:88 lid 1 sub d jo artikel 1:89 BW bedoelde vernietigingsgrond is onzekerheid blijven bestaan over de rechtsgeldigheid van de effectenleasecontracten, welke onzekerheid vatbaar was voor beëindiging door de WCAM-overeenkomst. Dit brengt mee dat [eiseres] (en in zoverre ook [betrokkene] ) als gerechtigde in de zin van artikel 2 van de WCAM-overeenkomst is aan te merken. De definitie van "gerechtigden" in artikel 2.3 en 2.4 van de WCAM-overeenkomst omvat ook expliciet echtgenoten van contractanten. Haar rechtsverhouding met Dexia wordt derhalve (mede) door de inhoud van deze overeenkomst geregeerd. Dit zou slechts anders zijn indien zij (dan wel [betrokkene] ) zich door het tijdig uitbrengen van een zogenoemde opt-out verklaring aan de verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst heeft onttrokken.

2.2.

Uit hetgeen door [eiseres] in haar akte wordt gesteld maakt het hof op dat noch [eiseres] noch [betrokkene] tot het indienen van een opt-out verklaring is overgegaan. (…)

2.4.

Het voorgaande brengt mee dat de WCAM-overeenkomst op de rechtsverhouding van partijen van toepassing is. Dit staat er reeds aan in de weg dat het beroep van [eiseres] op de vernietiging van de door [betrokkene] gesloten effectenleasecontracten wordt gehonoreerd.

Hieruit volgt dat de kantonrechter terecht de vorderingen die uitgaan van de vernietiging van de oorspronkelijke leaseovereenkomsten heeft afgewezen. De grieven van [eiseres] kunnen daarom niet tot een andere uitkomst van het geding leiden en treffen derhalve geen doel. (…)”

3.3.1

Onderdeel 6 klaagt dat het hof niet gerechtigd was de kwestie van de vermeende gebondenheid aan de WCAM-overeenkomst ambtshalve aan de orde te stellen, nu Dexia zich daarop niet ten processe had beroepen en het hier geen punt van openbare orde betrof. Het hof heeft ten onrechte de feitelijke grondslag van het verweer van Dexia aangevuld.

3.3.2

De klacht is gegrond. De gedingstukken laten geen andere conclusie toe dan dat Dexia zich, voordat het hof zijn tussenarrest wees, ter afwering van de vorderingen van [eiseres] niet erop heeft beroepen dat laatstgenoemde moet worden aangemerkt als gerechtigde in de zin van de WCAM-overeenkomst en dat haar daarom, bij gebreke van een opt-out verklaring, geen beroep toekomt op art. 1:89 in verbinding met art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d, BW. Gelet hierop mocht het hof, ook indien het van oordeel was dat in de stellingen van [eiseres] besloten lag dat de verbindend verklaarde WCAM-overeenkomst van toepassing is, de desbetreffende afwijzingsgrond, die nietvan openbare orde is, niet ambtshalve bijbrengen. Het staat de rechter immers niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer zijn ten grondslag gelegd (vgl. HR 12 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1492).

Dit wordt niet anders doordat het hof partijen in de gelegenheid heeft gesteld zich over deze kwestie uit te laten en Dexia zich na het tussenarrest erop heeft beroepen dat [eiseres] moet worden aangemerkt als gerechtigde in de zin van de WCAM-overeenkomst en een opt-out-verklaring ontbreekt. Het betrof immers een nieuw verweer, dat niet in het verlengde lag van de door partijen omlijnde rechtsstrijd in appel (art. 347 Rv), terwijl niet is vastgesteld dat zich een van de in de rechtspraak aanvaarde uitzonderingen op de tweeconclusieregel voordeed. (Zie onder meer HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2045, NJ 2013/7).

3.4

De onderdelen 1-5, die het oordeel van het hof bestrijden dat de rechtsverhouding tussen [eiseres] en Dexia mede wordt bepaald door de WCAM-overeenkomst, behoeven gelet op het voorgaande geen behandeling. Ten overvloede wordt overwogen dat zij falen (HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2835).

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 16 september 2014 en 9 december 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 497,37 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 februari 2017.