Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1323

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
17/01467
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:643, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

OM-cassatie en cassatie klagers. Beschikking verschoningsrecht. Klaagschrift van beslagene, verschoningsgerechtigde. Geheimhouderstukken. Art. 98 en art. 218 Sv. Doorzoeking in kantoor van notaris en kandidaat-notaris i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek naar verdenking t.a.v. klagers en 3 andere personen, inbeslagname stukken en gegevensdragers. Middel OM, dat opkomt tegen de motivering van de gegrondverklaring van het klaagschrift, is terecht voorgesteld op gronden als vermeld in de CAG. CAG: In de rechtspraak van de HR zijn de mogelijkheden om in een beklagprocedure ex art. 552a Sv met succes te klagen over de onrechtmatigheid van het gelegde beslag sterk ingeperkt; het enkele feit dat de ‘beslaglegging zelve’ onrechtmatig is, betekent nog niet dat het beklag gegrond is. De vraag of de beslaglegging zelf onrechtmatig is, is versmald tot de vraag of die beslaglegging ‘van onwaarde’ moet worden geacht o.g.v. het feit dat ‘de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen’, niet in acht zijn genomen. Rb heeft ten onrechte in de vele procedurele onregelmatigheden die zich hebben voorgedaan een zelfstandige reden gezien om het beklag gegrond te verklaren. De vraag die de Rb had moeten beantwoorden, is of het verschoningsrecht waarop klagers zich beroepen, zich er tegen verzet dat de inbeslaggenomen stukken ter beschikking worden gesteld voor strafrechtelijk onderzoek. HR laat middel klagers buiten bespreking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/878
NJ 2018/120 met annotatie van F. Vellinga-Schootstra
SR-Updates.nl 2017-0338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 juli 2017

Strafkamer

nr. S 17/01467 Bv

SB/LN

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 2 maart 2017, nummers RK 16/1715 en 16/1716, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klaagster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977 en
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1 Geding in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de klagers en het Openbaar Ministerie.

Namens de klagers hebben G.J. van Oosten en M.D. Rijnsburger, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het Openbaar Ministerie heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadslieden van de klagers hebben het beroep van het Openbaar Ministerie tegengesproken.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot verwijzing of terugwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De raadsman G.J. van Oosten heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het door het Openbaar Ministerie voorgestelde middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer over de motivering van de gegrondverklaring van het klaagschrift.

2.2.

Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6.4 en 6.6 is het middel in zoverre terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2017.