Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1278

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
17/02231
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:423
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:619, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Beoordeling verzoek tot verstekverlening na invoering van digitaal procederen in vorderingszaken (KEI). Kantoorbetekening op de voet van art. 63 lid 1 Rv in de gevallen die worden genoemd in art. 115 Rv (Betekeningsverordening II, Haags Betekeningsverdrag). HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:310, NJ 2015/411 behoudt betekenis bij digitaal procederen. Art. 112 Rv. Verdedigingsbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

7 juli 2017

Eerste Kamer

17/02231

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

HRC N.V.,
gevestigd te Terneuzen,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Weerden,

t e g e n

[verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , België,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als HRC en [verweerster] .

1 Het geding in cassatie

1.1

Met een op 8 mei 2017 ingediende procesinleiding heeft HRC cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 februari 2017 met zaaknummer 200.179.507/01 in de zaak tussen HRC en [verweerster] .

1.2

De griffier van de Hoge Raad heeft aan HRC een oproepingsbericht doen toekomen.

1.3

HRC heeft het oproepingsbericht en de procesinleiding op 22 mei 2017 bij exploot doen betekenen aan het kantoor van de advocaat mr. S. d’Hooghe aan de Kousteensedijk 3 te Middelburg.

1.4

[verweerster] is in cassatie niet verschenen. HRC heeft verzocht tegen [verweerster] verstek te verlenen.

1.5

De Advocaat-Generaal J. Wuisman heeft op 30 juni 2017 schriftelijk geconcludeerd tot verstekverlening tegen [verweerster] .

1.6

De advocaat van HRC heeft bij bericht van 3 juli 2017 medegedeeld dat wordt afgezien van indiening van een reactie op die conclusie.

2. Beoordeling van het verzoek tot verstekverlening

2.1.1

Het verzoek tot verstekverlening is gedaan in een zaak waarop het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is zoals dat luidt sinds de inwerkingtreding op 1 maart 2017 van de regelgeving inzake digitaal procederen in vorderingszaken in cassatie (Besluit van 25 januari 2017, Stb. 2017, 16).

2.1.2

HRC heeft in de procesinleiding vermeld dat [verweerster] is gevestigd en kantoor houdt te [vestigingsplaats] , België, en in de vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen op het adres waar de hiervoor in 1.3 genoemde advocaat kantoor houdt. In het hiervoor in 1.3 genoemde exploot is vermeld dat het op de voet van art. 63 lid 1 Rv op dat adres is uitgebracht.

2.1.3

Dit doet de vraag rijzen of de rechtspraak van de Hoge Raad over de verhouding tussen enerzijds de Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 (hierna: Betekeningsverordening II) en het Haags Betekeningsverdrag (Verdrag van 15 november 1965, Trb. 1966, 91, en 1969, 55), en anderzijds de art. 63 lid 1 Rv en 115 (oud) Rv bij de invoering van digitaal procederen haar werking heeft behouden.

2.1.4

Ingevolge die rechtspraak (zie voor een overzicht: HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:310, NJ 2015/411, rov. 2.3-2.4.3) kan bij betekening van een exploot waarbij verzet wordt gedaan of waarbij hoger beroep of beroep in cassatie wordt ingesteld (hierna: rechtsmiddelexploot) op de voet van art. 63 lid 1 Rv aan het kantoor van de advocaat of deurwaarder bij wie degene voor wie het rechtsmiddelexploot is bestemd, laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen (hierna: kantoorbetekening), worden volstaan met de in art. 115 lid 3 (oud) Rv voorgeschreven termijn van dagvaarding van ten minste een week, indien degene voor wie het stuk is bestemd, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een lidstaat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is, dan wel in een (al dan niet in Europa gelegen) staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag. Daarbij gelden de volgende aandachtspunten.

De rechter dient met inachtneming van het verdedigingsbelang te beslissen over verstekverlening. Indien degene voor wie het rechtsmiddelexploot is bestemd, op de dienende dag niet verschijnt en er aanleiding bestaat eraan te twijfelen of het stuk de buitenlandse geadresseerde heeft bereikt, dient de rechter het verstek niet terstond te verlenen. De rechter kan zo nodig inlichtingen hieromtrent (doen) inwinnen bij de advocaat aan wiens kantoor het rechtsmiddelexploot is gedaan.

Indien de advocaat aan wiens kantoor het rechtsmiddelexploot is gedaan, eigener beweging of desgevraagd meedeelt dat hij (nog) niet erin is geslaagd zijn (voormalige) cliënt op de hoogte te stellen van de inhoud van het stuk, dient de rechter dit in zijn oordeelsvorming te betrekken.

2.2.1

Bij de beantwoording van de hiervoor in 2.1.3 vermelde vraag is het volgende van belang.

2.2.2

Ingevolge art. 407 lid 1 Rv wordt het beroep in cassatie ingesteld door het indienen van een procesinleiding in dezelfde vorm en met dezelfde vereisten als in eerste aanleg, behoudens de leden 2-5.

Art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat de procesinleiding de dag vermeldt waarop de verweerder in de vorderingsprocedure ten laatste kan verschijnen, welke dag ligt ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter.

Art. 115 lid 1 Rv houdt, voor zover hier van belang, het volgende in. Voor de verweerder die een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf
buiten Nederland heeft in een Staat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is, is de termijn om te verschijnen minimaal vier weken en maximaal zes maanden. In afwijking van art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv vangt de termijn van verschijning aan op de dag na die waarop het oproepingsbericht aan de verweerder is betekend of aan hem is kennisgegeven op een wijze overeenkomstig de voormelde verordening en wordt de termijn van verschijning in de procesinleiding opgenomen in plaats van de dag van verschijning.

Art. 115 lid 2 Rv houdt, voor zover hier van belang, het volgende in. Indien de verweerder een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf buiten Nederland heeft in een Staat die partij is bij het Betekeningsverdrag, is de termijn om te verschijnen in afwijking van art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv minimaal drie maanden en maximaal twaalf maanden. Deze termijn vangt volgens art. 115 lid 2 Rv in cassatie aan na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter, in aanmerking genomen dat art. 113 Rv ingevolge art. 418a Rv in cassatie niet van overeenkomstige toepassing is.

Art. 63 lid 1 Rv is niet gewijzigd bij de hiervoor in 2.1.1 vermelde wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering per 1 maart 2017. Het houdt in dat een exploot (waaronder naar het tot 1 maart 2017 geldende recht moet worden verstaan een rechtsmiddelexploot en naar het sinds 1 maart 2017 geldende recht een exploot waarbij een oproepingsbericht en de daarbij behorende procesinleiding worden betekend) ook kan worden gedaan door middel van een kantoorbetekening, ook indien de Betekeningsverordening II van toepassing is, alsmede dat de advocaat of deurwaarder aan wiens adres de kantoorbetekening geschiedt, dient te bevorderen dat het exploot degene voor wie het is bestemd, tijdig bereikt. Ook bij een kantoorbetekening op de voet van art. 63 lid 1 Rv is het overigens mogelijk het oproepingsbericht en de daarbij behorende procesinleiding eerst op andere wijze te bezorgen (art. 112 Rv).

2.2.3

In de totstandkomingsgeschiedenis van art. 115 Rv is onder meer vermeld:

“Voor zowel het eerste als het tweede lid geldt vanzelfsprekend dat als de verweerder in Nederland (tijdelijk) verblijft of in Nederland zijn woonplaats/vestiging heeft gekozen (bijvoorbeeld bij zijn advocaat), dat hij in Nederland kan worden opgeroepen, op grond van de regels die in Nederland gelden. Dit artikel ziet (net als het huidige artikel 115) alleen op die situatie waarin het oproepingsbericht niet in Nederland aan de verweerder in persoon of aan de door hem gekozen woonplaats is bezorgd of betekend.” (Kamerstukken II 2015-2016, 34 212, nr. 6, p. 9)

2.2.4

Een exploot waarbij het oproepingsbericht en de daarbij behorende procesinleiding op de voet van art. 63 lid 1 Rv worden betekend, moet in cassatie ingevolge art. 112 lid 1 Rv worden betekend binnen twee weken na de dag van indiening van de procesinleiding of, indien het oproepingsbericht eerst op andere wijze is bezorgd en verweerder op de laatste dag waarop hij diende te verschijnen nog niet is verschenen, ingevolge art. 112 lid 2 Rv binnen twee weken na laatstgenoemde dag. Daarbij verdient opmerking dat art. 113 Rv, dat het mogelijk maakt het exploot te doen uitbrengen voordat de procesinleiding is ingediend, ingevolge art. 418a Rv in cassatie niet van overeenkomstige toepassing is.

2.2.5

De hiervoor in 2.1.4 vermelde rechtspraak berust op de overweging dat de kantoorbetekening strookt met het doel en de strekking van zowel het Haags Betekeningsverdrag als de Betekeningsverordening II om op eenvoudige en snelle wijze te bewerkstelligen dat de geadresseerde die in een andere verdragsstaat of lidstaat zijn woonplaats of bekend werkelijk verblijf heeft, van het exploot kennis neemt, nu de kantoorbetekening beoogt een waarborg te scheppen dat het exploot ook werkelijk tijdig degene bereikt voor wie het is bestemd. Ook heeft de Hoge Raad in dit verband overwogen dat de advocaat aan wiens adres op de voet van art. 63 lid 1 Rv het exploot wordt betekend, is gehouden te bevorderen dat het exploot tijdig degene bereikt voor wie het is bestemd, hetgeen met de moderne communicatiemiddelen binnen de gestelde termijn in de regel mogelijk zal zijn. (HR 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:310, NJ 2015/411, rov. 2.4.1)

Hetgeen hiervoor in 2.2.2-2.2.4 is vermeld, werpt op die overwegingen geen ander licht.

2.2.6

Gelet op het voorgaande luidt het antwoord op de hiervoor in 2.1.3 vermelde vraag dat ook onder het sinds 1 maart 2017 geldende recht een exploot op de voet van art. 63 lid 1 Rv kan worden uitgebracht door middel van een kantoorbetekening in gevallen waarin degene voor wie het stuk is bestemd, een bekende woonplaats of een bekend werkelijk verblijf heeft in een lidstaat waar de Betekeningsverordening II van toepassing is, dan wel in een (al dan niet in Europa gelegen) staat die partij is bij het Haags Betekeningsverdrag.

2.2.7

Daarbij verdienen met het oog op de beslissing op het gevraagde verstek de volgende punten aandacht.

Indien degene voor wie het exploot is bestemd, niet verschijnt binnen de termijn die volgt uit art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv dan wel uit art. 115 lid 1 Rv respectievelijk art. 115 lid 2 Rv, en er aanleiding bestaat eraan te twijfelen of het stuk de buitenlandse geadresseerde heeft bereikt, dient de rechter het verstek niet terstond te verlenen. De rechter kan zo nodig inlichtingen hieromtrent (doen) inwinnen bij de advocaat aan wiens kantoor het exploot is gedaan.

Indien de advocaat aan wiens kantoor het exploot is gedaan, eigener beweging of desgevraagd meedeelt dat hij (nog) niet erin is geslaagd zijn (voormalige) cliënt op de hoogte te stellen van de inhoud van het stuk, dient de rechter dit in zijn oordeelsvorming te betrekken.

Omdat het nog niet mogelijk is een origineel (digitaal) exploot in het webportaal van de Hoge Raad in te dienen, dient de eiser tot cassatie na ontvangst van het betekende exploot onverwijld een afschrift van dat exploot in het webportaal in te dienen en het origineel ter griffie van de Hoge Raad te bezorgen.

2.3

In deze zaak is de procesinleiding op 8 mei 2017 ingediend. In de procesinleiding is vermeld dat [verweerster] , vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad, ten laatste als verweerder in cassatie kan verschijnen op 19 juni 2017. Aldus is art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv in acht genomen.

In de procesinleiding is verder vermeld dat [verweerster] is gevestigd en kantoor houdt te [vestigingsplaats] , België, en dat [verweerster] in de vorige instantie laatstelijk woonplaats heeft gekozen ten kantore van de hiervoor in 1.3 genoemde advocaat.
In het hiervoor in 1.3 genoemde exploot is vermeld dat het op de voet van art. 63 lid 1 Rv op dat adres is uitgebracht. Aldus is ook art. 112 Rv in acht genomen.

Er bestaat geen aanleiding eraan te twijfelen dat het exploot [verweerster] heeft bereikt.

2.4

De slotsom is dat tegen [verweerster] verstek dient te worden verleend.

3 Beslissing

De Hoge Raad:

verleent verstek tegen [verweerster] ;

bepaalt als datum waarop schriftelijke toelichting kan worden gegeven: 13 oktober 2017.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 7 juli 2017.