Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1354

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-07-2017
Datum publicatie
14-07-2017
Zaaknummer
16/02610
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:290, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:1818, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mededingingsrecht. Maatregelen van vereniging dierenartsen (KNMvD) en door haar opgerichte stichting. Besluit als bedoeld in art. 6 Mw en art. 101 VWEU; HvJEU 27 januari 1987, 45/85, ECLI:EU:C:1987:34 (Verband der Sachversicherer). Wanneer heeft het besluit een mededingingsbeperkende strekking? Verwijzing naar o.m. HvJEU 14 maart 2013, C-32/11, ECLI:EU:C:2013:160, NJ 2013/363 (Allianz) en HvJEU 26 november 2015, C-345/14, ECLI:EU:C:2015:784 (Maxima Latvija). Afzonderlijk onderzoek naar merkbaarheid van de mededingingsbeperking niet meer nodig als vaststaat dat besluit een mededingingsbeperkende strekking heeft? HvJEU 13 december 2012, C-226/11, ECLI:EU:C:2012:795, NJ 2013/253 (Expedia) en HvJEU 11 september 2014, C-67/13, ECLI:EU:C:2014:2204 (Groupement des cartes bancaires). Geen besluiten die ertoe strekken de volksgezondheid te waarborgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14 juli 2017

Eerste Kamer

16/02610

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. STICHTING "GEBORGDE DIERENARTS",
gevestigd te Houten,

2. de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE MAATSCHAPPIJ VOOR DIERGENEESKUNDE,
gevestigd te Utrecht,

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes,

t e g e n

AGIB B.V.,
gevestigd te Kerkdriel,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als SGD c.s. en Agib.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak C/16/383879/KG ZA 15-1 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 20 februari 2015;

b. het arrest in de zaak 200.167.067 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 maart 2016.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben SGD c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen Agib is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van SGD c.s. heeft bij brief van 21 april 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Agib is verkoper van diergeneesmiddelen aan veehouders. Zij beschikt over een vergunning van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen om diergeneesmiddelen te verhandelen en te leveren.

(ii) De vereniging Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (hierna: KNMvD) is een vereniging die de belangen van de bij haar aangesloten dierenartsen behartigt.

(iii) Het geschil heeft betrekking op de levering van zogeheten URA-middelen (‘Uitsluitend op Recept Afleveren’), welke middelen uitsluitend mogen worden verstrekt door een dierenarts voor dieren die bij hem of haar onder medische behandeling staan, of op recept van een (andere) dierenarts door een apotheek of een vergunninghouder.
Deze regeling is per 1 juli 2008 ingevoerd bij de Regeling diergeneesmiddelen en het Besluit diergeneesmiddelen ter uitvoering van de Europese richtlijn 2004/28/EG.
Voor die datum waren deze diergeneesmiddelen vrij verhandelbaar en konden veehouders deze zonder recept kopen bij vergunninghouders. Het geschil betreft met name ontwormmiddelen.

(iv) In verband met de onder (iii) genoemde regeling heeft Agib een dierenarts in dienst genomen die recepten voor URA-middelen kan uitschrijven, zodat Agib op die recepten kan blijven leveren aan rundveehouders.

(v) Per 1 juli 2012 heeft de wetgever, teneinde inzicht te verkrijgen in het gebruik van antibiotica en het gebruik daarvan terug te dringen, voor veehouders de verplichting ingevoerd om een zogenoemd één-op-één contract af te sluiten met een dierenarts. Deze dierenarts (hierna: de één-op-één dierenarts) is verantwoordelijk voor het gebruik van antibiotica door de veehouder, schrijft indien nodig een recept uit, levert de antibiotica en zorgt voor de registratie van het gebruik.

(vi) Op 24 augustus 2011 heeft KNMvD SGD opgericht.
SGD is onder meer verantwoordelijk voor het beheer van de reglementen en regelingen voor de veterinaire dienstverlening, waaronder het Reglement Geborgde Rundveedierenarts. SGD heeft per diersoort een College van Belanghebbenden (hierna: CvB), welk college reglementen en regelingen opstelt en ter goedkeuring voorlegt aan het bestuur van SGD. In het CvB voor de rundveesector zitten onder meer afgevaardigden van de Groep Gezondheidszorg Landbouwhuisdieren van KNMvD, en van FrieslandCampina, LTO en de Centrale Organisatie voor de Vleessector.

(vii) Een van de bijlagen (bijlage III) bij het Reglement Geborgde Rundveedierenarts is het Beoordelingsprotocol Geborgde Rundveedierenarts. Hierin is onder meer het volgende opgenomen:

“GDR.01a

De dierenarts sluit, in het kader van het reglement Geborgde Rundveedierenarts, met de melk-/rundveehouder waar hij/zij in het kader van Verordening (EG) nr 853/2004 normaliter de diensten verleent een bilaterale overeenkomst. De dierenarts is in het kader van het reglement Geborgde Rundveedierenarts eindverantwoordelijk voor de voorgeschreven diergeneesmiddelen en verleent inzage in deze overeenkomst(en).

(…)

GDR.01b

De bilaterale overeenkomst zoals bedoeld in GDR.01a omvat alle veterinaire diensten geleverd op het melk-/rundveebedrijf.

Veterinaire diensten omvatten o.a. het stellen van een diagnose, het behandelen van rundvee op het bedrijf, het voorschrijven en/of leveren van URA- en/of UDA middelen, opstellen van een bedrijfsgezondheidsplan en een bedrijfsbehandelplan (…)”.

(viii) SGD heeft voorts een modelovereenkomst opgesteld, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“DE VEEHOUDER

Artikel 3

De veehouder

(…)

f. maakt alleen gebruik van de in de aanhef vermelde (vervangende) geborgde rundveedierenarts.

(…)

DE DIERENARTS

Artikel 4

De dierenarts:

a. staat geregistreerd in een door de Stichting ‘Geborgde Dierenarts’ beheerd of aangewezen register “geborgde rundveedierenarts” (…)

c. werkt volgens het reglement geborgde rundveedierenarts en het beoordelings- en beslissingsprotocol geborgde rundveedierenarts en verdere vereisten die aan de dierenarts worden gesteld waaronder voor veehouders het protocollaire bedrijfsbezoek en van toepassing zijnde wettelijke bepalingen zoals deze nu luiden en in de toekomst zullen luiden;

(…).”

(ix) FrieslandCampina heeft in 2012 in haar praktijkreglement een regel opgenomen dat URA-middelen alleen kunnen worden voorgeschreven door een geborgde één-op-één dierenarts of op basis van een recept van een geborgde één-op-één dierenarts. In bijlage B bij dit reglement is onder meer het volgende opgenomen:

“2.4.1. Iedere dierenarts van wie de veehouder met betrekking tot rundvee diensten betrekt, is geborgd conform de regeling Geborgde Rundveedierenarts van de Stichting Geborgde Dierenarts of een aantoonbaar gelijkwaardige regeling.

Diensten zijn o.a.:

(…)

- het voorschrijven en/of leveren van URA- en/of UDA-middelen;

- het opstellen van een bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan;

(…)

Daar waar binnen Foqus planet gesproken wordt over een dierenarts, wordt bedoeld de Geborgde Rundveedierenarts waarmee een 1 op 1 relatie is aangegaan (zie 2.4.2).

2.4.2.

Er is een 1 op 1 relatie met een Geborgde Rundveedierenarts voor diensten zoals bedoeld onder 2.4.1. (…).

2.6.3.

De UDA en URA-middelen worden uitsluitend na diagnose door en op recept van de Geborgde Rundveedierenarts voorgeschreven waarmee een 1 op 1 relatie is aangegaan.

2.6.4.

URA-middelen worden uitsluitend bij een Geborgde Rundveedierenarts of een erkende diergeneesmiddelenhandelaar aangekocht.”

(x) In de versie van december 2014 van het Praktijkreglement van FrieslandCampina is onder meer het volgende opgenomen:

“2.4.1. Iedere dierenarts van wie de veehouder met betrekking tot rundvee diensten betrekt, is geborgd conform de regeling Geborgde Rundveedierenarts van de Stichting Geborgde Dierenarts of een aantoonbaar gelijkwaardige regeling. Diensten zijn o.a.: (…)

- het voorschrijven en/of leveren van URA- en/of UDA-middelen;

- het opstellen van een bedrijfsgezondheidsplan en bedrijfsbehandelplan;

(…)

Daar waar binnen Foqus planet gesproken wordt over een dierenarts, wordt bedoeld de Geborgde Rundveedierenarts waarmee een 1 op 1 relatie is aangegaan (zie 2.4.2).

2.4.2.

Er is een 1 op 1 relatie met een Geborgde Rundveedierenarts voor diensten zoals bedoeld onder paragraaf 2.4.1. (…)

2.6.3.

URA-middelen worden uitsluitend bij een Geborgde Rundveedierenarts of een erkende diergeneesmiddelenhandelaar aangekocht”.

(xi) Op 21 april 2011 heeft het bestuur van KNMvD een zogenoemd ‘5 Punten Plan voor verbetering van de positie van de dierenarts’ gepresenteerd aan de leden, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“2. Ondersteunende kaders

De KNMvD wil voor de toekomst een één-op-één relatie tussen dierenarts en veehouder wettelijk vastleggen, zodat ‘shoppen’ door veehouders niet meer mogelijk is.

(…)

4. Concurrentie op prijs beperken

De KNMvD wil door middel van een beperkte bandbreedte de prijzen van de medicijnen begrenzen. Hiermee wordt de concurrentie op verkoop van diergeneesmiddelen uit de markt gehaald.”

3.2.1

In de onderhavige procedure heeft Agib onder meer gevorderd dat SGD en/of KNMvD wordt verboden een eis te hanteren of een regel toe te passen inhoudende dat URA-middelen alleen kunnen worden verstrekt of voorgeschreven door een geborgde dierenarts of de één-op-één dierenarts en daartoe strekkende mededelingen te doen. Daaraan heeft Agib onder meer ten grondslag gelegd dat een dergelijke eis of regel in strijd is met art. 6 Mw. Agib kan geen URA-middelen meer leveren aan veehouders, nu de praktijk is dat de één-op-één dierenarts geen recepten wil uitschrijven maar uit eigen voorraad levert aan de veehouder en, als de veehouder toch om een recept vraagt (op grond waarvan Agib kan leveren), de één-op-één dierenarts drempelverhogende maatregelen neemt, terwijl SGD c.s. bovendien ten onrechte aan veehouders suggereren dat sprake is van een wettelijke verplichting om de URA-middelen bij de één-op-één dierenarts af te nemen.

SGD c.s. hebben verweer gevoerd en onder meer aangevoerd dat het gehanteerde kwaliteitssysteem niet een plan is van KNMvD maar van SGD, dat het is ingegeven door een in de markt voor vee- en zuivelindustrie bestaande wens en in het belang is van de volksgezondheid en de voedselveiligheid, en dat het systeem aan de veehouder nergens de eis stelt om URA-middelen bij de één-op-één dierenarts af te nemen. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van Agib afgewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Agib grotendeels toegewezen. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen:

“5.5 Het hof is voorshands van oordeel dat Agib voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het hiervoor […] bedoelde bij het Reglement Geborgde Rundveedierenarts behorende Beoordelingsprotocol met bijbehorende modelovereenkomst, waarvoor SGD verantwoordelijkheid draagt en in de totstandkoming waarvan ook de KNMvD, die SGD heeft opgericht, participeert in het College van Belanghebbenden van de SGD en voorstellen voor SGD voorbereidt, een belangrijke rol speelt, kwalificeert als een besluit in de zin van artikel 6 Mw. Van een besluit van een ondernemersvereniging is onder meer sprake als het gaat om juridisch bindende beslissingen, beslissingen die niet bindend zijn, maar wel door de betrokken ondernemingen worden gevolgd en niet-bindende beslissingen die de getrouwe weergave zijn van de wil van de ondernemersvereniging om het gedrag van de leden op de betrokken markt te coördineren.
Onder besluit van een ondernemersvereniging valt ook een als vrijblijvend gepresenteerde aanbeveling, indien degenen tot wie deze is gericht te kennen hebben gegeven dat zij die aanbeveling zullen volgen, dus als een bindend besluit zullen opvolgen. Het bij het meergenoemde Reglement behorende Beoordelingsprotocol met bijbehorende modelovereenkomst reguleert de verhouding tussen dierenartsen en melk/- rundveehouder inclusief het voorschrijven en/of leveren van URA-middelen.
De effectiviteit van bedoelde besluitvorming wordt nog vergroot door het feit dat het College van Belanghebbenden van de SGD niet alleen is samengesteld uit dierenartsen, maar ook uit leden van LTO Nederland en FrieslandCampina. Agib is bij het desbetreffende overleg als enige van alle spelers op de markt niet betrokken geweest. Verder wijst het hof op de parallellie (te weten gelijkluidende teksten) tussen de modelovereenkomsten van de zijde van de KNMvD en de SGD en het in rov. 4.7 en 4.8 (deels) geciteerde praktijkreglement van FrieslandCampina. Ten slotte is door SGD, bij monde van haar secretaris, [betrokkene 1] , ter zitting bij het hof naar voren gebracht dat de één op één dierenarts verantwoordelijk is voor het bedrijfsgezondheidsplan met als doel dat er goede melk wordt geleverd, dat SGD al jaren bezig is met kwaliteitsdoeleinden en dat er één aanspreekpunt moet zijn voor het geval er te veel of verkeerd gebruik wordt gemaakt van diergeneesmiddelen. Veehouders waren gewend om te shoppen, maar SGD wilde hiervan af, vandaar de eis van één centraal punt, aldus [betrokkene 1] .

Deze omstandigheden, tezamen genomen, duiden volgens het hof op een besluit tussen SGD en KNMvD richting de dierenartsen in onderlinge afstemming met de zuivelsector om URA- middelen enkel door een één op één dierenarts; (“geborgde dierenarts”) te laten uitschrijven.

(…)

5.14

Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft Agib voldoende aannemelijk gemaakt dat voornoemde één op één contracten van de SGD en het op het Reglement Geborgde Rundveedierenarts gebaseerde beoordelingsprotocol van de KNMvD en de SGD de strekking hebben om de mededinging te beperken.
Dat deze maatregelen een groot potentieel hebben om de mededinging op de relevante markt te verstoren, heeft Agib aan de hand van de volgende omstandigheden voldoende toegelicht. In de eerste plaats heeft zij gewezen op de uitbreiding van de wettelijke voorschrijfplicht voor antibiotica door de één op één dierenarts tot ook URA-middelen in protocollen en modelovereenkomsten van de SGD (…). In de tweede plaats heeft zij, onder meer ter zitting bij het hof, gewezen op uitlatingen van SGD dat URA-middelen nog uitsluitend door een één op één dierenarts mogen worden afgeleverd (volgens SGD gaat het echter in artikel GDR.01b van het Beoordelingsprotocol Geborgde Rundveedierenarts (zie rov. 4.5) om het voorschrijven en/of leveren van URA-middelen, terwijl Agib stelt dat door SGD althans de suggestie wordt gewekt dat het om: “voorschrijven en leveren gaat”). In de derde plaats heeft zij gewezen op de feitelijke onwilligheid bij dierenartsen om desgevraagd een recept uit te schrijven (…) alsmede op hun monopoliepositie (…). Ten slotte heeft Agib gewezen op het 5 punten plan van KNMvD waaruit volgens haar blijkt dat KNMvD en SGD een geborgde positie voor de één op één dierenartsen willen verwezenlijken en de concurrentie uit de markt willen halen.

Al deze omstandigheden tezamen leiden er naar het voorlopig oordeel van het hof toe dat de voormelde maatregelen van KNMvD en SGD die evident schadelijk zijn voor de goede werking van de normale mededinging er daadwerkelijk toe strekken dat de mededinging op de Nederlandse markt merkbaar wordt verstoord. Tevens is in dit kort geding voorshands aannemelijk geworden dat Agib door deze maatregelen haar marktaandeel is kwijtgeraakt […].

5.15

Voor zover KNMvD en SGD met hun betoog over de objectieve rechtvaardiging van hun besluiten, te weten de door hen toegelichte kwaliteitssystemen in het kader van de volksgezondheid (…), een beroep doen op beperking van de mededinging inherent aan een legitieme doelstelling, wordt dit beroep verworpen omdat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de besluiten van KNMvD en SGD ertoe strekken de kwaliteit van de volksgezondheid te waarborgen.”

3.3.1

Onderdeel 2 van het middel - onderdeel 1 bevat geen klacht - is gericht tegen het voorshandse oordeel van het hof dat het bij het Reglement Geborgde Rundveedierenarts behorende Beoordelingsprotocol met bijbehorende modelovereenkomst kwalificeert als een besluit in de zin van art. 6 Mw van (mede) KNMvD. Het onderdeel klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat van een besluit van een ondernemersvereniging in de zin van art. 6 lid 1 Mw alleen sprake kan zijn als het een besluit betreft van degene die het besluit formeel of feitelijk heeft uitgevaardigd.

3.3.2

Art. 6 lid 1 Mw verbiedt onder meer besluiten van ondernemersverenigingen die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
Deze bepaling is geënt op (het huidige) art. 101 VWEU.
Bij de uitleg van eerstgenoemde bepaling dient dan ook zo veel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij de uitleg van (thans) art. 101 VWEU in de rechtspraak van het HvJEU (vgl. HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5542; HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:149, NJ 2016/489).

3.3.3

Van een besluit van een ondernemersvereniging in de zin van art. 101 VWEU en art. 6 Mw is sprake indien een of meer gedragingen, ongeacht de juridische kwalificatie daarvan, een getrouwe weergave vormen van de (uit de concrete omstandigheden van het geval af te leiden) wil van de ondernemersvereniging om het gedrag van haar leden op de betrokken markt overeenkomstig die handeling te coördineren (vgl. HvJEU 27 januari 1987, 45/85, ECLI:EU:C:1987:34 (Verband der Sachversicherer)). Het hof heeft dus terecht deze maatstaf gehanteerd. Het heeft geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door uit de in rov. 5.5 van zijn arrest aangehaalde feiten en omstandigheden (hiervoor weergegeven in 3.2.2) af te leiden dat (mede) door KNMvD een dergelijk besluit is genomen, en door niet reeds doorslaggevend te achten welke (rechts)persoon vorenbedoeld Beoordelingsprotocol met bijbehorende modelovereenkomst formeel of feitelijk heeft uitgevaardigd. De klacht faalt derhalve.

3.4.1

Onderdeel 3 van het middel is gericht tegen het voorlopige oordeel van het hof dat de in het geding zijnde besluiten de strekking hebben de mededinging te beperken. Het onderdeel betoogt dat het hof een onjuist criterium heeft toegepast door in rov. 5.14 te overwegen dat de besluiten een groot potentieel hebben om de mededinging op de relevante markt te verstoren en dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te toetsen of de relevante besluiten reeds naar hun aard kunnen worden geacht schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging. De door het hof in rov. 5.14 genoemde omstandigheden geven evenmin blijk van een rechtens juiste toetsing van de strekking van de besluiten, dan wel is het oordeel van het hof onbegrijpelijk omdat die omstandigheden niet redengevend zijn voor het oordeel dat de maatregelen naar hun strekking geacht kunnen worden schadelijk te zijn voor de goede werking van de normale mededinging wat betreft de levering van URA-middelen, aldus het onderdeel.

3.4.2

Zoals het hof in rov. 5.11 en 5.12 van zijn arrest terecht heeft overwogen, volgt uit de rechtspraak van het HvJEU dat bepaalde vormen van coördinatie tussen of door ondernemingen en ondernemersverenigingen naar hun aard de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer behoeven te worden onderzocht. Bij de beoordeling of een besluit van een ondernemersvereniging een dergelijke mededingingsbeperkende strekking heeft, moet worden gelet op de bewoordingen en de doelstellingen ervan, alsook op de economische en juridische context. Bij de beoordeling van die context moet ook rekening worden gehouden met de aard van de betrokken goederen of diensten en met de daadwerkelijke voorwaarden voor het functioneren en de structuur van de betrokken markt of markten. Bij het onderzoek naar de vraag of het desbetreffende besluit mededingingsbeperkend is, mag bovendien rekening worden gehouden met de bedoelingen van partijen (HvJEU 13 oktober 2011, C-32/11, ECLI:EU:C:2011:649 (Pierre Fabre Dermo-Cosmétique); HvJEU 14 maart 2013, C-439/09, ECLI:EU:C:2013:160, NJ 2013/363 (Allianz)).

Het begrip mededingingsbeperkende strekking moet restrictief worden uitgelegd en kan uitsluitend worden toegepast op vormen van coördinatie die de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de effecten ervan niet behoeven te worden onderzocht (HvJEU 11 september 2014, C-67/13, ECLI:EU:C:2014:2204 (Groupement des cartes bancaires); HvJEU 26 november 2015, C-345/14, ECLI:EU:C:2015:784 (Maxima Latvija)). Dat een bepaalde vorm van coördinatie de potentie heeft om de mededinging te beperken, maakt derhalve op zichzelf nog niet dat sprake is van een besluit met een mededingingsbeperkende strekking.

3.4.3

Het hof heeft het hiervoor in 3.4.2 overwogene niet miskend, nu het zijn (voorlopige) oordeel niet enkel heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de in het geding zijnde besluiten potentieel de mededinging op de relevante markt beperken. Het heeft eveneens getoetst of de besluiten naar hun aard de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer behoeven te worden onderzocht, gelet op de bewoordingen en de doelstellingen daarvan (namelijk de uitbreiding van de wettelijke voorschrijfplicht voor antibiotica door uitsluitend de één-op-één dierenarts tot (ook) URA-middelen, alsmede eerdere uitlatingen van SGD c.s. omtrent levering van URA-middelen en het 5-puntenplan van KNMvD) alsook de economische en juridische context waarin deze besluiten zijn genomen (namelijk de ‘onwilligheid’ van de één-op-één dierenartsen om recepten voor URA-middelen uit te schrijven en hun monopoliepositie ten aanzien daarvan). Het oordeel van het hof in rov. 5.14 dat de besluiten inderdaad een dergelijke mededingingsbeperkende strekking hebben (omdat zij, in de bewoordingen van het hof, ‘evident schadelijk’ en ‘daadwerkelijk’ verstorend voor de mededinging zijn), is niet onbegrijpelijk, nu de door het hof genoemde feiten en omstandigheden, ook voor zover zij zien op de wijze waarop URA-middelen worden voorgeschreven, aan het oordeel kunnen bijdragen dat de besluiten ertoe strekken de mededinging ten aanzien van de levering van URA-middelen te beperken. De klachten falen derhalve.

3.5.1

Onderdeel 6 van het middel klaagt onder meer dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hof in rov. 5.10 van zijn arrest weliswaar overweegt dat alleen een merkbare beperking van de mededinging onder het verbod van art. 6 Mw valt, maar dat de door het hof in rov. 5.14 genoemde omstandigheden niet zien op de merkbaarheid van een mededingingsbeperking.

3.5.2

Hiervoor in 3.4.2 is overwogen dat uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat bepaalde vormen van coördinatie tussen of door ondernemingen en ondernemersverenigingen de mededinging naar hun aard in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer behoeven te worden onderzocht. Uit de rechtspraak van het HvJEU blijkt tevens dat besluiten met een dergelijke mededingingsbeperkende strekking naar hun aard een merkbare beperking van de mededinging vormen en dat in verband daarmee het concrete gevolg daarvan niet meer behoeft te worden nagegaan (HvJEU 13 december 2012, C-226/11, ECLI:EU:C:2012:2012:795, NJ 2013/253 (Expedia); HvJEU 11 september 2014, C-67/13, ECLI:EU:C:2014:2204 (Groupement des cartes bancaires)).
Als derhalve komt vast te staan dat bepaalde besluiten een mededingingsbeperkende strekking hebben, dan is een afzonderlijk onderzoek ook naar de merkbaarheid van de mededingingsbeperking niet meer nodig.

3.5.3

Nu het hof, blijkens het hiervoor in 3.4.3 overwogene, is nagegaan of de in het geding zijnde besluiten van SGD c.s. naar hun aard de mededinging in die mate nadelig beïnvloeden dat de gevolgen ervan niet meer behoeven te worden onderzocht, en tot de slotsom is gekomen dat dit het geval is, behoefde het hof niet afzonderlijk op de merkbaarheid van de mededingingsbeperking in te gaan. Het oordeel van het hof geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht faalt.

3.6.1

Onderdeel 7 van het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de besluiten van SGD c.s. ertoe strekken de kwaliteit van de volksgezondheid te waarborgen, onvoldoende is gemotiveerd.

3.6.2

SGD c.s. hebben aangevoerd dat de besluiten tot doel hebben de resistentie tegen antiparasitica en de residuproblematiek van ontwormmiddelen in melk tegen te gaan. Die stelling hebben zij onderbouwd met een verwijzing naar twee rapporten die zouden aantonen dat sprake is van een resistentieprobleem voor URA-middelen, en naar brieven van ZuivelNL en FrieslandCampina. Gezien de gemotiveerde betwisting door Agib, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.7.6, is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat SGD c.s. onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de besluiten ertoe strekken de volksgezondheid te waarborgen. Dat oordeel is ook niet onvoldoende gemotiveerd. Ook dit onderdeel faalt derhalve.

3.7

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt SGD c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Agib begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 14 juli 2017.