Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1182

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
16/00350
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:525, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:2525, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Ondernemingsrecht. Borgtocht en verjaring; art. 7:853 BW. Einde verjaringstermijn van vordering op niet meer bestaande rechtspersoon. Geldt verlengde termijn van art. 2:23c lid 2 BW jo. art. 3:320 BW slechts indien vereffening wordt heropend, of loopt verjaringstermijn zolang rechtspersoon niet meer bestaat? Stuiting verjaring nodig?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2017-0201
INS-Updates.nl 2017-0224

Uitspraak

30 juni 2017

Eerste Kamer

16/00350

LZ/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Weerden,

t e g e n

COÖPERATIEVE RABOBANK REGIO DEN HAAG U.A.,
gevestigd te Den Haag,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Rabobank.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/09/433603 HA ZA 12-1475 van de rechtbank Den Haag van 6 februari 2013, 10 april 2013 en 12 maart 2014;

b. de arresten in de zaak 200.149.004/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 juni 2015 en 29 september 2015.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 29 september 2015 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld.
In zijn arrest van 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1512, heeft de Hoge Raad [eiser] ontvankelijk verklaard in zijn beroep. Het arrest van de Hoge Raad is aan dit arrest gehecht.

Rabobank heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Rabobank heeft met Horeca Concept Building B.V. (hierna: de vennootschap) een financieringsovereenkomst gesloten. [eiser] heeft zich hiervoor borg gesteld tot een maximum van € 100.000,--.

(ii) De vennootschap is op 6 april 2005 failliet verklaard. Het faillissement is op 2 maart 2006 opgeheven bij gebrek aan baten. De vennootschap is daardoor opgehouden te bestaan.

3.2.1

In deze procedure vordert Rabobank uit hoofde van de overeenkomst van borgtocht veroordeling van [eiser] tot betaling van € 101.785,--, vermeerderd met rente en kosten. De rechtbank heeft de vordering toegewezen.

3.2.2

Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Het overwoog daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt:

“4.1 De grieven 2 en 3 betreffen de vraag of de vordering van de bank op de vennootschap is verjaard en daardoor ingevolge artikel 7:853 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) de borgtocht is tenietgegaan. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2

De regeling van artikel 7:853 BW heeft als achtergrond dat als de schuldeiser zijn rechten jegens de hoofdschuldenaar door stilzitten verloren heeft laten gaan, het niet redelijk zou zijn als hij nog wel de borg kan aanspreken. De regresvordering van de borg op de hoofdschuldenaar kan dan immers niet meer geldend gemaakt worden wanneer de hoofdschuldenaar zich op grond van artikel 7:868 BW verweert met de stelling dat de hoofdverbintenis verjaard is (Parl. Gesch. Boek 6 (Inv. 3, 5 en 6), p. 435).

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van de bank op de vennootschap in elk geval opeisbaar was op 6 april 2005, toen de vennootschap failleerde. Indien de verjaringstermijn voor de rechtsvordering zou aflopen gedurende het faillissement van de vennootschap, is deze ingevolge artikel 36 lid 1 Faillissementswet voortgelopen tot zes maanden na afloop van het faillissement.
De rechtsvordering kan derhalve niet tijdens het faillissement van de vennootschap verjaard zijn.
Door de opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten is de vennootschap op 2 maart 2006 ontbonden ingevolge artikel 2:19 lid 1 onder c BW. Nu zij op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, heeft de vennootschap toen voorts opgehouden te bestaan (artikel 2:19 lid 4 BW). De vordering van de bank op de vennootschap is na 2 maart 2006 wel blijven bestaan en kan, als nog blijkt van het bestaan van een bate, daarop met toepassing van artikel 2:23c lid 1 BW worden verhaald. Om te voorkomen dat in een geval als dit de mogelijkheid van verhaal door verjaring verloren zou gaan, bepaalt artikel 2:23c lid 2 BW dat gedurende het tijdvak waarin de rechtspersoon had opgehouden te bestaan er een verlengingsgrond als bedoeld in artikel 3:320 BW is ten aanzien van de verjaring van rechtsvorderingen tegen de rechtspersoon. Het feit dat er thans nog geen bate is gebleken maakt dit niet anders. Dat brengt mee dat de verjaringstermijn van de vordering van de bank op de vennootschap tot op heden is voortgelopen.
De borgtocht is derhalve niet op grond van artikel 7:853 BW geëindigd.

4.4

Aan de grieven 2 en 3 ligt de opvatting ten grondslag dat de vordering van de bank op de vennootschap is verjaard, nu niet is gesteld of gebleken dat de bank de verjaring tegenover de vennootschap na 6 april 2005 tijdig heeft gestuit.
De grieven falen, aangezien de verjaringstermijn tegen de niet meer bestaande vennootschap ook zonder stuiting is voortgelopen. Het hof merkt nog op dat nu [eiser] zich heeft beroepen op verjaring, de rechtbank gehouden was dat verjaringsverweer te toetsen aan de relevante wettelijke regels, waaronder artikel 2:23c BW. Omdat uit de stellingen van [eiser] voortvloeit dat de vordering van de bank op de vennootschap nog niet kan zijn verjaard, doet niet ter zake of de bank het (onjuiste) standpunt van [eiser] daarover heeft weersproken.

4.5

De grieven 2 en 3 falen derhalve.”

3.3.1

Onderdeel 3.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat het, zonder dat de vereffening van de vennootschap op de voet van art. 2:23c lid 1 BW was heropend, niet aan de toepassing van de in art. 2:23c lid 2 BW genoemde verlengingsgrond kon toekomen. Onderdeel 3.3 klaagt dat het hof ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat de verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande vennootschap niet kan eindigen. Onderdeel 3.4 klaagt onder meer dat het hof ten onrechte niet de stelling van [eiser] heeft besproken dat Rabobank de stuitingsmogelijkheid van art. 54 lid 4 Rv heeft laten schieten. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.3.2

De vennootschap is ingevolge art. 2:19 lid 1 onder c BW ontbonden door opheffing van het faillissement bij gebrek aan baten. Nu de vennootschap op het tijdstip van haar ontbinding geen baten meer had, is zij ingevolge art. 2:19 lid 4 BW opgehouden te bestaan. Uit art. 2:23c lid 1 BW volgt dat indien na het tijdstip waarop de vennootschap is opgehouden te bestaan, nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of van het bestaan van een bate blijkt, de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening kan heropenen. In dat geval herleeft de vennootschap ter afwikkeling van de heropende vereffening. Uit art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW volgt dat wanneer een verjaringstermijn zou aflopen gedurende het tijdvak waarin de vennootschap had opgehouden te bestaan of binnen zes maanden na heropening van de vereffening, die verjaringstermijn voortloopt totdat zes maanden na die heropening zijn verstreken.

3.3.3

Art. 2:23c lid 2 BW in verbinding met art. 3:320 BW geeft een regel voor het tijdstip waarop een verjaringstermijn van een vordering op een rechtspersoon eindigt nadat die rechtspersoon is opgehouden te bestaan. Die regel veronderstelt dat een lopende verjaringstermijn in elk geval niet afloopt zolang de vereffening van de rechtspersoon niet is heropend op de voet van art. 2:23c lid 1 BW. Dit brengt mee dat heropening van de vereffening geen vereiste is voor het (voort)lopen van de verjaringstermijn. Om dezelfde reden behoeft een verjaringstermijn van een vordering op een niet meer bestaande rechtspersoon niet te worden gestuit gedurende de periode dat die rechtspersoon niet meer bestaat.

3.3.4

Onderdeel 3.3 doet nog een beroep op HR 6 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3743, NJ 2014/87. In dat arrest is bepaald dat de verjaring van het invorderingsrecht van de Ontvanger tegen een niet meer bestaande vennootschap gestuit kan worden door betekening van een akte van vervolging op de voet van art. 54 lid 4 Rv. De vraag of stuiting nodig was om de verjaring te voorkomen, was in die procedure in cassatie niet aan de orde. Nu het hof in de onderhavige procedure terecht heeft geoordeeld dat de verjaringstermijn ook zonder stuiting tegen de niet meer bestaande vennootschap is voortgelopen, behoefde het hof niet in te gaan op de stelling van [eiser] dat Rabobank geen gebruik had gemaakt van de stuitingsmogelijkheid van art. 54 lid 4 Rv.

3.3.5

Uit het voorgaande volgt dat de hiervoor in 3.3.1 weergegeven klachten falen.

3.4

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op € 6.524,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, als voorzitter, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 30 juni 2017.