Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:204

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-02-2017
Datum publicatie
10-02-2017
Zaaknummer
16/00971
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1129, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:31, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 16 Protocol bij het Europees Octrooiverdrag. Interne heffing Europese Octrooi Organisatie versus belastbaarheid naar nationaal recht. Nederlandse belastingrechter kan onderzoeken of Besluit Raad van Bestuur (Administrative Council) binnen de bij het Protocol getrokken grenzen blijft. Nederland, dat m.b.t. belastingrégime voorbehoud bij het Besluit heeft gemaakt en zich van stemming heeft onthouden, handelt jegens belanghebbende niet onrechtmatig door inkomstenbelasting te heffen over zogenoemde ‘partiële compensatie’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-0376
V-N Vandaag 2017/302
V-N 2017/9.10 met annotatie van Redactie
BNB 2017/76 met annotatie van J.P. Boer
Mr. S.R. Pancham annotatie in NTFR 2017/443
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 februari 2017

nr. 16/00971

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 6 januari 2016, nr. BK-15/00300, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 14/5423) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 9 november 2016 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep (ECLI:NL:PHR:2016:1129).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende was tot zijn pensionering in 2009 werkzaam bij het Europees Octrooi Bureau (hierna: EOB) te Rijswijk. Sindsdien ontvangt belanghebbende, die in 2009 in Nederland woonde, een pensioen van het EOB.

2.1.2.

Het EOB is een orgaan van de Europese Octrooi Organisatie (hierna: EOO), opgericht bij het Europees Octrooiverdrag (Trb. 1975, 108; hierna: EOV). Van dit, door Nederland geratificeerde, verdrag maakt deel uit een ‘Protocol on Privileges and Immunities’ (hierna: het Protocol).

Op de grondslag van het EOV en het Protocol zijn diverse regelingen opgesteld inzake de rechtspositie van degenen die bij het EOB werkzaam zijn en werkzaam zijn geweest, met name ‘Service Regulations’ (Ambtenarenreglement) en ‘Pension Scheme Regulations’ (Pensioenreglement). Tot het vaststellen en wijzigen van deze regelingen is bevoegd de Administrative Council, een ander orgaan van de EOO (hierna: de Raad van Bestuur).

De voor beoordeling van het onderhavige geschil relevante bepalingen uit het EOV, het Protocol en de overige regelingen, alsmede toelichtingen op wijzigingen van die regelingen, zijn in de bestreden uitspraak weergegeven in de onderdelen 3.6, 3.7, 3.9 en 3.11 tot en met 3.14.

2.1.3.

Samengevat houden die bepalingen in dat een ‘interne’, door de EOO bepaalde heffing wordt ingehouden op de bezoldiging (‘salaries and emoluments’) van de werknemers van het EOB, en dat de bezoldiging om die reden is vrijgesteld van nationale belastingheffing (artikel 16, lid 1, van het Protocol). Deze vrijstelling van de nationale belastingheffing geldt niet voor pensioenbetalingen (‘pensions and annuities’) van de EOO aan voormalige werknemers (artikel 16, lid 2, van het Protocol).

2.1.4.

Tot het jaar 2009 verleende de EOO aan gepensioneerde werknemers een tegemoetkoming in de nationale belastingheffing over hun pensioen, de zogenaamde ‘tax adjustment’. De kosten van deze ‘tax adjustment’ werden verhaald op de bij het EOV aangesloten woonstaten van de gepensioneerden.

2.1.5.

In verband met bezwaren van bij het EOV aangesloten staten tegen de bekostiging van de ‘tax adjustment’ is deze per 1 januari 2009 afgeschaft ten aanzien van degenen die vanaf die datum voor het EOB zijn gaan werken. Daarbij heeft de Raad van Bestuur voor de gepensioneerden die vóór 1 januari 2009 als werknemer in dienst zijn getreden een voorziening willen treffen die erop neer komt dat vanaf 1 januari 2009 aan hen in plaats van de (afgeschafte) ‘tax adjustment’ eenzelfde bedrag wordt uitgekeerd als ‘partial compensation’ (hierna: partiële compensatie).

Dit heeft de Raad van Bestuur neergelegd in een samenstel van Besluiten. Besluit CA/108/08 bepaalt onder meer dat de partiële compensatie geen pensioen of annuïteit is als bedoeld in artikel 16, lid 2, van het Protocol doch een niet aan de nationale belastingheffing onderworpen emolument in de zin van artikel 16, lid 1, van het Protocol. Besluit CA/D 32/08 brengt door wijziging van een intern belastingreglement de partiële compensatie onder de interne heffing van de EOO. In het hierna volgende zal dit samenstel van besluiten worden aangeduid als het Besluit.

2.1.6.

Belanghebbende heeft bij zijn aangifte inkomstenbelasting over 2009 € 27.463 opgegeven als belastbaar pensioen van het EOB, waarbij € 10.141 is vermeld als ingehouden loonheffing. Als vrijgesteld inkomen van Internationale Organisaties (het EOB) heeft belanghebbende opgegeven € 2.741 uit tegenwoordige dienstbetrekking en € 36.405 uit vroegere dienstbetrekking.

2.1.7.

Bij de aanslagregeling is de Inspecteur van de aangifte afgeweken, onder meer in die zin dat in de aanslag betrokken is het bedrag van € 80.602 dat belanghebbende van het EOB heeft ontvangen, waarvan € 16.734 als partiële compensatie, waarbij de Inspecteur geen inhouding van loonheffing in aanmerking heeft genomen.

2.2.1.

Voor het Hof was in geschil of het bedrag dat belanghebbende in 2009 als partiële compensatie van het EOB heeft ontvangen in de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting kan worden betrokken.

2.2.2.

Naar het oordeel van het Hof is Nederland niet verplicht de partiële compensatie vrij te stellen van de heffing van inkomstenbelasting. Daartoe heeft het Hof overwogen dat onder het eerste lid van artikel 16 van het Protocol geen betalingen vallen die strekken tot verzorging bij ouderdom dan wel invaliditeit en die worden betaald na beëindiging van het dienstverband met het EOB. De partiële compensatie verhoogt het pensioen en strekt mede tot verzorging bij ouderdom. Daarom is deze betaling geen emolument in de zin van artikel 16, lid 1, van het Protocol, aldus het Hof.

2.2.3.

Deze uitleg van artikel 16 van het Protocol is volgens het Hof ook in overeenstemming met voorwerp en doel van het EOV. Blijkens artikel 8 van het EOV en artikel 19 van het Protocol dient het verlenen van voorrechten en immuniteiten niet ertoe om individuele medewerkers te bevoordelen, maar uitsluitend om de goede werking van de EOO en de onafhankelijkheid van de medewerkers te verzekeren. Aangezien belanghebbende zijn werkzaamheden voor het EOB heeft beëindigd, is het aan hem verlenen van voorrechten en immuniteiten niet langer in het belang van het goed functioneren van de EOO en haar medewerkers, aldus het Hof.

2.2.4.

Aan zijn zojuist samengevatte overwegingen heeft het Hof voorts het oordeel verbonden dat het Besluit in strijd komt met doel en strekking van artikel 19 van het Protocol. Voorts heeft het Hof in de omstandigheid dat Nederland ter gelegenheid van de behandeling van het voorstel voor het Besluit een voorbehoud heeft gemaakt en zich vervolgens van stemming heeft onthouden, reden gezien om te verwerpen belanghebbendes standpunt dat Nederland als lid van de Raad van Bestuur aan het Besluit gebonden is, ook wat betreft de aanduiding van de partiële compensatie als emolument in de zin van artikel 16, lid 1, van het Protocol.

2.2.5.

Het middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de partiële compensatie niet is aan te merken als emolument in de zin van artikel 16 lid 1, van het Protocol. Het middel faalt aangezien dit oordeel juist is.

2.2.6.

De toelichting op het middel betoogt tevergeefs dat de systematiek en context van artikel 16 van het Protocol vergen dat het tweede lid van deze bepaling wordt aangemerkt als een uitzondering op de in het eerste lid geregelde ‘interne’ heffing van de EOO, en daarom restrictief moet worden geïnterpreteerd. Terecht heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat, zoals tot uitdrukking gebracht in artikel 19 van het Protocol, de in het Protocol voorziene voorrechten en immuniteiten niet zijn ontworpen om de medewerkers van het EOB een persoonlijk voordeel te verlenen, maar uitsluitend om een ongehinderd functioneren van de EOO en volledige onafhankelijkheid van degenen aan wie de voorrechten en immuniteiten zijn verleend te garanderen. Daaromtrent heeft het Hof evenzeer terecht overwogen dat niet valt in te zien waarom een nationale fiscale aanspraak met betrekking tot het aan een gepensioneerde uitgekeerde pensioen een bedreiging zou kunnen vormen voor het ongehinderd functioneren van de organisatie of de volledige onafhankelijkheid van de daaraan verbonden medewerkers (vgl. ook HR 16 januari 2009, nr. 07/12243, ECLI:NL:HR:2009:BF7264, BNB 2009/113).

Voorts is de omstandigheid dat voormalige medewerkers, afhankelijk van hun woonland, met betrekking tot hun door de EOO uitgekeerde pensioenen en aanvullingen daarop te maken kunnen krijgen met verschillende belastingregimes, anders dan in de toelichting op het middel wordt verondersteld, geen reden om aan te nemen dat de verdeling van de financiële lasten van de EOO over de lidstaten wordt gewijzigd of doorkruist, of dat een lidstaat een ongerechtvaardigd voordeel krijgt.

2.2.7.

Steun voor een andere zienswijze kan niet worden ontleend aan artikel 14 van het Protocol, alwaar is bepaald dat medewerkers van het EOB ook na het beëindigen van hun dienstverband immuniteit van rechtspraak zullen genieten, aangezien de tekst van die bepaling geen betrekking heeft op de heffing van belastingen en met zoveel woorden inhoudt dat deze immuniteit betrekking heeft op gedragingen die zijn verricht, en uitlatingen die zijn gedaan, terwijl er (nog) sprake was van het vervullen van een functie bij het EOB.

2.2.8.

Aan de hiervoor als juist aangemerkte uitleg van artikel 16 van het Protocol kan niet afdoen dat de Raad van Bestuur in het Besluit is uitgegaan van een andere interpretatie van die bepaling. Noch aan het EOV en het Protocol, noch aan enige andere toepasselijke regeling valt te ontlenen dat de Raad van Bestuur een bindende uitleg kan geven van (artikel 16 van) het Protocol. Evenmin is aan enige toepasselijke regeling te ontlenen dat de Raad van Bestuur de inhoud van (artikel 16 van) het Protocol kan wijzigen of daarvan afwijkende regels kan geven. Deze mogelijkheid kan met name niet worden ontleend aan artikel 33 van het EOV, aangezien die bepaling de Raad van Bestuur niet de mogelijkheid biedt om regelingen te treffen met betrekking tot de belastingheffing van (voormalige) personeelsleden van het EOB door de verdragsluitende staten. Een mogelijkheid tot bindende uitleg, wijziging of aanvulling van de regeling over emolumenten in artikel 16 van het Protocol kan evenmin worden ontleend aan artikel 17 van het Protocol. Op grond van dat laatste artikel kan de Raad van Bestuur wel bepalen op welke categorieën werknemers de bepalingen van artikel 16 van toepassing zijn. Daarmee is echter niet voorzien in de mogelijkheid om de inhoud van die bepalingen bindend te interpreteren, noch om deze te wijzigen of aan te vullen.

2.2.9.

Het betoog dat Nederland ongeschreven rechtsbeginselen overtreedt door over de partiële compensatie inkomstenbelasting te heffen, ten slotte, faalt op de gronden die in de onderdelen 7.29 en 7.30 van de conclusie van de Advocaat-Generaal zijn uiteengezet.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2017.