Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1234

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
16/05590
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:3311, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Art. 26, 26a, lid 2, en 52a, lid 1, AWR. Moedermaatschappij en haar DGA zijn niet gerechtigd op eigen naam beroep in te stellen tegen een aan een dochtermaatschappij afgegeven informatiebeschikking. Identiteit van de belanghebbende kan niet worden gewijzigd na afloop van de beroepstermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/1688 met annotatie van Ton Tekstra
V-N 2017/35.7 met annotatie van Redactie
Belastingadvies 2017/16-17.1
V-N Vandaag 2017/1598
BNB 2017/183 met annotatie van R.F.C. Spek
FED 2017/128 met annotatie van mr. E. Thomas
FutD 2017-1690
NTFR 2017/1726 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

7 juli 2017

nr. 16/05590

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 14 oktober 2016, nrs. BK-16/00124 en BK‑16/00125, op het hoger beroep, ingesteld door [A] Holding B.V., [X] B.V. en [B], allen te [Z] (hierna: belanghebbenden) tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 15/6891) betreffende een ten aanzien van [X] B.V. gegeven informatiebeschikking. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend. [A] Holding B.V. en [B] hebben tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.

Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidenteel beroep naar voren gebracht.

[A] Holding B.V. en [B] hebben in het incidenteel beroep een conclusie van repliek ingediend.

2 Uitgangspunten in cassatie

2.1.

[B] (hierna: [B]) is enig aandeelhouder en bestuurder van [A] Holding B.V. (hierna: Holding), welke vennootschap op haar beurt enig aandeelhouder en bestuurder is van [X] B.V. (hierna: [X]). [X] is op 19 augustus 2014 in staat van faillissement verklaard.

2.2.

Bij beschikking als bedoeld in artikel 52a, lid 1, AWR (hierna: de informatiebeschikking) heeft de Inspecteur vastgesteld dat [X] voor de jaren 2008 tot en met 2012 niet (volledig) heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 52 AWR. Blijkens de aanhef ervan is de informatiebeschikking gericht aan [X], ter attentie van [B].

2.3.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 augustus 2015 beslist op het door [X] gemaakte bezwaar tegen de informatiebeschikking.

2.4.

Het door de advocaat van belanghebbenden bij de Rechtbank ingediende beroepschrift houdt onder meer in:

“Hierbij tekent ondergetekende (…) in haar hoedanigheid van gemachtigde van:

a. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [HOLDING], gevestigd te (…)

b. [[B]], wonende te (…),

hierna gezamenlijk te noemen “Belanghebbenden”, namens hen beroep aan tegen de beslissing van de Belastingdienst (…) d.d. 25 augustus 2015.

(…)

3. Alvorens materieel te reageren op het omstreden besluit wensen Belanghebbenden eerst nader toe te lichten waarom zij als Belanghebbenden zijn aan te merken en daarmee ontvankelijk zijn in hun beroep tegen het besluit d.d. 25 augustus 2015 inzake de aan [[X]] opgelegde informatiebeschikking d.d. 28 oktober 2013.

4.[[X]] is bij vonnis van (…) 19 augustus 2014 in staat van faillissement verklaard (…). Belanghebbenden leggen als productie 5 over een afschrift van het faillissementsvonnis.

Enig aandeelhouder en bestuurder van [[X]] is [Holding]. Enig aandeelhouder en bestuurder van [Holding] is [[B]]. [[B]] is derhalve (middelijk) enig aandeelhouder en (middelijk) enig bestuurder van [[X]]. (…)

5. De curator heeft Belanghebbenden als bestuurder aansprakelijk gesteld voor alle tekorten in het faillissement van [[X]] en hiertoe inmiddels een procedure opgestart bij de rechtbank (…).

De tekorten in het faillissement zullen in substantiële mate toenemen indien aan de vennootschap aanslagen zullen worden opgelegd die het gevolg zijn van een boekenonderzoek over de periode 2008 t/m 2011 (2012) van welk onderzoek een (concept-rapport is gemaakt en vervolgens aan belanghebbenden is toegezonden met datum 24 februari 2014.

Eventuele aanslagen zullen door de Belastingdienst, althans naar alle waarschijnlijkheid, als vorderingen bij de curator worden ingediend waarmee zij als preferente vordering onderdeel uit zullen maken van het boedeltekort waarvoor de curator Belanghebbenden hoofdelijk aansprakelijk houdt.

(…)

Volgens artikel 26a, lid 2, AWR (uitbreiding kring van belanghebbenden), kan beroep mede worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft. De informatiebeschikking hangt zo zeer samen met de op te leggen aanslagen dat [Holding] en [[B]] als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 Awb dan wel in de zin van artikel 26a, lid 2, AWR moeten worden aangemerkt.

Voorts wordt verwezen naar de uitspraak van Gerechtshof te Arnhem d.d. 6 oktober 2009 (ECLI:NL:2009:BK1106)(…).”

2.5.

De Rechtbank heeft geoordeeld i) dat de informatiebeschikking is gegeven aan [X], ii) dat het door Holding en [B] ingestelde beroep niet namens of mede namens [X] is ingediend, en iii) dat Holding en [B] niet op grond van artikel 26a, lid 2, AWR beroep kunnen instellen tegen de informatiebeschikking. Op deze gronden heeft de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

2.6.

Tegen de uitspraak van de Rechtbank is hoger beroep ingesteld door [X], Holding en [B]. Het Hof heeft geoordeeld dat het beroep bij de Rechtbank mede is ingesteld namens [X], zodat zij moet worden ontvangen in dat beroep, en dat het beroep bij de Rechtbank van Holding en [B] terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het Hof heeft daarom het hoger beroep van laatstgenoemden ongegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd voor zover die ziet op het niet ontvangen van [X] in het beroep bij de Rechtbank, en de zaak terugverwezen naar de Rechtbank voor een inhoudelijke behandeling van de zaak.

3 Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

3.1.

Het middel richt zich tegen ’s Hofs oordeel dat het beroep bij de Rechtbank mede is ingesteld namens [X].

3.2.

Het Hof heeft aan het door het middel bestreden oordeel onder meer ten grondslag gelegd “de ter gelegenheid van de zitting bij de rechtbank gegeven duidelijke uiteenzetting, inhoudende dat Holding en [B] mede namens [X] beroep hebben ingesteld”.

Indien het Hof met deze overweging tot uitdrukking heeft willen brengen dat een na afloop van de beroepstermijn afgelegde verklaring alsnog kan bewerkstelligen dat het beroep is ingesteld door of namens een ander dan degene door of namens wie het beroepschrift is ingediend, berust zijn oordeel op een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 20 oktober 1993, nr. 28655A, BNB 1994/10).

Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting is zijn oordeel onbegrijpelijk aangezien de inhoud van zowel het beroepschrift als de begeleidende brief daarbij geen andere conclusie toelaat, ook niet in samenhang met de overige door het Hof in onderdeel 5.1 van zijn uitspraak genoemde omstandigheden, dan dat het beroep bij de Rechtbank uitsluitend is ingesteld door Holding en [B].

4 Beoordeling van het in het incidenteel beroep voorgestelde middel

4.1.

Het middel richt zich tegen de bevestiging door het Hof van het oordeel van de Rechtbank dat het beroep van Holding en [B] niet-ontvankelijk is. Het middel herhaalt het door Holding en [B] voor de Rechtbank en het Hof gedane beroep op artikel 26a, lid 2, AWR, en op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2009, nr. 08/00144, ECLI:NL:GHARN:2009:BK1106.

4.2.

Ingevolge artikel 26a, lid 2, AWR kan beroep bij de rechtbank mede worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.

De informatiebeschikking behelst niet meer dan de vaststelling dat [X] voor de jaren 2008 tot en met 2012 niet (volledig) heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 52 AWR. Dit karakter van de beschikking sluit uit dat deze betrekking kan hebben op inkomens- of vermogensbestanddelen van derden die zijn begrepen in het voorwerp van die beschikking. Reeds hierop stuit een beroep op artikel 26a, lid 2, AWR af.

4.3.

Het beroep op de hiervoor in 4.1 genoemde uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en het daarin genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 september 2003, nr. 38372, ECLI:NL:HR:2003:AK8288, BNB 2003/370, faalt eveneens, reeds omdat in die zaken – en, naar volgt uit het hiervoor in 3.2 overwogene, in afwijking van de onderhavige zaak – het beroep was ingesteld namens de belanghebbende, in die zaak een (ontbonden) vennootschap aan welke een navorderingsaanslag was opgelegd.

5 Slotsom

Gelet op het hiervoor in 3.2 overwogene slaagt het middel in het principale beroep in cassatie en op grond van het hiervoor in 4.2 en 4.3 overwogene faalt het middel in het incidenteel beroep in cassatie. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

6 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het incidenteel beroep in cassatie van [A] Holding B.V. en [B] ongegrond,

verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens voor zover daarbij aan de griffier wordt opgedragen het griffierecht van € 124 aan [B] terug te betalen, en

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2017.