Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1358

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
16/04836
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:463, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksgoederenrecht. Huwelijkse voorwaarden. Gemeenschap van registergoed en van daarop betrekking hebbende schulden. Verdeling na echtscheiding. Uitleg huwelijkse voorwaarden. Draagplicht voor kosten gemeenschappelijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/1658
RvdW 2017/874
PFR-Updates.nl 2017-0211
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 juli 2017

Eerste Kamer

16/04836

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de vrouw] ,
verblijvende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[de man] ,
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. B.J. van Dorp.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikkingen in de zaken C/16/343575/FA RK 13-2894 en C/16/349454/FA RK 13-4917 van de rechtbank Midden-Nederland van 21 mei 2014 en 25 februari 2015;

b. de beschikking in de zaak 200.170.357 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2016.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De advocaat van de man heeft bij brief van 24 mei 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn in 2005 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

(ii) Op grond van art. 2 van de huwelijkse voorwaarden bestaat tussen de echtgenoten alleen een (beperkte) gemeenschap van het registergoed dat voor de bewoning door de echtgenoten tot hoofdverblijf dient en van de met dit registergoed verband houdende (hypothecaire) schulden.

(iii) De man is houder van alle certificaten van aandelen in Mozartlaan Management Services B.V. (hierna: MMS) en houder van alle certificaten van aandelen in Dal Grande B.V., die op haar beurt alle aandelen houdt in DBIG B.V. en MuiderBuiten B.V.

(iv) Partijen hebben in 2007 in eigendom verkregen: een (dienst)woning en agrarische opstallen met ondergrond, een erf, verdere aanhorigheden en percelen weiland, een en ander gelegen te Muiden (het geheel hierna ook te noemen: de boerderij).

(v) De boerderij – waaraan na de verwerving diverse bouwactiviteiten hebben plaatsgevonden – is bezwaard met een recht van eerste hypotheek tot een bedrag van € 2.350.000,-- ten behoeve van Direktbank N.V. (voorheen: ASR) en een recht van tweede hypotheek tot een bedrag van € 2.100.000,-- ten behoeve van MMS.

3.2.1

In dit geding heeft de rechtbank echtscheiding tussen partijen uitgesproken en op verzoek van partijen voorzien in de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap inzake de boerderij en de daarop betrekking hebbende schulden. Zij heeft, kort gezegd, beslist dat de boerderij ofwel dient te worden toebedeeld aan de man ofwel dient te worden verkocht, een en ander op de voorwaarden en op de wijze zoals in de eindbeschikking nader omschreven.

3.2.2

Het hof heeft bepaald dat de boerderij aan de man wordt toegedeeld met overneming van de met de boerderij verband houdende schulden, en dat de vrouw aan de man een bedrag van € 725.000,-- dient te betalen wegens onderbedeling van de man. Het hof heeft, samengevat, het volgende overwogen.

De vrouw stelt dat de beperkte gemeenschap niet de boerderij in haar geheel omvat, maar alleen het woonhuis. Ook als deze stelling juist is, geldt dat het deel van de boerderij dat niet tot de beperkte gemeenschap behoort, aan partijen samen toebehoort. Ook voor dat deel is sprake van een gemeenschap, zij het niet een beperkte gemeenschap, maar een eenvoudige gemeenschap in de zin van art. 3:166 lid 1 BW. (rov. 5.1)

De vrouw richt zich met haar tweede grief tegen de beslissing van de rechtbank dat de beperkte gemeenschap de hypothecaire schulden aan Direktbank N.V. en MMS omvat en dat partijen ieder de helft van deze schulden moeten dragen.

Partijen zijn het erover eens dat de schuld aan Direktbank N.V. van € 2.350.000,-- gemeenschappelijk is. De schuld aan MMS van € 2.100.000,-- behoort volgens de man tot de beperkte gemeenschap; de vrouw erkent dat voor een gedeelte ter grootte van € 1.146.827,-- en betwist dat voor het overige.

Het hof stelt vast dat de schuld van € 2.100.000,-- aan MMS tot de beperkte gemeenschap behoort en baseert dit op de stukken die de man bij brief van 28 april 2016 in het geding heeft gebracht (grootboekkaarten, bankafschriften en facturen), waaruit de opbouw van het bedrag van € 2.100.000,-- is af te leiden. De vrouw heeft de juistheid van deze stukken en de daaraan door de man verbonden gevolgen voor de omvang van de schuld aan MMS onvoldoende gemotiveerd weersproken. Dat onder de betalingen ook cashopnames of betalingen voor roerende zaken en overboekingen tussen de vennootschappen voorkomen, doet aan de omvang van de schuld niet af. (rov. 5.3)

Het hof heeft vervolgens (in rov. 5.3) overwogen:

“De vrouw betwist niet dat deze cashopnames en roerende zaken ten goede zijn gekomen aan (de gemeenschappelijke huishouding van) beide partijen. Ook als deze bedragen, zoals de vrouw naar voren brengt, thuishoren op de rekening courant van de man in [MMS] leidt dat niet ertoe dat de schuld niet in de beperkte gemeenschap is gevallen of niet anderszins door beide partijen moeten worden gedragen. (…)”

3.3.1

Onderdeel 2.2.5, dat opkomt tegen het hiervoor geciteerde gedeelte van rov. 5.3, klaagt in de eerste plaats dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat de roerende zaken ten goede zijn gekomen aan (de gemeenschappelijke huishouding van) beide partijen niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of het deel van de schuld aan MMS dat op die zaken ziet, kan worden aangemerkt als een schuld in de zin van art. 2 van de huwelijkse voorwaarden. De klacht strekt kennelijk ten betoge dat de schuld aan MMS voor zover die verband houdt met de roerende zaken, niet door ieder van partijen voor de helft moet worden gedragen.

3.3.2

Het hof is klaarblijkelijk van oordeel dat voor zover de roerende zaken niet kunnen worden geacht te behoren tot de beperkte gemeenschap, er ten aanzien van die zaken sprake is van een eenvoudige gemeenschap omdat zij aan beide partijen zijn gaan toebehoren. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit brengt mee dat de schuld aan MMS (ook) in zoverre door ieder van partijen voor de helft moet worden gedragen. De klacht faalt derhalve.

3.3.3

Het onderdeel klaagt voorts dat indien het hof van oordeel is dat een gemeenschappelijke draagplicht bestaat voor de kosten van de huishouding, dit oordeel in het licht van art. 5 van de huwelijkse voorwaarden onbegrijpelijk is.

3.3.4

Deze klacht slaagt. Het hof betrekt de cashopnames mede op de “gemeenschappelijke huishouding” van partijen. Uit het bestreden oordeel wordt niet duidelijk hoe het oordeel dat de cashopnames ook in zoverre door beide partijen voor gelijke delen moeten worden gedragen, zich verdraagt met de verdeelsleutel voor kosten van de huishouding van art. 5 van de huwelijkse voorwaarden, die uitgaat van een verdeling naar netto-inkomens.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2016;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 14 juli 2017.