Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1295

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
16/03125
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:617, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde mensensmokkel door tien mensen door Nederland te vervoeren in de laadruimte van een vrachtauto, art. 197a.1 Sr. Wederrechtelijke doorreis? Middel berust op de opvatting dat voor de vraag of een doorreis ‘wederrechtelijk’ is, uitsluitend beslissend is of het voorgenomen verblijf in het land van bestemming onrechtmatig zal zijn, zodat de rechter om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van een ‘wederrechtelijke doorreis’ a.b.i. art. 197a.1 Sr dient vast te stellen dat het voorgenomen verblijf in het land van bestemming onrechtmatig zal zijn. Die opvatting is echter in haar algemeenheid onjuist.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 197a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/1708
NJ 2017/331
RvdW 2017/883
NBSTRAF 2017/322
SR-Updates.nl 2017-0307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 juli 2017

Strafkamer

nr. S 16/03125

EC/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 3 juni 2016, nummer 21/001105-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat sprake was van een 'wederrechtelijke doorreis' als bedoeld in art. 197a, eerste lid, Sr.

3.2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 13 september 2014 te De Meern, gemeente Utrecht, een ander, te weten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en [betrokkene 9] , behulpzaam is geweest bij de doorreis door Nederland, immers heeft hij, verdachte, die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en [betrokkene 9] in zijn vrachtwagen in laten stappen en is hij, verdachte, vervolgens weggereden, terwijl verdachte ernstige redenen had te vermoeden dat die doorreis wederrechtelijk was, terwijl dit feit werd begaan in de uitoefening van zijn ambt of beroep."

3.2.2.

Het Hof heeft – het vonnis van de Rechtbank in zoverre bevestigd - ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:

"Behulpzaam zijn bij wederrechtelijke doorreis

Vaststaat dat verdachte de in de tenlastelegging genoemde personen behulpzaam is geweest bij de doorreis door Nederland. Op basis van de verklaring van [betrokkene 10] en op basis van de eigen verklaring van verdachte stelt de rechtbank vast dat verdachte de laadruimte van de door hem bestuurde vrachtauto heeft geopend, de personen heeft gewenkt en hen in de laadruimte heeft laten instappen. Vervolgens is hij, met deze personen in de laadruimte, gaan rijden richting Rotterdam. Naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat de doorreis door Nederland van deze tien personen wederrechtelijk was. Daartoe zijn de volgende feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang van belang. De vraag onder welke omstandigheden de doorreis door Nederland als wederrechtelijk heeft te gelden, komt in de wetsgeschiedenis niet aan de orde. Het begrip 'wederrechtelijk [verblijf]' in de delictsomschrijving van artikel 197a Sr is gelet op de wetsgeschiedenis uit te leggen als zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid. De in art. 197a Sr bedoelde hulp moet verleend zijn aan iemand die tot het verblijf in Nederland aan geen rechtsregel - van nationale of internationale herkomst - enige titel kan ontlenen. (Zie HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA8499 en HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3230). In welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in Nederland te verblijven, is bepaald in de Vreemdelingenwet (Vw). Onder verblijf wordt verstaan elk ophouden, ook zonder min of meer duurzaam karakter (zie HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL3537). Voor zover in dit geval van belang bepaalt artikel 8 Vw - kort gezegd - dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft indien hij een verblijfstitel heeft dan wel in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, ofwel van de uitkomst van een rechtsmiddel daartegen. Voorts heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf gedurende de zogenaamde vrije termijn als bedoeld in artikel 12 Vw en gedurende de tijd dat de vreemdeling in de gelegenheid is om aangifte ex artikel 273f Sr te doen. In deze zaak zijn tien vreemdelingen aangetroffen in de laadruimte van de vrachtauto die verdachte bestuurde. Verdachte had hen kort daarvoor laten instappen in laadruimte. De vreemdelingen zijn gehoord en hebben verklaard de Vietnamese (vier personen) dan wel Sri Lankaanse nationaliteit (6 personen) te hebben. Geen van hen had identiteitspapieren bij zich. Een aantal van de personen had een luier onder hun kleding aan. Geen van de personen had asiel aangevraagd in Nederland of was - op het moment dat men in de vrachtwagen stapte - van plan om asiel aan te vragen in Nederland, aldus hun eigen verklaringen. Na het verhoor op het politiebureau zijn de tien vreemdelingen naar verschillende opvanglocaties voor asielzoekers in Nederland gebracht. Van die opvanglocaties zijn alle tien personen binnen enkele dagen dan wel enkele weken vertrokken met onbekende bestemming. Een aantal van de vreemdelingen heeft verklaard dat hun paspoorten zijn ingenomen op enig moment tijdens hun reis. Een ander heeft verklaard helemaal geen papieren te hebben gehad en één persoon heeft verklaard met vervalste papieren te hebben gereisd. Sommige vreemdelingen hebben verklaard niet te weten waar naar toe ze op weg zijn. Andere vreemdelingen verklaarden dat ze op weg naar Engeland waren om daar asiel aan te vragen. De politie heeft opgetekend dat uit de gesprekken met vier vreemdelingen signalen van mensenhandel naar voren kwamen. Gelet op de aard van de reis, de omstandigheden waaronder deze plaatsvond en de verklaringen die de vreemdelingen hebben afgelegd staat in voldoende mate vast dat de doorreis van deze personen door Nederland wederrechtelijk was. De verdediging heeft gesteld dat de exacte status van deze personen niet bekend is en heeft geopperd dat deze personen mogelijk een rechtmatig verblijf in c.q. een rechtmatige doorreis door Nederland hadden gezien de korte duur die zij in Nederland waren. Gelet op de hiervoor opgesomde omstandigheden acht de rechtbank genoegzaam gebleken dat de vreemdelingen die verdachte vervoerde niet voldeden aan de vereisten voor een kort verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8 onder i jo. art 12 Vw (vrije termijn)."

3.3.1.

De tenlastelegging en bewezenverklaring zijn toegesneden op art. 197a, eerste lid, Sr. Daarom moeten de daarin voorkomende termen "wederrechtelijk" en "doorreis" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikellid.

3.3.2.

Art. 197a, eerste lid, Sr luidt:

"Hij die een ander behulpzaam is bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk is, wordt als schuldig aan mensensmokkel gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie."

3.4.

Het middel berust op de opvatting dat voor de vraag of een doorreis 'wederrechtelijk' is, uitsluitend beslissend is of het voorgenomen verblijf in het land van bestemming onrechtmatig zal zijn, zodat de rechter om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van een 'wederrechtelijke doorreis' als bedoeld in art. 197a, eerste lid, Sr dient vast te stellen dat het voorgenomen verblijf in het land van bestemming onrechtmatig zal zijn. Die opvatting is echter in haar algemeenheid onjuist.

3.5.

Het middel faalt.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2017.