Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:164

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
16/03355
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1073
Prejudiciële beslissing op vraag van: ECLI:NL:RBAMS:2016:4298
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Prejudiciële beslissing
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Effectenlease (Dexia). Schade. Voordeelstoerekening (art. 6:100 BW). Komen voordelen uit effectenleaseovereenkomsten die bij de afwikkeling van schade uit een effectenleasetransactie in aanmerking worden genomen, in mindering op de termijnen of op de eventuele restschuld? Maakt het verschil of bij het aangaan van een effectenleaseovereenkomst aan de zijde van de afnemer sprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’? Maakt het verschil of voordelen zijn genoten door middel van verrekening, betaling of anderszins?

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 392
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 100
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2017/65 met annotatie van prof. mr. C.W.M. Lieverse
JIN 2017/54 met annotatie van A. Rosielle
AR 2017/598
RvdW 2017/187
NJB 2017/379
JWB 2017/33
NJ 2017/146
TvPP 2017, afl. 2, p. 68
NTHR 2017, afl. 3, p. 150
RCR 2017/41
RF 2017/32
RAV 2017/47
JOR 2017/65 met annotatie van prof. mr. C.W.M. Lieverse

Uitspraak

3 februari 2017

Eerste Kamer

16/03355

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Prejudiciële beslissing

in de zaak van:

DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,

EISERES in conventie, verweerster in reconventie in eerste aanleg,

advocaat in de prejudiciële procedure: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk,

t e g e n

[A] ,
wonende te [woonplaats] ,

GEDAAGDE in conventie, eiser in reconventie in eerste aanleg,

advocaat in de prejudiciële procedure: mr. A.C. van Schaick.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Dexia en [A] .

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak 3582401 DX EXPL 14-379 van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2014, 2 juli 2015, 24 december 2015, 31 maart 2016 en 30 juni 2016.

De vonnissen van de rechtbank zijn aan deze beslissing gehecht.

2 De prejudiciële procedure

Bij laatstgenoemd vonnis heeft de kantonrechter op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld:

“I. Dient een batig saldo uit een eerdere effectenlease-overeenkomst, die is geëindigd binnen een jaar voordat de overeenkomst is aangegaan die ten grondslag is gelegd aan de vordering tot schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht, maar welk batig saldo is aangewend voor de betaling van termijnbedragen van de laatstbedoelde overeenkomst doordat de opbrengst van de eerstbedoelde overeenkomst is verrekend met de betalingsverplichtingen van de afnemer uit de tweede overeenkomst, bij toepassing van artikel 6:100 BW in mindering te worden gebracht op de schade bestaande uit termijnen of op de schade bestaande uit de restschuld?

II. Dienen voordelen bestaande uit dividenden en/of andere opbrengsten van een aan de vordering tot schadevergoeding ten grondslag liggende effectenlease-overeenkomst die zijn verrekend met de betalingsverplichtingen uit de effectenlease-overeenkomst, zoals achterstallige termijnen, bij toepassing van artikel 6:100 BW in mindering te worden gebracht op de schade bestaande uit termijnen of op de schade bestaande uit de restschuld?

III. Dienen de hiervoor onder I. en II. bedoelde vragen anders te worden beoordeeld indien het onder I. bedoelde batig saldo uit een eerdere effectenlease-overeenkomst en de onder II. bedoelde voordelen van een aan de vordering tot schadevergoeding ten grondslag liggende effectenlease-overeenkomst niet zijn verrekend met betalingsverplichtingen van de afnemer op grond van laatstbedoelde overeenkomst, maar aan de afnemer zijn uitbetaald?

IV. Dient, in een situatie waarin een batig saldo als onder I. bedoeld dat (als onderdeel van de einduitkering van een eerdere effectenlease-overeenkomst) aan de afnemer is uitgekeerd, waardoor als gevolg daarvan geen sprake (meer) is van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’ met betrekking tot de overeenkomst die ten grondslag is gelegd aan de vordering tot schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht, bij toepassing van artikel 6:100 BW in mindering te worden gebracht op de schade bestaande uit termijnen of op de schade bestaande uit de restschuld?

V. Is het geoorloofd om, wegens het belang van een praktische, efficiënte en zo mogelijk uniforme beoordeling van geschillen omtrent alle effectenlease-overeenkomsten, de verrekening van voordelen als hier bedoeld (bestaande uit batig saldo uit een of meer eerdere overeenkomst(en), dividenden en andere opbrengsten uit de in het geding zijnde overeenkomst(en)) toe te passen volgens een vaste – van de aard, de omvang en het tijdstip van de afzonderlijke voordelen in de onderhavige individuele zaak geabstraheerde – methode, door de voordelen steeds in mindering te brengen op dat deel van de schade dat daar in het merendeel van de individuele gevallen het meest voor in aanmerking komt, tenzij bijzondere omstandigheden in het individuele geval rechtvaardigen dat van die vaste methode wordt afgeweken?”

Beide partijen hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend en hebben op elkaars opmerkingen gereageerd.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt ertoe dat de Hoge Raad de vragen zal beantwoorden als voorgesteld in 4.40 van die conclusie.

De advocaat van Dexia heeft bij brief van 11 november 2016 op die conclusie gereageerd en de advocaat van [A] bij brief van 10 november 2016.

3 Beantwoording van de prejudiciële vragen

3.1

Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten.

(i) [A] heeft tussen 20 december 1995 en 20 december 2001 zeven effectenleaseovereenkomsten ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (rechtsvoorgangsters van) Dexia (hierna: de effectenleaseovereenkomsten). Zes daarvan hadden een looptijd van 60 maanden, en één een looptijd van 36 maanden.

(ii) Dexia heeft met betrekking tot de effectenleaseovereenkomsten eindafrekeningen opgesteld met de volgende resultaten:

Datum eindafrekening

Resultaat

I

22-05-2001

+ € 6.901,20

II

19-12-2001

- € 5.624,11

III

19-12-2000

+ € 15.012,74

IV

19-12-2006

- € 22,97

V

24-05-2004

+ € 20,76

VI

16-05-2002

+ € 2.346,58

VII

17-09-2002

+ € 0,00

(iii) Volgens opgave van Dexia heeft [A] op grond van de effectenleaseovereenkomsten in totaal een bedrag van € 29.971,19 aan maandtermijnen en een bedrag van € 22,97 aan restschuld aan Dexia betaald. Vervolgens heeft [A] een bedrag van € 8.762,76 aan dividenden en een bedrag van € 26.849,10 aan ander voordeel ontvangen.

3.2.1

In dit geding vordert Dexia in conventie een verklaring voor recht dat zij ten aanzien van de effectenleaseovereenkomsten aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [A] is verschuldigd. [A] vordert in reconventie een verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld bij het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten, met veroordeling van Dexia tot betaling van € 4.748,20. [A] legt aan zijn vordering onder meer de stelling ten grondslag dat het batig saldo dat een aantal effectenleaseovereenkomsten heeft opgeleverd en dat moet worden verrekend met de schade als gevolg van de verliesgevende overeenkomsten, eerst in mindering moet worden gebracht op de termijnen en vervolgens op de restschuld.

3.2.2

De kantonrechter heeft, voor zover thans van belang, als volgt geoordeeld. Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in ieder geval de waarschuwingsplicht, en daarom onrechtmatig gehandeld. [A] heeft schade geleden, bestaande uit verschuldigde termijnen en restschuld. Er is causaal verband aanwezig tussen die schade en die onrechtmatige daad. Onduidelijk is op welke wijze het batig saldo en andere voordelen uit eerdere overeenkomsten moeten worden verrekend. Dit is ook in een groot aantal andere zaken onderwerp van geschil. De kantonrechter ziet aanleiding prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen, welke vragen uitdrukkelijk alleen betrekking hebben op de beoordeling van vorderingen tot schadevergoeding ter zake van een (of meer) overeenkomst(en) waarbij geen sprake was van een 'onaanvaardbaar zware financiële last'.

3.3

Inleiding

3.3.1

Uitgangspunt bij de beantwoording van de prejudiciële vragen is de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad inzake effectenleaseproducten (zie voor een samenvatting HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, rov. 5.1.2-5.1.5).

3.3.2

Een particuliere belegger (hierna: afnemer) die schadevergoeding vordert wegens een schending van de zorgplicht door de aanbieder, kan voordelen hebben behaald op de effectenleaseovereenkomst waarop die vordering betrekking heeft, of op andere effectenleaseproducten van de aanbieder. De prejudiciële vragen gaan over het in aanmerking nemen van dergelijke voordelen in de schadebegroting.

Hierna wordt onder de aanbieder, waar relevant, ook diens rechtsvoorganger of rechtsopvolger begrepen.

3.4

Twee kwesties in de eerste drie prejudiciële vragen

3.4.1

De eerste drie prejudiciële vragen stellen, bezien in onderlinge samenhang, twee kwesties aan de orde.

3.4.2

De eerste kwestie (waarover hierna 3.5-3.6.8) is kort gezegd of bepaalde voordelen uit een effectenleaseovereenkomst bij toepassing van art. 6:100 BW in mindering komen op de restschuld, dan wel op het bedrag dat hierna kortweg als ‘termijnen’ wordt aangeduid. Onder laatstgenoemd bedrag – en hierna dus onder ‘termijnen’ – wordt verstaan het totale bedrag van de verplichtingen van de afnemer uit hoofde van een in de schadevergoedingsvordering betrokken effectenleaseovereenkomst, bestaande uit rente, eventuele aflossing en eventueel in rekening gebrachte kosten. Daarmee wordt het begrip ‘termijnen’ hierna gebruikt voor het geheel van (a) de termijnen die de afnemer heeft voldaan en (b) de termijnen die de afnemer verschuldigd is maar niet heeft voldaan. Afzonderlijk worden die onder (a) en (b) bedoelde termijnen hierna aangeduid als ‘voldane termijnen’, respectievelijk ‘verschuldigde termijnen’.

3.4.3

De tweede kwestie (waarover hierna 3.7.1-3.7.3) betreft het volgende. Sommige voordelen zijn verrekend met betalingsverplichtingen van de afnemer jegens de aanbieder, andere zijn aan de afnemer betaald. Gevraagd wordt of dit verschil betekenis heeft voor het in aanmerking nemen van voordelen in de schadebegroting.

3.4.4

Ten aanzien van de vermelding dat de prejudiciële vragen geen betrekking hebben op gevallen waarin geen sprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’ (zie hiervoor in 3.2.2), verdient het volgende opmerking.

Onder de schade – als de nadelige financiële gevolgen voor de afnemer van het aangaan van de overeenkomst – die de aanbieder in beginsel dient te vergoeden, worden zowel de termijnen als de eventuele restschuld begrepen (HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182, rov. 5.4.3). Het onderscheid tussen gevallen waarin wel en die waarin geensprake was van een ‘onaanvaardbaar zware financiële last’ heeft betekenis bij de toepassing van art. 6:101 BW (zie het zojuist genoemde arrest van 5 juni 2009, rov. 5.6.1-5.6.3, en de samenvatting in het hiervoor in 3.3.1 genoemde arrest). Zoals hierna zal blijken, heeft dit onderscheid geen betekenis voor het in aanmerking nemen van voordelen in de schadebegroting in effectenleasezaken. In de behandeling van de hiervoor in 3.4.2 en 3.4.3 bedoelde kwesties blijft dit onderscheid daarom buiten beschouwing. Het komt pas in 3.6.10 en 3.8 ter sprake.

3.5

Voordeelstoerekening algemeen

3.5

Bij de beoordeling van de hiervoor in 3.4.2 omschreven kwestie wordt het volgende vooropgesteld.

Bij de voordeelstoerekening van art. 6:100 BW gaat het erom dat genoten voordelen, voor zover dat redelijk is, mede in aanmerking behoren te worden genomen bij de vaststelling van de te vergoeden schade. Daarvoor is allereerst vereist dat tussen de normschending en de voordelen een condicio sine qua non-verband bestaat, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen. Voorts dient het met inachtneming van de in art. 6:98 BW besloten maatstaf redelijk te zijn dat die voordelen in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de te vergoeden schade. (Vgl. HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483, rov. 4.4.3.) Indien toerekening van een voordeel op verschillende schadeposten denkbaar is, staat ter beoordeling van de rechter in hoeverre het redelijk is het voordeel op een bepaalde schadepost in mindering te doen strekken (vgl. HR 17 december 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC5837, NJ 1977/351).

3.6

Voordeelstoerekening in effectenleasezaken

Inleiding

3.6.1

De effectenleaseovereenkomst waarop een schadevergoedingsvordering van een afnemer betrekking heeft, kan voor die afnemer zowel nadeel als voordeel hebben opgeleverd. Denkbaar is ook dat een afnemer voordeel heeft behaald op andere effectenleaseproducten die hij bij de aanbieder in het kader van dezelfde of andere effectenleaseovereenkomsten heeft afgenomen. In beide gevallen komen deze voordelen op de toe te kennen schadevergoeding in mindering voor zover dat redelijk is (vgl. HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4012, NJ 2013/40). Bij de schadebegroting kunnen dus voordelen uit verschillende bronnen een rol spelen, die op verschillende momenten kunnen zijn genoten.

De voordeelstoerekening in effectenleasezaken wordt daarnaast gecompliceerd doordat over de verplichting van de aanbieder tot vergoeding van schade bestaande in voldane termijnen, de wettelijke rente voor iedere termijn loopt vanaf de voldoening van die termijn (vgl. HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1198, NJ 2015/425). Daardoor kan het voor de uitkomst verschil maken per welk moment voordeelstoerekening plaatsvindt.

3.6.2

Ingevolge art. 6:97 BW begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. In effectenleasezaken gaat het om veel voorkomende vermogensschade die een voortvarende afwikkeling naar uniforme maatstaven wenselijk maakt. Het is mede daarom gerechtvaardigd dat bij het toerekenen van voordelen in effectenleasezaken wordt geabstraheerd van de hierna te noemen omstandigheden die de bijzondere situatie van de afnemer betreffen.

3.6.3

Hierna (in 3.6.5-3.6.8) wordt uiteengezet hoe deze voordeelstoerekening in effectenleasezaken dient plaats te vinden. De essentie daarvan is (i) dat wordt vastgesteld welke voordelen in aanmerking komen voor voordeelstoerekening en (ii) dat de som van die voordelen in mindering wordt gebracht op het nadeel, en wel (iii) volgens eenvormige regels die bepalen op welke wijze het aldus vastgestelde voordeel wordt toegerekend op twee of meer te vergoeden schadeposten. Die regels zijn geënt op de regeling van art. 6:43 lid 2 BW voor de toerekening van een betaling die op twee of meer verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser zou kunnen worden toegerekend. Die regeling beoogt immers een oplossing te bieden voor gevallen waarin toerekening op meer dan twee verbintenissen denkbaar is (Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 179, T.M.), hetgeen ook hier aan de orde is. Aldus houden de hierna in 3.6.8 vermelde regels in de kernin dat voordeelstoerekening plaatsvindt met inachtneming van de tijdsvolgorde waarin het nadeel voor de afnemer is ontstaan, dat wil zeggen eerst op de achtereenvolgende termijnen, ongeacht of zij zijn voldaan, en als laatste op de eventuele restschuld.

In de voordeelstoerekening in effectenleasezaken die zojuist onder (i)-(iii) in essentie is aangeduid, worden (iv) de tijdstippen waarop voordelen zijn genoten niet in aanmerking genomen.

Over het nadeel bestaande uit termijnen en eventuele restschuld kan wettelijke rente zijn verschenen (zie het hiervoor in 3.6.1 vermelde arrest van 1 mei 2015). (v) Geen voordeelstoerekening vindt in effectenleasezaken plaats op de ten tijde van de schadebegroting reeds verschenen wettelijke rente omdat een aanspraak op wettelijke rente over nadeel dat bij de voordeelstoerekening tegen voordelen wegvalt, moet worden geacht niet te zijn ontstaan, aangezien die de schadeberekening te zeer zou compliceren. Slechts over het nadeel dat na voormelde wijze van voordeelstoerekening resteert, kan overeenkomstig het hiervoor in 3.6.1 vermelde arrest van 1 mei 2015 wettelijke rente in aanmerking worden genomen.

Toerekening van voordeel op termijnen en restschuld

3.6.4

De voordeelstoerekening in effectenleasezaken dient tegen deze achtergrond als volgt plaats te vinden.

3.6.5

Onderscheid moet worden gemaakt tussen het voordeel dat de afnemer heeft behaald uit (een) effectenleasetransactie(s) waarop de schadevergoedingsvordering betrekking heeft (zoals dividenden of andere opbrengsten van die transactie(s); zie hierna in 3.6.6), en een batig saldo van (een) effectenleasetransactie(s) uit hoofde van dezelfde of andere effectenleaseovereenkomsten met dezelfde aanbieder (zie hierna in 3.6.7).

3.6.6

De bedragen van voordelen die de afnemer heeft behaald uit (een) effectenleasetransactie(s) waarop de schadevergoedingsvordering betrekking heeft (zoals dividenden of andere opbrengsten van die transactie(s)) dienen bij elkaar te worden opgeteld (zie vervolgens hierna in 3.6.8).

3.6.7

Bij het bepalen van het in aanmerking te nemen batig saldo uit andere effectenleasetransacties uit hoofde van dezelfde of andere effectenleaseovereenkomsten met dezelfde aanbieder, is het volgende van belang.

Op grond van het hiervoor in 3.6.1 genoemde arrest van 29 april 2011 dienen voordelen die de afnemer heeft behaald in een samenhangend geheel van telkens soortgelijke transacties in een bepaalde periode waarbij de aanbieder telkens is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende bijzondere zorgplicht, in de toe te kennen schadevergoeding te worden betrokken voor zover dat redelijk is. In de feitenrechtspraak wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dergelijke voordelen buiten beschouwing blijven als ten minste één jaar is verstreken tussen de feitelijke einddatum van een effectenleasetransactie die met een batig saldo is geëindigd – in het algemeen: de datum waarop de geleasete effecten zijn verkocht – en het tijdstip waarop dezelfde afnemer nadien een of meer effectenleasetransacties is aangegaan ten aanzien waarvan de aanbieder tot schadevergoeding is gehouden (vgl. de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.6). Vanuit een oogpunt van consistente rechtspraak verdient het aanbeveling dat deze termijn, die op zichzelf valt onder de vrijheid van de rechter bij de schadevaststelling en schadebegroting, in alle gevallen wordt gehanteerd.

Een batig saldo uit andere effectenleasetransacties uit hoofde van dezelfde of andere effectenleaseovereenkomsten met dezelfde aanbieder dat voor voordeelstoerekening in aanmerking komt, dient ten behoeve van die voordeelstoerekening (zie hierna in 3.6.8) te worden opgeteld bij de hiervoor in 3.6.6 bedoelde voordelen.

3.6.8

De som van de hiervoor in 3.6.6 en 3.6.7 bedoelde voordelen komt op na te melden wijze in aanmerking voor voordeelstoerekening.

De toerekening van die voordelen dient in de eerste plaats te geschieden op het nadeel bestaande in termijnen. Dit gebeurt in de volgorde waarin dat nadeel is ontstaan, dus waarin termijnbedragen achtereenvolgens verschuldigd zijn geworden, ongeacht of zij zijn voldaan. De toerekening geschiedt van oud naar jong volgens de tijdstippen van verschuldigd worden, en naar evenredigheid ingeval termijnbedragen gelijktijdig verschuldigd zijn geworden.

Resteert dan nog een bedrag van die voordelen, dan wordt dit toegerekend op de eventuele restschuld.

Een aanspraak op wettelijke rente over het gedeelte van de termijnen en de restschuld dat bij de voordeelstoerekening wegvalt tegen voordelen, wordt geacht niet te zijn ontstaan (zie hiervoor in 3.6.3).

Voordeelstoerekening en eigen schuld

3.6.9

Opmerking verdient nog het volgende. Is een beroep op zowel voordeelstoerekening als eigen schuld (art. 6:101 BW) gedaan, dan behoort eerst het beroep op voordeelstoerekening te worden beoordeeld en daarna (volgens de regels, samengevat in het hiervoor in 3.3.1 genoemde arrest van 2 september 2016) het beroep op eigen schuld. De Hoge Raad komt dus terug van zijn oordeel in rov. 4.4 van het hiervoor in 3.6.1 genoemde arrest van 29 april 2011 dat deze chronologie geen rol speelt in gevallen waarin het nadeel bestaande uit termijnen met toepassing van art. 6:101 BW geheel voor rekening van de afnemer blijft.

Voordeelstoerekening en ‘onaanvaardbaar zware financiële last’

3.6.10

Opmerking verdient voorts dat het hiervoor in 3.5-3.6.9 overwogene ook betekenis heeft voor gevallen waarin ten tijde van het aangaan van een effectenleaseovereenkomst sprake was van een 'onaanvaardbaar zware financiële last'.

3.7

Verrekening en de wijze waarop voordelen zijn genoten

3.7.1

Omtrent de hiervoor in 3.4.3 omschreven kwestie wordt als volgt overwogen.

3.7.2

De nadelige financiële gevolgen voor de afnemer die de aanbieder in beginsel als schade dient te vergoeden, omvatten de termijnen en de restschuld (vgl. HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815, NJ 2012/182, rov. 5.4.3). Als schade (in de zin van nadeel) komen dus in aanmerking de betalingsverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van een effectenleaseovereenkomst waarop een vordering tot schadevergoeding betrekking heeft en terzake waarvan de aanbieder schadeplichtig is. Voor het antwoord op de vraag of het bedrag van een dergelijke betalingsverplichting als schade in aanmerking moet worden genomen, is niet bepalend of aan die betalingsverplichting is voldaan door middel van betaling, verrekening of anderszins.

3.7.3

Voor voordelen dient in het in de art. 6:95 e.v. BW neergelegde stelsel van schadebegroting een zelfde benadering te gelden. Indien een voordeel in de schadebegroting in effectenleasezaken in aanmerking behoort te worden genomen (zie hiervoor in 3.6), is dus niet van belang of het voordeel is genoten door middel van verrekening, betaling of anderszins.

3.8

De vierde prejudiciële vraag

3.8

Voor het in aanmerking nemen van voordelen in de schadebegroting maakt het geen verschil of ten tijde van het aangaan van een effectenleaseovereenkomst al dan niet sprake was van een ‘onaanvaardbaare zware financiële last’ voor de afnemer (zie hiervoor in 3.6.9 en 3.6.10). Daarom behoeft de vierde prejudiciële vraag geen verdere beantwoording.

3.9

De vijfde prejudiciële vraag

3.9

Nu in het hiervoor overwogene maatstaven voor de eenvormige beoordeling van een beroep op voordeelstoerekening in effectenleasezaken zijn gegeven, behoeft de vijfde prejudiciële vraag evenmin verdere beantwoording.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

beantwoordt de prejudiciële vragen op de hiervoor in 3.6.3.-3.6.8, 3.7.3, 3.8 en 3.9 weergegeven wijze;

begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van Dexia en op € 1.800,-- aan de zijde van [A] .

Deze beslissing is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 3 februari 2017.