Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:175

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
15/01570
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1472, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering b.p. Gevorderde vergoeding van abonnementskosten na diefstal van mobiele telefoon. Rechtstreekse schade? Causaal verband. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2014:959: een b.p. kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. ’s Hofs oordeel dat de door de b.p. verschuldigde kosten van de resterende termijnen van het telefoonabonnement als rechtstreekse schade van de diefstal van de mobiele telefoon kan worden aangemerkt, is, mede gelet op hetgeen is aangevoerd m.b.t. de mogelijkheid dit abonnement te gebruiken met een nieuwe simkaart, niet z.m. begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 51f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2017/79
SR-Updates.nl 2017-0100
RvdW 2017/230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 februari 2017

Strafkamer

nr. S 15/01570 J

CeH/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 19 maart 2015, nummer 22/001792-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft A.G. de Jong, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [betrokkene 1] en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat de benadeelde partij [betrokkene 1] door de diefstal schade heeft geleden ten bedrage van € 560,- onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 14 februari 2014 te Gouda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon Samsung Galaxy S4 toebehorende aan [betrokkene 1] ."

2.3.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:

"Desgevraagd door de voorzitter licht de benadeelde partij [betrokkene 1] haar vordering als volgt toe:

Nadat mijn telefoon was gestolen liep het abonnement van mijn gestolen telefoon nog 16 maanden door. Ik betaal voor dit abonnement € 35,- per maand. Ik kan dit abonnement niet stop zetten want ik zit hier twee jaar aan vast. Ik heb geen ander toestel aangeschaft. Het klopt dat ik op het Schadeformulier Misdrijven d.d. 10 maart 2014 heb aangegeven dat ik hem al 8 maanden had; dat was de tijd dat ik de telefoon al in gebruik had voordat hij werd gestolen."

2.3.2.

Blijkens genoemd proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting gepleit overeenkomstig aan het Hof overgelegde pleitaantekeningen. Deze pleitaantekeningen houden in:

"Vorderingen benadeelde partij

12. Zowel [betrokkene 2] als [betrokkene 1] hebben een vordering benadeelde partij ingediend. Beide vorderingen die zich in mijn dossier bevinden zijn niet voorzien van enig bewijsstuk. De Kinderrechter in eerste aanleg heeft ten koste van cliënte de hand over het hart gestreken en beide vorderingen voor een gedeelte toegewezen. [betrokkene 2] kreeg een bedrag van € 100,00 toegewezen en [betrokkene 1] een bedrag van € 300,00.

13. Naar mening van de verdediging dient een vordering van een benadeelde partij deugdelijk worden onderbouwd. Slachtoffers kunnen hierbij kosteloos worden geholpen door het slachtofferloket van het Openbaar Ministerie. Het is ook niet zo dat het onmogelijk was om het benodigde bewijs te verkrijgen. Nu ieder bewijsstuk van de schade ontbreekt, dienen de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Met betrekking tot de vordering van [betrokkene 1] komt daar nog eens bij dat zij onder punt 2.1 acht maanden abonnementskosten ad € 35,00 per maand vordert, maar haar vordering niet acht maal € 35,00 derhalve € 280,00 maar € 840,00 bedraagt. Dat bedrag is gelijk aan 24 maanden abonnementskosten. Ten eerste is het door de Kinderrechter toegewezen bedrag hoger dan de geclaimde schade. Ten tweede is de verplichting tot het betalen van het abonnement geen schade die een direct gevolg is van de diefstal. Immers kan van het abonnement met een nieuwe simkaart nog steeds gebruik worden gemaakt. De schade is het verlies van de telefoon. Nu [betrokkene 1] aan dit verlies geen bedrag heeft gekoppeld, dient haar vordering subsidiair om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard."

2.4.

Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] toegewezen tot een bedrag van € 560,- en aan de verdachte voor hetzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van de benadeelde partij. Het Hof heeft daaromtrent het volgende overwogen:

"Vordering tot schadevergoeding [betrokkene 1]

In het onderhavige strafproces heeft [betrokkene 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 840,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

(...)

De vordering van de benadeelde partij is door de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep echter aangetoond dat zij tot een bedrag van € 560,- aan materiële schade heeft geleden. Deze schade bestaat uit de resterende 16 maanden door haar te betalen abonnementskosten behorende bij haar (gestolen) mobiele telefoon van € 35,- per maand.

Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij niet heeft aangetoond voor het overige materiële schade te hebben geleden. De vordering zal derhalve voor dat deel worden afgewezen.

(...)

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 560,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 1] ."

2.5.

Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256). Ook voor het opleggen van de in art. 36f Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel is zodanig causaal verband vereist.

2.6.

Het oordeel van het Hof dat de door [betrokkene 1] verschuldigde kosten van de resterende termijnen van het telefoonabonnement als rechtstreekse schade van de diefstal van de mobiele telefoon kan worden aangemerkt, is, mede gelet op hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de mogelijkheid dit abonnement te gebruiken met een nieuwe simkaart, niet zonder meer begrijpelijk.

2.7.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissing met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2017.