Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:150

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-02-2017
Datum publicatie
03-02-2017
Zaaknummer
15/05423
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1077, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:3278, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verjaring van vordering tot vernietiging koopovereenkomst (art. 3:34 BW)? Betekenis van ‘onbekwaamheid’ in art. 3:52 lid 1, onder a, BW. Bekrachtiging overeenkomst die is aangegaan in strijd met verbod van ‘Selbsteintritt’ (art. 3:68).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 234
Burgerlijk Wetboek Boek 1 381
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 32
Burgerlijk Wetboek Boek 3 34
Burgerlijk Wetboek Boek 3 52
Burgerlijk Wetboek Boek 3 68
Burgerlijk Wetboek Boek 3 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2017/434
RvdW 2017/192
AR 2017/594
NJ 2017/80
NJB 2017/375
JWB 2017/32
RN 2017/33
RCR 2017/31
JOR 2017/151 met annotatie van prof. mr. S.C.J.J. Kortmann
NTHR 2017, afl. 4, p. 196
JERF 2017/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 februari 2017

Eerste Kamer

15/05423

TT/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier,

t e g e n

[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Eisers zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en gezamenlijk als [eisers] en verweeder als [verweerder] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/13/511350 / HA ZA 12-236 van de rechtbank Amsterdam van 25 april 2012 en 29 januari 2014;

b. het arrest in de zaak 200.143.220/01 van het gerechtshof Amsterdam van 11 augustus 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eisers] toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [eisers] heeft bij brief van 11 november 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Op 5 november 2000 is [betrokkene 1] (hierna: erflater) overleden. Erflater was in gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 2] (hierna: erflaatster). Erflaatster is op 10 augustus 2008 overleden. Erflater en erflaatster hadden twee zonen, te weten [eiser 1] en [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ). [eiser 2] en [eiser 3] zijn zonen van [eiser 1] [verweerder] was de echtgenoot van [betrokkene 3] .

(ii) Erflater heeft bij testament van 1 februari 1979 beschikt over zijn nalatenschap. Erflater heeft zijn zonen [eiser 1] en [betrokkene 3] tot zijn enige erfgenamen benoemd en aan erflaatster het vruchtgebruik over zijn nalatenschap gelegateerd.

(iii) Erflaatster was enig aandeelhoudster van de aandelen in de besloten vennootschap [A] B.V. (hierna: [A] ) en heeft deze aandelen op 29 maart 2001 geleverd aan de Stichting Administratiekantoor [A] . Erflaatster hield vervolgens certificaten van alle aandelen die deze stichting in [A] had (hierna: de certificaten).

(iv) Erflaatster woonde vanaf 2002 bij [betrokkene 3] en [verweerder] , eerst in Nederland en vanaf 2006 in Brazilië.

(v) In een op 7 november 2007 in Brazilië in het Portugees opgestelde volmacht (hierna: de volmacht van 7 november 2007) staat, vertaald en voor zover hier van belang:

“(…) TOEREIKENDE VOLMACHT DIE OPGESTELD WORDT

(…)

LATEN ZIJ HET WETEN, degenen die dit instrument van Volmacht onder ogen krijgen dat (…) ten overstaan van mij, Plaatsvervangend Ambtenaar, verscheen als volmachtgever: [betrokkene 2] (…).

Waarbij zij door mij en twee benoemde getuigen die ondertekenen wordt erkend, en ten overstaan van dezen heeft zij mij gezegd dat zij benoemd heeft tot haar lasthebber [verweerder] (…), dat zij speciale volmachten verleent, waarbij hij daarvoor kan: ondertekenen, documenten tonen en opvragen, daarin ondertekenen en alles wat eventueel nodig is om een eis in te stellen, waarbij hij documenten toont en opvraagt, waarbij hij ontvangstbewijzen levert, waarbij hij kwijting neemt of geeft, waarbij hij belastingen betaalt, heffingen en vrachtbrieven, haar rechten aanhalend en verdedigend in geval zij voorkomen, waarbij hij zelfs handelingen kan verrichten die hier niet staan vermeld, mits het in verband staat met de zaak, waarbij hij ten slotte alle noodzakelijke daden kan verrichten voor de goede en getrouwe vervulling van dit mandaat (…)”

(vi) [betrokkene 3] is op 23 november 2007 overleden te Brazilië. Tot aan zijn overlijden was hij gehuwd met [verweerder] . [verweerder] is zijn enige erfgenaam.

(vii) Na het overlijden van [betrokkene 3] is erflaatster bij [verweerder] in Brazilië blijven wonen.

(viii) In een koopovereenkomst gedateerd 15 mei 2008 (hierna ook: de koopovereenkomst) staat dat erflaatster de certificaten verkoopt aan [verweerder] tegen een koopprijs van € 1.200.000,--. De koopovereenkomst is tweemaal ondertekend door [verweerder] , namelijk eenmaal als koper en eenmaal (zo staat omschreven in de koopovereenkomst) als schriftelijk gevolmachtigde van erflaatster, die in de overeenkomst wordt aangeduid als ‘verkoper’.

(ix) In een ‘Volmacht verkoop certificaten’ van 23 mei 2008 (hierna: de volmacht van 23 mei 2008) staat onder meer:

“(…) Ondergetekende:

[betrokkene 2] (…)

verklaart bij deze volmacht te geven aan:

ieder van de medewerkers van Hoogesteijn & Potma, notariaat, te Haarlem (…) speciaal om voor en namens ondergetekende te verkopen en, eventueel ingevolge een reeds eerder gesloten koopovereenkomst, over te dragen aan:

[verweerder] (…)

alle certificaten van aandelen in Stichting Administratiekantoor [A] , welke thans worden gehouden door [betrokkene 2] (…),

zulks voor de prijs van (…) (€ 1.200.000,00) (…)”

( x) Op 19 juni 2008 is ten overstaan van notaris mr. Y. Potma verleden de notariële akte van levering ter zake van de verkoop van de certificaten aan [verweerder] .
In de akte van levering staat onder meer:

“(…)

1. [betrokkene 4] (…),

te dezen handelende als gevolmachtigde van:

[betrokkene 2] (…) hierna ook te noemen: verkoper; en

2. [verweerder] (…) hierna ook te noemen: koper.

Blijkende van voormelde volmachtverlening uit een onderhandse akte van volmacht, welke aan deze akte is gehecht, waarvan het bestaan mij, notaris, genoegzaam is gebleken.

(…)

TITEL VAN DE RECHTSHANDELING

Verkoper heeft blijkens een akte van verkoop en koop de dato vijftien mei tweeduizend acht verkocht aan koper, die blijkens die overeenkomst van verkoper heeft gekocht de hierna omschreven certificaten.

(…)

KOOPSOM EN KWIJTING

De koopovereenkomst is gesloten:

A. voor een totale koopsom van (…) (€ 1.200.000,00) (…), welke koopsom de koper heeft voldaan aan verkoper (…)”

(xi) Na de overdracht van de certificaten op 19 juni 2008 zijn de aandelen gedecertificeerd en is [verweerder] aandeelhouder geworden van alle aandelen in [A] .

(xii) Op 10 augustus 2008 is erflaatster te Brazilië overleden. Zij had bij testament van 17 maart 2004 beschikt over haar nalatenschap. Voor zover in cassatie van belang heeft zij hierin [betrokkene 3] , voor twee derde gedeelte, en haar kleinkinderen [eiser 2] en [eiser 3] , voor één derde gedeelte en in hun onderlinge verhouding voor gelijke delen, benoemd tot erfgenamen. Indien bij vooroverlijden van een van de erfgenamen de plaatsvervulling geen effect sorteert, vindt aanwas plaats ten behoeve van de overige erfgenamen. Aan [eiser 1] heeft erflaatster, niet vrij van rechten en kosten, een bedrag gelegateerd gelijk aan zijn legitieme, alsmede haar sieraden en juwelen. In het testament is een keuze voor de toepassing van Nederlands recht met betrekking tot de vererving en afwikkeling van de nalatenschap opgenomen. Ingevolge dit testament zijn [eiser 2] en [eiser 3] dus de enige erfgenamen van erflaatster.

(xiii) Bij brief van 6 januari 2012, welke diezelfde dag aan [verweerder] is betekend, heeft de advocaat van [eisers] ter zake van de overdracht van de certificaten onder meer aan [verweerder] bericht:

“(…) Op grond van de wet is het u als gevolmachtigde verboden namens de volmachtgever, (groot)moeder, een rechtshandeling met u zelf als wederpartij van (groot)moeder te verrichten. Nu in strijd met voorgaand verbod is gehandeld, is in het geheel geen koopovereenkomst tot stand gekomen en dus nietig, althans vernietigbaar nu de koopovereenkomst tot stand is gekomen door een wilsgebrek.

Voor zover vereist vernietig ik de koopovereenkomst hierbij (…)

Teneinde te voorkomen dat mogelijke wettelijke termijnen in relatie tot alle voornoemde aspecten verjaren, stuit ik de verjaring door middel van deze brief aan u. (…)”

3.2.1

Voor zover in cassatie van belang hebben [eisers] (in conventie) diverse vorderingen ingesteld met als grondslag primair dat tussen erflaatster en [verweerder] geen koopovereenkomst ter zake van de certificaten tot stand is gekomen en subsidiair dat sprake is geweest van het ontbreken van een op de koopovereenkomst gerichte wil van erflaatster, althans een geestelijke stoornis of een wilsgebrek. De rechtbank heeft die vorderingen voor zover ingesteld door [eiser 1] afgewezen, maar voor zover ingesteld door [eiser 2] en [eiser 3] grotendeels toegewezen. [verweerder] heeft in reconventie (terug)betaling van diverse bedragen gevorderd, welke vordering de rechtbank heeft afgewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, heeft de vorderingen in conventie van [eisers] afgewezen en heeft in reconventie [eiser 1] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 9.000,-- in hoofdsom. Samengevat en voor zover in cassatie van belang heeft het hof daartoe het volgende overwogen.

De bevoegdheid van [verweerder] uit hoofde van de volmacht van 7 november 2007 omvatte niet mede een vergaande transactie als de verkoop en levering van de certificaten aan [verweerder] (rov. 3.17). Gelet daarop kan in het midden blijven of [verweerder] heeft gehandeld in strijd met het verbod van Selbsteintritt van art. 3:68 BW (rov. 3.18).

Het gebrek in de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [verweerder] bij het aangaan van de koopovereenkomst met betrekking tot de certificaten is geheeld doordat erflaatster die overeenkomst heeft bekrachtigd door ondertekening van de volmacht van 23 mei 2008 (rov. 3.19).

Het beroep van [eisers] op vernietiging van de koopovereenkomst uit hoofde van onder meer art. 3:34 BW stuit af op verjaring op de voet van art. 3:52 lid 1, aanhef en onder a, BW. Ingevolge die bepaling verjaart een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling in geval van onbekwaamheid drie jaren nadat de onbekwaamheid is geëindigd. Daarbij is niet van belang op welk moment [eiser 2] en [eiser 3] kennis kregen van de overdracht. Zij hebben hun vorderingen ingesteld als erfgenamen en bij gebreke van een andersluidende stelling moet het ervoor worden gehouden dat zij de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. Toen erflaatster op 10 augustus 2008 overleed, traden [eiser 2] en [eiser 3] in haar rechten, waaronder het gestelde recht tot vernietiging van de koopovereenkomst. Op dat moment eindigde tevens de in artikel 3:52 lid 1, aanhef en onder a, BW bedoelde – door [eisers] gestelde – onbekwaamheid. Vanaf die dag begon dus de verjaringstermijn van drie jaar te lopen, die op 10 augustus 2011 is voltooid. (rov. 3.20-3.21)

Voor zover [eisers] bedoeld hebben de vernietiging te baseren op bedrog of misbruik van omstandigheden, zijn zij tekortgeschoten in hun stelplicht. (rov. 3.21)

De koopovereenkomst is dus geldig en de levering van de certificaten heeft krachtens geldige titel plaatsgevonden (rov. 3.22).

3.3.1

Onderdeel 2 richt diverse klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 3.21 dat de rechtsvordering tot vernietiging van de koopovereenkomst op grond van art. 3:34 lid 2 BW is verjaard.

3.3.2

Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof ten onrechte een geestelijke stoornis in de zin van art. 3:34 BW heeft aangemerkt als onbekwaamheid in de zin van art. 3:52 lid 1, aanhef en onder a, BW. Deze klacht slaagt. De term ‘onbekwaamheid’ in art. 3:52 lid 1, aanhef en onder a, BW ziet uitsluitend op de gevallen van art. 1:234 lid 1 BW en art. 1:381 lid 2 BW, waar de wet bepaalt dat een persoon niet bekwaam is tot het verrichten van rechtshandelingen als bedoeld in art. 3:32 BW. De verjaring van een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling die is verricht onder invloed van een geestelijke stoornis als bedoeld in art. 3:34 BW, valt onder de restcategorie van art. 3:52 lid 1, aanhef en onder d, BW. Het hof heeft dit klaarblijkelijk miskend.

3.3.3

Onderdeel 2.5 klaagt terecht over het oordeel van het hof in rov. 3.21 dat “Bij gebreke van een andersluidende stelling” het ervoor moet worden gehouden dat [eiser 2] en [eiser 3] de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. Dit oordeel is onbegrijpelijk in het licht van de door [eisers] in de toelichting op hun klacht aangehaalde vindplaatsen, waaruit blijkt dat zij hebben gesteld de nalatenschap beneficiair te hebben aanvaard.

3.3.4

De overige klachten van onderdeel 2 behoeven geen behandeling.

3.4.1

Onderdeel 3 klaagt onder meer dat het hof op grond van de devolutieve werking van het appel had moeten ingaan op het in eerste aanleg door [eisers] ingenomen standpunt dat een overeenkomst die nietig is wegens handelen in strijd met het ‘verbod van Selbsteintritt’ (art. 3:68 BW), niet kan worden bekrachtigd.

3.4.2

Deze klacht faalt wegens gebrek aan belang, omdat het door [eisers] in eerste aanleg ingenomen standpunt onjuist is. Indien is gehandeld in strijd met het ‘verbod’ van art. 3:68 BW, is sprake van een geval waarin iemand onbevoegd als gevolmachtigde in naam van een ander heeft gehandeld. Art. 3:69 BW maakt in een zodanig geval bekrachtiging door die ander mogelijk. De strekking van de regeling van art. 3:68 BW verhindert bekrachtiging niet. Eerder is het tegendeel het geval, nu art. 3:68 BW van aanvullend recht is en niet valt in te zien waarom de werking van deze bepaling wel vooraf zou kunnen worden uitgesloten, maar niet achteraf door bekrachtiging zou kunnen worden tenietgedaan. In verband met het laatste is van belang dat degene in wiens naam is gehandeld achteraf volledig kan overzien met welke rechtsgevolgen hij instemt.

3.4.3

Onderdeel 3 behoeft voor het overige geen behandeling.

3.5

De klachten van onderdeel 1 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6

Onderdeel 4 bouwt voort op de onderdelen 1-3 en behoeft geen afzonderlijke behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 augustus 2015;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 499,34 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 3 februari 2017.