Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:161

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
15/05587
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1233, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:2759, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksgoederenrecht. Afwikkeling van niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding ten aanzien van de aan een van de echtgenoten toebehorende echtelijke woning. Verzuim om toepassing te geven aan het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0070
RvdW 2017/193
NJB 2017/376
NJ 2017/81
JWB 2017/35
FJR 2017/24.10
RFR 2017/68

Uitspraak

3 februari 2017

Eerste Kamer

15/05587

TT/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de man],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaten: mr. B.J. van Dorp en mr. S. Kousedghi,

t e g e n

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/03/142141/HA ZA 09-841 van de rechtbank Limburg van 26 mei 2010, 21 juli 2010, 15 september 2010, 29 augustus 2012, 1 mei 2013 en 18 september 2013;

b. de arresten in de zaak 200.136.513/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 maart 2014, 11 november 2014 en 21 juli 2015,

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 21 juli 2015 heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen de vrouw is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) De man en de vrouw zijn op 8 februari 1996 met elkaar gehuwd, na het opmaken van huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden houden, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:

“(…)

Artikel 1

Tussen de echtelieden zal generlei vermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

(…)

Artikel 8

1. Al hetgeen van de netto-inkomsten uit arbeid van beide echtgenoten in enig jaar mocht overblijven, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, zal tussen beide echtelieden, ieder voor de helft worden verdeeld.

Deze verdeling zal slechts door de echtelieden kunnen worden gevorderd voor een december van het tiende daaropvolgende jaar.

Wanneer een van de echtelieden de samenwoning heeft verbroken of door zijn onredelijk gedrag de andere echtgenoot heeft genoopt de samenwoning te verbreken, vervalt zijn recht om bedoelde verdeling van het lopende jaar te vorderen.

2. Onder netto-inkomsten uit arbeid wordt verstaan de inkomsten uit arbeid als bedoeld in de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, verminderd met de belasting op inkomen voor zover deze betrekking heeft op dit inkomensbestanddeel, alsmede verminderd met de premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.

Onder inkomsten uit arbeid wordt mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede winst uit een zelfstandig uitgeoefend beroep en bedrijf.

Artikel 9

1. Bij het einde van het huwelijk door echtscheiding kunnen comparanten verlangen dat afgerekend wordt alsof tussen de echtgenoten algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan.

2. Afrekening als hiervoor in lid 1 bedoeld geschiedt naar de toestand en de waarde per de datum van de inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de Burgerlijke Stand.

3. Ingeval gewichtige redenen zich verzetten tegen directe uitbetaling in kontanten van hetgeen op grond van deze afrekening verschuldigd is, is de gerechtigde partij gehouden mee te werken aan het treffen van een redelijke betalingsregeling, waarbij de belangen van beide partijen in acht worden genomen.

(…)”

(ii) De man en de vrouw hebben gedurende hun huwelijk nooit uitvoering gegeven aan het verrekenbeding van art. 8 van de huwelijkse voorwaarden.

(iii) Bij beschikking van 29 juli 2009 heeft de rechtbank Maastricht tussen de man en de vrouw echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 25 augustus 2009 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.1

In het onderhavige geding heeft de man gevorderd, voor zover in cassatie van belang, dat de vrouw wordt veroordeeld om aan hem een bedrag van € 305.000,-- te betalen, welk bedrag overeenkomt met de helft van de overwaarde van de aan de vrouw in eigendom toebehorende woning aan de [a-straat] te [plaats] (hierna: de woning). De man heeft deze vordering primair gegrond op art. 9 van de huwelijkse voorwaarden. Subsidiair heeft de man aangevoerd dat partijen nooit uitvoering hebben gegeven aan art. 8 van de huwelijkse voorwaarden, waardoor bij het einde van het huwelijk dit beding zich oplost in een finaal verrekenbeding, in welk verband de man een beroep heeft gedaan op het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW. Meer subsidiair heeft de man gesteld dat een verrekening dient plaats te vinden van de aanzienlijke waardestijging van de woning als gevolg van verbouwingen die zijn gefinancierd uit onverteerd inkomen.

3.2.2

De rechtbank heeft beslist dat ingevolge art. 9 van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen dient te worden afgerekend alsof tussen hen een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, en heeft de vrouw veroordeeld om aan de man een bedrag van € 206.451,53 (waarvan € 205.920,03 ter zake van de woning) te betalen.

3.2.3

Het hof heeft in zijn tweede tussenarrest geoordeeld dat afrekening op de voet van art. 9 van de huwelijkse voorwaarden niet aan de orde is op de grond – kort gezegd – dat dit beding aldus dient te worden uitgelegd dat alleen wordt afgerekend alsof tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan indien zij dit beiden wensen, en dat aan laatstbedoelde voorwaarde niet is voldaan (rov. 6.7.3-6.7.5). Voorts heeft het hof vastgesteld dat art. 8 van de huwelijkse voorwaarden een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding behelst, zodat thans moet worden verrekend met inachtneming van art. 1:141 BW (rov. 6.8). Ten slotte heeft het hof bepaald dat op grond van art. 1:142 lid 1, aanhef en onder b, BW als peildatum voor de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen geldt de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 15 juli 2008 (rov. 6.9). Een en ander wordt in cassatie niet bestreden.

3.2.4

In zijn eindarrest heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de vrouw veroordeeld om aan de man een bedrag van € 33.326,71 (waarvan € 33.259,15 ter zake van de woning) te betalen. Ten aanzien van de woning heeft het hof in zijn eindarrest als volgt overwogen:

“9.8.2 (…)

Ten aanzien van de woning aan de Rijksweg Noord

Partijen zijn het eens dat voor zover is afgelost op de hypotheken met betrekking tot deze woning, deze aflossingen in de verrekening moeten worden betrokken, nu is afgelost met overgespaard inkomen. De man heeft gesteld dat de verbouwingen in de woningen zijn gefinancierd met overgespaard inkomen en met privévermogen aan zijn zijde zodat ook deze investeringen in de verrekening moeten worden betrokken. De vrouw heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Het hof is van oordeel dat de man in het licht van de gemotiveerde betwisting van de vrouw, onvoldoende gesteld heeft teneinde te kunnen concluderen dat de verbouwingen van de woning van de vrouw zijn gefinancierd met overgespaard inkomen dan wel met privévermogen van de man.

Het voorgaande leidt derhalve tot de conclusie dat alleen de aflossingen op de hypotheek kunnen worden aangemerkt als investeringen in de woning van de vrouw met overgespaard inkomen.”

3.3

Onderdeel I.1 klaagt dat het hof de regel van het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW heeft miskend voor zover het in rov. 9.8.2 tot uitdrukking heeft willen brengen dat het aan de man is om aan te tonen dat de waarde van de woning is ontstaan uit te verrekenen inkomsten. Op grond van deze regel wordt de waarde van de woning vermoed te zijn ontstaan uit te verrekenen inkomsten, en is het aan de vrouw om aan te tonen dat die waarde niet uit dergelijke inkomsten is gevormd, aldus de klacht.

3.4

Deze klacht treft doel. Zoals het hof blijkens rov. 9.4 van zijn eindarrest heeft onderkend, bepaalt art. 1:141 lid 3 BW dat indien bij het einde van het huwelijk aan een bij huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekenplicht als bedoeld in art. 1:141 lid 1 BW niet is voldaan, het alsdan aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Voorts dient tot uitgangspunt dat de man in het kader van de subsidiaire grondslag van zijn vordering een beroep heeft gedaan op het bewijsvermoeden van art. 1:141 lid 3 BW (zie hiervoor in 3.2.1), geen van partijen zich heeft beroepen op de daarin vervatte uitzondering (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.3.4) en het hof niet heeft overwogen aanleiding te zien voor toepassing van die uitzondering. Bij die stand van zaken was het aan de vrouw om te stellen en, zo nodig, aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de peildatum niet is gevormd uit hetgeen op de voet van art. 8 van de huwelijkse voorwaarden verrekend had moeten worden. Daarmee strookt niet de beslissing van het hof in rov. 9.8.2 dat de man onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat de verbouwingen van de woning van de vrouw zijn gefinancierd met overgespaard inkomen.

3.5

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 juli 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 3 februari 2017.