Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1174

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
16/05127
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:248, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:2592, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 229, lid 1, letter b, Gemeentewet. Verordening leges omgevingsvergunning 2013 gemeente Rotterdam. Vast bedrag aan leges per bouwkostenklasse (zogenaamd zaagtandtarief) niet onverbindend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/1633 met annotatie van Peter van der Muur
Belastingblad 2017/288 met annotatie van R.T. Wiegerink
BNB 2017/173 met annotatie van J.A. Monsma
V-N Vandaag 2017/1507
V-N 2017/34.30 met annotatie van Redactie
BR 2017/77 met annotatie van R.N.G. van der Paardt
TBR2017/130 met annotatie van G.C.W. van der Feltz, R.T. Wiegerink
FutD 2017-1601 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2017/1640 met annotatie van Mr. R. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 juni 2017

nr. 16/05127

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam te Rotterdam (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 7 september 2016, nrs. BK-15/01025 en 15/01026, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar alsmede het incidentele hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de Rechtbank Rotterdam (nrs. ROT 14/1911 en ROT 14/1912) betreffende de ten aanzien van belanghebbende geheven leges. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 23 maart 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:248).

Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft in juli 2013 twee omgevingsvergunningen aangevraagd voor woningbouwprojecten in [Q]. Als geschatte bouwkosten heeft zij opgegeven € 1.375.000 respectievelijk € 1.875.000. Van belanghebbende is voor het in behandeling nemen van deze aanvragen tweemaal € 100.335 aan leges geheven.

2.1.2.

De leges zijn geheven op basis van de tarieventabel (hierna: de tabel) die behoort bij de Verordening leges omgevingsvergunning 2013 (hierna: de Verordening). In de tabel zijn vaste legesbedragen vastgesteld voor een bepaalde bandbreedte aan bouwkosten (tariefklasse), waarbij de legesbedragen hoger worden indien een hogere tariefklasse van toepassing is.

2.2.

Voor het Hof was de verbindendheid van de tabel in geschil.

2.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat toepassing van de tabel ertoe leidt dat een overschrijding van een tariefklasse met € 0,01 leidt tot een stijging van de verschuldigde leges die, zowel in absolute als in relatieve zin, willekeurig en onredelijk is. Daardoor is van enige samenhang tussen de hoogte van de bouwsom en de hoogte van de leges geen sprake.

2.2.2.

Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het in de tabel opgenomen tariefsysteem leidt tot een willekeurige en onredelijke legesheffing die de wetgever bij het toekennen aan de gemeenten van de bevoegdheid tot het heffen van leges op de voet van artikel 229, lid 1, aanhef en letter b, van de Gemeentewet niet op het oog kan hebben gehad, zodat aan de tabel verbindende kracht moet worden ontzegd.

2.3.

Tegen de in 2.2 vermelde oordelen richt zich het beroep in cassatie met twee middelen.

2.3.1.

Het tweede middel bestrijdt het oordeel van het Hof dat sprake is van een willekeurige en onredelijke legesheffing die de wetgever niet op het oog kan hebben gehad.

2.3.2.

Bij de behandeling van het middel wordt vooropgesteld dat de wetgever aan gemeenten de bevoegdheid heeft gegeven om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat de gemeenten in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing (zie de onderdelen 4.11 tot en met 4.17 van de conclusie van de Advocaat-Generaal). Voor de heffing van leges mogen de gemeenten daarom het tarief afhankelijk maken van de bouwsom, maar ook een andere wijze van bepaling van het tarief is toegestaan. Voor onverbindendverklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel (vgl. HR 14 augustus 2009, nr. 43120, ECLI:NL:HR:2009:BI1943, BNB 2009/276).

2.3.3.

Gelet op de hiervoor in 2.3.2 vermelde vooropstellingen staat het gemeenten vrij om voor leges tariefklassen te hanteren die gerelateerd zijn aan de hoogte van de bouwsom (vgl. HR 4 april 2014, nr. 12/05118, ECLI:NL:HR:2014:780, BNB 2014/149). Een dergelijke bepaling van het tarief is niet in strijd met de wet of met enig algemeen rechtsbeginsel.

De verschillen in belasting die in het onderhavige geval in de tabel worden gemaakt tussen de verschillende tariefklassen, zijn ook niet zodanig dat daardoor een inbreuk wordt gemaakt op het gelijkheidsbeginsel of op enig ander rechtsbeginsel.

2.3.4.

Het middel slaagt. Daaruit volgt dat het eerste middel geen behandeling behoeft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen omdat niet in geschil is dat de heffingen zijn opgelegd in overeenstemming met de Verordening en de tabel.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraken van de Rechtbank,

verklaart de beroepen bij de Rechtbank ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, Th. Groeneveld, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.