Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1203

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
17/01458
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:563, Gevolgd
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WSNP. Kan de termijn van de schuldsaneringsregeling worden verlengd, ook als de schuldenaar heeft voldaan aan zijn (door de rechter-commissaris verlichte) inspanningsverplichtingen? Art. 349a Fw; belangen van de schuldeisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2017/230
RvdW 2017/770
NJ 2017/288
NJB 2017/1524
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 juni 2017

Eerste Kamer

17/01458

RM/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi.

Verzoekster zal hierna worden aangeduid als [verzoekster] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/13/13/797-R van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2013 en 8 februari 2017;

b. het arrest in de zaak 200.209.623/01 van het gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verzoekster] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2013 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat [verzoekster] in september daaraan voorafgaand was begonnen aan een vierjarige opleiding, die zij graag zou willen afmaken. Na te hebben overwogen dat in de schuldsanering de schuldenaar zoveel mogelijk baten voor de boedel dient te verwerven en om die reden verplicht is fulltime te werken, althans serieus naar werk te zoeken, hetgeen in het algemeen niet samengaat met het volgen van een dagopleiding, heeft de rechtbank [verzoekster] niettemin toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft daarbij bepaald “dat schuldenares zich dient te houden aan de afspraken die in overleg met de bewindvoerder en na instemming van de rechter-commissaris worden gemaakt ten aanzien van (een eventuele verlenging van) de looptijd en de verplichting te werken naast de opleiding.”

(ii) De rechter-commissaris heeft de inspanningsverplichting van [verzoekster] gesteld op twintig uur per week.

(iii) De bewindvoerder heeft verklaard dat [verzoekster] heeft voldaan aan de voor haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, met uitzondering van een nieuwe schuld die zij heeft laten ontstaan, waarop zij aflost. De bewindvoerder heeft geadviseerd de schuldsaneringsregeling met twee jaar te verlengen.

(iv) De rechter-commissaris heeft geadviseerd aan [verzoekster] de schone lei te verlenen.

3.2.1

De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling met twee jaar verlengd, tot 29 november 2018.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe het volgende overwogen:

“2.3 Vooropgesteld wordt dat de rechter op de voet van artikel 349a Faillissementswet (Fw) de materiële looptijd van de schuldsaneringsregeling ook na ommekomst van de reguliere termijn van drie jaar kan verlengen. (…) De rechter heeft niet alleen een discretionaire maar tevens een behoorlijk ruime beoordelingsmarge als het gaat om de vraag of een verlenging van de materiële looptijd van de schuldsaneringsregeling al dan niet aan de orde is. Bij die afweging spelen niet alleen de belangen van de schuldenaar zelf maar ook die van de schuldeisers een rol.

2.4 (…)

Vast staat dat [verzoekster] gedurende nagenoeg de gehele duur van de schuldsaneringsregeling een inspanningsverplichting opgelegd heeft gekregen van 20 uur. Aangezien zij voor 12 uur werkzaam was behoefde zij slechts voor 8 uur aanvullend te solliciteren. Niet in geschil is dat [verzoekster] aan laatstbedoelde sollicitatieverplichting heeft voldaan.

2.5

Uit het vorenstaande volgt dat [verzoekster] gedurende de reguliere termijn van de schuldsaneringstermijn niet volledig beschikbaar is geweest voor de schuldeisers aangezien zij daarnaast een voltijd HBO-opleiding volgde en die nog steeds volgt. Het niet volledig voldoen aan de inspanningsverplichting kan een reden zijn de schuldsaneringtermijn de verlengen. Immers, de schone lei wordt in beginsel slechts verleend indien aan alle kernverplichtingen is voldaan. Het alsnog volledig voldoen aan de inspanningsverplichting is bovendien in het belang van de schuldeisers omdat gedurende verlengde looptijd alsnog - meer - kan worden gespaard. Dit klemt te meer omdat met het laten volgen van een opleiding een beter perspectief wordt gecreëerd, niet alleen voor [verzoekster] zelf (…), maar ook voor de schuldeisers die daardoor in beginsel een beter uitzicht krijgen op een hogere boedelopbrengst. Het kan niet zo zijn dat de vruchten van de genoten opleiding geheel en al aan haar en in geen enkel opzicht aan haar schuldeisers toevallen.

Al het voorgaande in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist tot verlenging van de schuldsaneringstermijn. Voor zover [verzoekster] nog heeft betoogd dat de beslissing tot verlenging aan het einde van de reguliere looptijd voor haar als een verrassing komt omdat zij daarmee geen rekening behoefde te houden, wordt dat betoog verworpen. Daargelaten dat de rechter in het kader van de eindbeoordeling een geheel eigen afweging maakt (…) kan in de gegeven omstandigheden niet worden gezegd dat de verlenging van de termijn voor [verzoekster] als een verrassing komt. Reeds in het tweede openbaar verslag wordt [verzoekster] voorgehouden dat zij rekening moet houden met een verlenging. Dit moet voor [verzoekster] begrijpelijk zijn geweest aangezien op haar eigen verzoek de inspanningsverplichting was verlicht en zij daardoor niet meer volledig voldeed aan deze verplichting alsmede dat de opleiding van [verzoekster] op deze wijze in wezen deels werd bekostigd door de schuldeisers. Ook de omstandigheid dat de rechter-commissaris bij gelegenheid van de verificatievergadering heeft geadviseerd tot toekenning van de schone lei, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds is overwogen maakt de rechtbank een eigen afweging en is zij daarbij niet gebonden aan het advies van de rechter-commissaris.”

Het hof heeft voorts ten aanzien van de hiervoor in 3.1 onder (iii) genoemde schuld geoordeeld dat geen sprake is van een nieuwe, tijdens de schuldsaneringsregeling ontstane schuld, omdat genoegzaam is gebleken dat deze schuld is ontstaan voorafgaand aan het vonnis tot toelating tot de schuldsaneringsregeling (rov. 2.6).

3.3.1

Onderdeel I.1 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 2.5 dat [verzoekster] niet volledig aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan omdat zij gedurende de reguliere termijn van de schuldsanering niet volledig beschikbaar is geweest voor de schuldeisers, aangezien zij daarnaast een voltijd HBO-opleiding volgde en nog steeds volgt. Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat, wanneer een schuldenaar door de rechter-commissaris gedeeltelijk is vrijgesteld van een inspanningsverplichting, het feit dat de schuldenaar de verplichting waarvoor de vrijstelling is gegeven niet nakomt, niet kan worden aangemerkt als een tekortkoming, althans niet als een toerekenbare tekortkoming.

3.3.2

Deze klacht slaagt. Ingevolge art. 288 lid 1, onder c, Fw dient voor toelating tot de schuldsaneringsregeling voldoende aannemelijk te zijn dat de schuldenaar de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. In de Recofa-richtlijnen is in dit verband bepaald dat een schuldenaar zonder betaald werk een sollicitatieplicht heeft met het oog op het verkrijgen van fulltime werk, tenzij de rechter-commissaris hiervoor een ontheffing heeft gegeven (art. 3.5, onder b en d; zie ook Kamerstukken I 2006-2007, 29 942, nr. C, p. 11). In het onderhavige geval heeft de rechter-commissaris op verzoek van de bewindvoerder de sollicitatieverplichting van [verzoekster] op het verkrijgen van werk voor twintig uur per week gesteld. Het hof heeft in rov. 2.4, slot, vastgesteld dat [verzoekster] aan die verplichting heeft voldaan. Gelet hierop heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat [verzoekster] niet volledig aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan.

3.4.1

Onder I.3 en I.4 bestrijdt het middel het oordeel van het hof dat de schuldsaneringsregeling met twee jaar dient te worden verlengd. Het middel betoogt dat het hof aldus heeft miskend dat verlenging slechts aan de orde kan zijn als niet is voldaan aan de voorwaarden voor het verlenen van een schone lei en dat bij de beoordeling daarvan de belangen van de schuldeisers geen rol spelen.

3.4.2

Volgens art. 349a, lid 1 Fw bedraagt de termijn van de schuldsaneringsregeling drie jaar. Met deze termijn is beoogd een evenwicht tot stand te brengen tussen de belangen van de schuldeisers en die van de schuldenaar (Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr. 3, p. 33).
In afwijking daarvan kan de rechter de termijn op ten hoogste vijf jaar stellen (art. 349a lid 1, tweede zin, Fw), bijvoorbeeld indien de mate van verwijtbaarheid van de schuldenlast daartoe aanleiding geeft (Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr. 7, p. 84).
De rechter-commissaris kan bij schriftelijke beschikking de termijn ambtshalve, dan wel op verzoek van de bewindvoerder, de schuldenaar, of een of meer schuldeisers wijzigen. De termijn bedraagt dan ten hoogste vijf jaar (art. 349a lid 2 Fw). Ook bij de beoordeling of tussentijdse beëindiging is aangewezen (art. 350 Fw) of bij het einde van de looptijd (art. 352 Fw) kan de rechter de termijn verlengen tot ten hoogste vijf jaar (art. 349a lid 3 Fw).

De onderdelen stellen de vraag aan de orde in welke gevallen de rechter bij het einde van de looptijd (art. 352 Fw) de termijn van de schuldsaneringsregeling kan verlengen. Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.

3.4.3

Blijkens de wettelijke regeling is de gang van zaken bij de nadering van het einde van de vastgestelde looptijd van de schuldsaneringsregeling als volgt. De rechtbank bepaalt uiterlijk een maand vóór het einde van de termijn bedoeld in art. 349a Fw de terechtzitting waarop de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld (art. 352 Fw). Uiterlijk op de achtste dag daarna doet de rechtbank uitspraak of de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten en, indien er sprake is van een tekortkoming, of deze aan de schuldenaar kan worden toegerekend (art. 354 lid 1 Fw). Ingeval van een toerekenbare tekortkoming kan de rechter daarbij bepalen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft (art. 354 lid 2 Fw). De bewindvoerder gaat, zodra de uitspraak bedoeld in art. 354 Fw in kracht van gewijsde is gegaan, onverwijld over tot het opmaken van een slotuitdelingslijst (art. 356 lid 1 Fw). De toepassing van de schuldsaneringsregeling is van rechtswege beëindigd zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (art. 356 lid 2 Fw). Door de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 356 lid 2 Fw is een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan is gebleven, niet langer afdwingbaar (de ‘schone lei’), tenzij de rechter in het vonnis bedoeld in art. 354 Fw heeft vastgesteld dat de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten en de rechter daarbij geen toepassing heeft gegeven aan art. 354 lid 2 Fw (art. 358 leden 1 en 2 Fw).

3.4.4

Uit deze regeling volgt dat de schuldenaar aan het einde van de looptijd van de schuldsaneringsregeling een schone lei verkrijgt, behoudens indien de rechter heeft vastgesteld dat betrokkene toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en geen toepassing geeft aan art. 354 lid 2 Fw (en behoudens voor zover het gaat om vorderingen genoemd in art. 358 leden 4-6 Fw). Indien de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en de rechter geen toepassing geeft aan art. 354 lid 2 Fw, kan de rechter in plaats van het onthouden van een schone lei besluiten tot verlenging van de schuldsaneringsregeling. (Zie ook Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr. 7, p. 84 en Kamerstukken I 2006-2007, 29 942, nr. C, p. 11, alsmede HR 20 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2935, NJ 2014/470, rov. 3.4.3). Verlenging van de schuldsaneringsregeling aan het einde van de looptijd daarvan is niet mogelijk op andere dan de wettelijke gronden zoals hiervoor weergegeven, zodat het belang van de schuldeisers daarvoor geen zelfstandige grond kan zijn.

3.4.5

Gegeven het uitgangspunt dat [verzoekster] niet is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen (zie hiervoor in 3.3.2), bestond er, gelet op het voorgaande, geen grond voor verlenging van de termijn van de schuldsaneringsregeling. De onderdelen I.3 en I.4 zijn derhalve terecht voorgesteld.

3.5

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] dient te worden beëindigd onder toekenning van de schone lei. Mede met het oog op de vaststelling van het salaris van de bewindvoerder zal de zaak daartoe worden teruggewezen naar de rechtbank.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2017;

wijst het geding terug naar de rechtbank Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 juni 2017.