Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1171

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
15/02923
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1037, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:3993, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Terugverwijzing naar: ECLI:NL:GHAMS:2019:1170
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Douanerechten; post 8901 van de GN; aanvullende aantekening 1 van de GN op hoofdstuk 89 van de GN; algemene indelingsregels 1 en 6 van de GN; art. 220, lid 2, aanhef en letter b, CDW; tariefindeling van scheepscasco’s; begrip ‘zeeschepen’; criterium ‘schepen, ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee’; geen gewekt vertrouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/1638 met annotatie van Martijn Schippers
FED 2017/132 met annotatie van M. Chin-Oldenziel
BNB 2017/204 met annotatie van G.J. van Slooten
FutD 2017-1602
DouaneUpdate 2017-0396
NTFR 2017/1958 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 juni 2017

nr. 15/02923

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 11 juni 2015, nr. 13/00397, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/4776) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 17 oktober 2016 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2016:1037).

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

In mei en september 2009 heeft douane‑expediteur [EEE] C.V. (hierna: [EEE]) als direct vertegenwoordiger in de zin van artikel 5, lid 2, van het Communautair Douanewetboek (hierna: het CDW) op naam en voor rekening van belanghebbende, scheepsbouwer, aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van 27 scheepscasco’s (hierna: de scheepscasco’s). De scheepscasco’s zijn afkomstig uit de Volksrepubliek China.

2.1.2.

Op elk aangifteformulier is door [EEE] postonderverdeling 8901 90 10 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN) opgegeven. Als goederenomschrijving vermelden de aangiften “scheepscasco”.

Post 8901 van de GN ziet op schepen voor het vervoer van personen en/of van goederen. Onderverdeling 8901 90 10 heeft in het bijzonder betrekking op zeeschepen voor het vervoer van goederen (niet zijnde tankschepen). Het bij die postonderverdeling behorende tarief van douanerechten bedraagt nul percent. De scheepscasco’s zijn met toepassing van dit tarief voor het vrije verkeer vrijgegeven.

2.1.3.

Op of omstreeks 20 juli 2006 heeft een douaneambtenaar telefonisch inlichtingen aan een medewerker van [EEE] verstrekt waaruit deze medewerker heeft opgemaakt dat voor de toepassing van het douanetarief casco’s van binnenvaartschepen als zeeschepen worden ingedeeld in de GN. Deze medewerker heeft dit standpunt in een memo van 24 juli 2006 kenbaar gemaakt aan alle importeurs van scheepscasco’s die van haar diensten gebruik maakten, waaronder belanghebbende. Sindsdien heeft [EEE] ten behoeve van diverse opdrachtgevers een groot aantal scheepscasco’s voor de binnenvaart aangegeven als zeeschepen.

2.1.4.

De aangiften van scheepscasco’s die [EEE] door de jaren heen voor diverse scheepsbouwers heeft gedaan, zijn door de Nederlandse douane niet gecontroleerd op de juistheid van de tariefindeling, met uitzondering van één aangifte, gedaan op 27 maart 2009. Het betreft een invoeraangifte die [EEE] in opdracht van een andere scheepsbouwer dan belanghebbende heeft gedaan. In het kader van de controle van die aangifte heeft een douaneambtenaar het desbetreffende scheepscasco onderzocht en daarna dat casco met toepassing van het nultarief voor zeeschepen voor het vrije verkeer vrijgegeven.

2.1.5.

Naar aanleiding van een door de douane bij belanghebbende in maart 2012 ingestelde controle met betrekking tot de hiervoor in 2.1.1 bedoelde aangiften heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de scheepscasco’s moeten worden aangemerkt als casco's, bestemd voor het bouwen van schepen voor de binnenvaart.

In de bedrijfsadministratie van belanghebbende zijn met betrekking tot de scheepscasco’s (handels)bescheiden aangetroffen. Het gaat bij achttien scheepscasco’s om een voor elk scheepscasco door het Bureau Veritas dan wel door Lloyd’s Register afgegeven ‘Certificate of Conformity’ onderscheidenlijk ‘Certificate of Hull Construction’(hierna: de certificaten). In de certificaten wordt verklaard dat de scheepscasco’s zijn gebouwd volgens scheepsbouwnormen voor de binnenscheepvaart. Voorts is voor 25 van de 27 scheepscasco‘s een ‘aanvraag certificering binnenvaartschepen’ ingediend bij de Inspectie voor Verkeer en Waterstaat en is in belanghebbendes administratie voor elk casco een bijbehorend contract van belanghebbende met een afnemer aangetroffen waarin opdracht wordt gegeven tot het bouwen en afleveren van een schip dat is bestemd voor gebruik op Europese binnenwaterwegen.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat acht scheepscasco’s moeten worden aangemerkt als casco's, bestemd voor het bouwen van een tankschip voor de binnenvaart. Dergelijke scheepscasco’s moeten volgens de Inspecteur worden ingedeeld in postonderverdeling 8901 20 90 van de GN.

Van de overige negentien scheepscasco’s, bestemd voor het bouwen van een ander type vrachtschip voor de binnenvaart dan een tankschip, moeten er volgens de Inspecteur dertien worden ingedeeld in postonderverdeling 8901 90 99 van de GN als ‘andere schepen voor het vervoer van goederen, met mechanische voortbeweging’, en zes in postonderverdeling 8901 90 91 van de GN als ‘andere schepen voor het vervoer van goederen, zonder mechanische voortbeweging’.

2.1.6.

Het bij elk van de hiervoor in 2.1.5 vermelde postonderverdelingen behorende tarief van douanerechten bedraagt 1,7 percent. De Inspecteur heeft van belanghebbende bij de onderwerpelijke uitnodigingen tot betaling dienovereenkomstig douanerechten geheven.

2.2.1.

Ervan uitgaande dat de scheepscasco’s met toepassing van algemene indelingsregel 2a van de GN als schepen moeten worden ingedeeld in Hoofdstuk 89 van de GN, heeft het Hof geoordeeld dat uit de in de administratie van belanghebbende aangetroffen handelsbescheiden en certificeringen volgt dat de onderwerpelijke (casco’s voor) binnenvaartschepen zijn ontworpen en gebouwd voor de vaart op binnenwateren. Daaraan doen naar het oordeel van het Hof de door belanghebbende overgelegde deskundigenverklaringen niet af, aangezien uit die verklaringen niet volgt dat de onderwerpelijke schepen (na afbouw) geschikt zijn voor gebruik op zee, laat staan dat zij voor dergelijk gebruik zijn ontworpen en gebouwd. Naar het oordeel van het Hof is geen sprake van zeeschepen en moeten de scheepscasco’s naar gelang hun aard (tankschip, duwbak of motorvrachtschip) worden ingedeeld in postonderverdeling 8901 20 90 van de GN, 8901 90 91 van de GN, respectievelijk 8901 90 99 van de GN.

2.2.2.

Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat de Inspecteur niet op grond van artikel 220, lid 2, aanhef en letter b, van het CDW was gehouden af te zien van de boeking achteraf van de voor de scheepscasco’s meer verschuldigde douanerechten vanwege de hiervoor in 2.1.3 bedoelde aan [EEE] telefonisch verstrekte inlichting, ook niet indien zou komen vast te staan dat de desbetreffende ambtenaar [EEE] daarmee onjuist heeft geïnformeerd.

2.2.3.

Met betrekking tot de omstandigheid dat de op naam van belanghebbende ingediende aangiften door de jaren heen – zonder daadwerkelijke controle van de aangegeven casco’s – altijd in overeenstemming met de daarop vermelde gegevens zijn afgehandeld door de douane, heeft het Hof vastgesteld dat een vergelijking van de op het aangifteformulier opgegeven tariefpost met de uitdrukkelijke omschrijving van de goederen volgens de specificaties van de nomenclatuur de verkeerde tariefindeling niet aan het licht zou hebben gebracht. Voorts kan in dit kader het achterwege laten van controles van de aangiften de Inspecteur niet worden tegengeworpen aangezien, aldus het Hof, de Inspecteur tot medio 2011 geen risico’s heeft onderkend bij de invoer van scheepscasco’s. Naar het oordeel van het Hof kan vanwege deze omstandigheden niet worden gezegd dat sprake is geweest van een vergissing van de Inspecteur in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW en heeft belanghebbende bovendien niet voldaan aan de in diezelfde bepaling neergelegde voorwaarde dat aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte moet zijn voldaan.

2.2.4.

Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat de Inspecteur bij de controle van de hiervoor in 2.1.4 bedoelde aangifte niet heeft onderkend dat geen sprake was van een zeeschip, evenmin een vergissing vormt op grond waarvan belanghebbende een geslaagd beroep kan doen op het bepaalde in artikel 220, lid 2, aanhef en letter b, van het CDW. In dat kader heeft het Hof geoordeeld dat de afhandeling van de aangifte die [EEE] voor een andere importeur heeft gedaan, geen gedraging jegens belanghebbende vormt waaraan belanghebbende vertrouwen kan ontlenen. Bovendien beschikte de ambtenaar die de controle van dat casco heeft uitgevoerd uitsluitend over de aangiftegegevens met als goederenomschrijving enkel het woord ‘scheepscasco’, zodat, aldus het Hof, niet kan worden gezegd dat de ambtenaar zich heeft vergist doordat hij niet heeft onderkend dat geen sprake was van een zeeschip.

2.3.1.

Het eerste middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordelen van het Hof. Het middel betoogt dat het Hof aanvullende aantekening 1 van de GN op Hoofdstuk 89 van de GN onjuist heeft uitgelegd aangezien deze aantekening, in onderlinge samenhang bezien met de (laatste volzin van de) toelichting van de Europese Commissie op deze aanvullende aantekening, zo moet worden uitgelegd dat voor het aanmerken als zeeschip doorslaggevend is of het scheepscasco zeewaardig is, dat wil zeggen geschikt is om de zee te bevaren en niet of het compleet afgebouwde schip zeegaand is. In dit verband betoogt het middel voorts dat het Hof bij zijn beoordeling enkel acht had mogen slaan op de objectieve kenmerken en eigenschappen van de scheepscasco’s in de staat waarin zij ten tijde van de invoer verkeerden en niet mede op de objectieve eigenschappen en kenmerken van het schip dat op basis van het scheepscasco uiteindelijk door belanghebbende is opgeleverd.

2.3.2.

Hoofdstuk 89 van de GN heeft als opschrift “scheepvaart”. De tekst van post 8901 en de daartoe behorende onderverdelingen luiden:

“8901 Passagiersschepen, rondvaartboten, veerboten, vrachtschepen, aken en dergelijke schepen voor vervoer van personen of van goederen:

(…)

8901 20 - tankschepen:

8901 20 10 -- zeeschepen

8901 20 90 -- andere

(…)

8901 90 - andere schepen voor het vervoer
van goederen en andere schepen
die zowel bestemd zijn voor het
vervoer van personen als van
goederen:

8901 90 10 -- zeeschepen

-- andere:

8901 90 91 --- zonder mechanische voortbeweging

8901 90 99 --- met mechanische voortbeweging”.

2.3.3.

In de toelichting van de Werelddouaneorganisatie (hierna: de WDO) op Hoofdstuk 89 van het Geharmoniseerd Systeem voor de indeling van goederen (hierna: het GS) is – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“This Chapter covers ships, boats and other vessels of all kinds (whether or not self-propelled), (…)

The Chapter also includes:

(A) Unfinished or incomplete vessels (e.g., those not equipped with their propelling machinery, navigational instruments, lifting of handling machinery or interior furnishings).

(B) Hulls of any material.

Complete vessels presented unassembled or disassembled, and hulls, unfinished or incomplete vessels (whether assembled or not), are classified as vessels of a particular kind, if they have the essential character of that kind of vessel. In other cases, such goods are classified in heading 89.06.

Contrary to the provisions relating to the transport equipment falling in other Chapters of Section XVII, this Chapter excludes all separately presented parts (other than hulls) and accessories of vessels or floating structures, even if they are clearly identifiable as such. Such parts and accessories are classified in the appropriate headings elsewhere in
the Nomenclature, for example (…).”

2.3.4.

Aantekening 1 van de GN op Hoofdstuk 89 van de GN luidt als volgt:

“Schepen die niet compleet of niet afgewerkt zijn en scheepsrompen, ook indien in gedemonteerde of niet- gemonteerde staat, alsmede complete schepen in gedemonteerde of niet-gemonteerde staat, worden bij twijfel omtrent de soort van schepen waartoe zij behoren, onder post 8906 ingedeeld.”

2.3.5.

Aanvullende aantekening 1 van de GN op Hoofdstuk 89 van de GN luidt – voor zover van belang – als volgt:

“De onderverdelingen 8901 10 10, 8901 20 10, 8901 30 10, 8901 90 10 (…) hebben alleen betrekking op schepen, ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee en waarvan de grootste buitenwerks gemeten lengte van de romp (uitstekende delen niet medegerekend) 12m of meer is. (…).”

De toelichting van de Europese Commissie op aanvullende aantekening 1 op Hoofdstuk 89 van de GN luidt - voor zover van belang – als volgt:

“Als “schepen ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee” worden beschouwd de schepen die zodanig zijn gebouwd en uitgerust dat zij bij moeilijke weersomstandigheden (ongeveer windkracht 7 volgens de schaal van Beaufort) op zee kunnen verblijven.

(…)

Als ‘zeeschepen’ worden eveneens aangemerkt de vaartuigen (…) die aan bovenstaande voorwaarden voldoen, ook indien zij voornamelijk worden gebruikt in kustwateren, riviermondingen, op meren, enz.

(…).”

2.3.6.

Vooropgesteld wordt dat blijkens de toelichting van de WDO op Hoofdstuk 89 van het GS dit hoofdstuk niet alleen betrekking heeft op schepen - waaronder begrepen schepen waaraan delen ontbreken en schepen die niet zijn afgewerkt - maar ook op scheepsrompen, ongeacht het materiaal waarvan zij zijn vervaardigd. Voor scheepsrompen is algemene indelingsregel 2a van de GN niet nodig voor de indeling daarvan onder Hoofdstuk 89 van de GN.

In cassatie staat vast dat de scheepscasco’s scheepsrompen betreffen van een tankschip onderscheidenlijk van een ander type (vracht)schip voor het vervoer van goederen. Zij moeten mitsdien - anders dan waarvan het Hof bij zijn beoordeling is uitgegaan - met toepassing van algemene indelingsregels 1 en 6 van de GN worden ingedeeld onder een postonderverdeling van 8901 20 respectievelijk van 8901 90 van de GN.

2.3.7.

De Uniewetgever heeft voor de toepassing van het tarief van douanerechten bij zowel postonderverdeling 8901 20 als postonderverdeling 8901 90 van de GN een onderscheid gemaakt tussen zeeschepen en andere schepen. In dit verband heeft de Uniewetgever in aanvullende aantekening 1 op Hoofdstuk 89 van de GN bepaald dat (onder meer) postonderverdelingen 8901 20 10 en 8901 90 10 alleen betrekking hebben op schepen die zijn ontworpen en gebouwd voor de vaart in volle zee. Mede gelet op de hiervoor in 2.3.5 weergegeven toelichting van de Europese Commissie moet de zinsnede “voor de vaart in volle zee” – naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is – worden uitgelegd in de zin dat het desbetreffende schip geschikt moet zijn om ook bij – in die toelichting nader aangeduide - zware weersomstandigheden op volle zee te verblijven. Dit betekent voor tankschepen, vrachtschepen en dergelijke schepen voor het vervoer van goederen in het bijzonder dat zij – naar evenmin voor redelijke twijfel vatbaar is – alleen dan als zeeschip kunnen worden ingedeeld wanneer uit hun objectieve kenmerken en eigenschappen volgt dat deze zijn ontworpen en gebouwd om ook bij zware weersomstandigheden lading over volle zee te vervoeren. Hetgeen hiervoor in 2.3.6 is overwogen brengt mee dat ook scheepsrompen, om als zeeschip te worden ingedeeld, ten tijde van de invoer de objectieve kenmerken en eigenschappen moeten hebben waaruit blijkt dat zij zijn ontworpen en gebouwd om te dienen als romp van een schip dat bij zware weersomstandigheden lading over volle zee moet kunnen vervoeren.

2.3.8.

Aangezien het Hof bij de hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordelen ervan is uitgegaan dat algemene indelingsregel 2a van de GN van toepassing is, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Om te kunnen oordelen dat de scheepscasco’s niet zijn ontworpen en gebouwd voor de vaart op volle zee, moet vaststaan dat de scheepscasco’s ten tijde van de invoer niet beschikten over de objectieve kenmerken en eigenschappen om als romp te dienen van een schip dat bij zware weersomstandigheden lading over volle zee kan vervoeren. Opmerking verdient dat uit de certificaten op zichzelf niet volgt dat de scheepscasco’s niet als zeeschepen kunnen worden ingedeeld in postonderverdeling 8901 20 10 onderscheidenlijk postonderverdeling 8901 90 10. De certificaten bevestigen weliswaar dat de casco’s geschikt zijn voor de binnenvaart, maar zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet begrijpelijk waarom dat de conclusie rechtvaardigt dat de scheepscasco’s niet zijn ontworpen of gebouwd om te dienen als romp van een zeeschip.

Op grond van dit een en ander slaagt het eerste middel.

2.4.1.

Het tweede middel, dat is gericht tegen de hiervoor in 2.2.2 tot en met 2.2.4 weergegeven oordelen van het Hof, betoogt dat elk van de door het Hof in aanmerking genomen gedragingen van de douane, zo niet zelfstandig, dan toch in onderlinge samenhang bezien, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2014, nr. 12/05525, ECLI:NL:HR:2014:1468, BNB 2014/213 (hierna: het arrest BNB 2014/213), een vergissing vormt als bedoeld in artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW.

2.4.2.

Voor zover het tweede middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof, wordt het volgende overwogen.

In de procedure voor het Hof is niet komen vast te staan dat de in 2006 aan [EEE] verstrekte inlichting een actieve gedraging vormde in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW. Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat dit het geval is en de desbetreffende ambtenaar op basis van alle relevante feiten een onjuiste inlichting heeft verstrekt, heeft het volgende te gelden.

In het Unierecht is een speciale regeling getroffen – in de onderhavige periode neergelegd in artikel 12 van het CDW – op grond waarvan een aangever aan een op zijn verzoek voorafgaand aan het doen van een douaneaangifte verstrekte bindende tariefinlichting het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat een boeking (achteraf) van een douaneschuld achterwege zal blijven. Ingevolge artikel 220, lid 2, aanhef en letter b, eerste alinea, van het CDW in samenhang gelezen met artikel 217, tweede alinea, letter b, van het CDW blijft boeking (achteraf) van een douaneschuld achterwege in het geval de douaneautoriteiten – kort gezegd – een bindende tariefinlichting hebben verstrekt. Het is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat de hiervoor bedoelde bepalingen meebrengen dat geen zekerheid wordt verkregen dat boeking achteraf wegens een correctie van een onjuiste tariefindeling achterwege zal blijven, indien de douaneautoriteiten enige andere inlichting omtrent de tariefindeling van een goed hebben gegeven.

Het tweede middel faalt derhalve in zoverre.

2.4.3.

Voor zover het tweede middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel van het Hof, kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.4.4.

Voor zover het tweede middel is gericht tegen het hiervoor in 2.2.4 weergegeven oordeel van het Hof, faalt het middel eveneens. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat het - na het onderzoeken van het desbetreffende casco - volgen van de tariefpost die was opgegeven in de hiervoor in 2.1.4 bedoelde aangifte, die [EEE] – douane-expediteur - in opdracht van een andere importeur dan belanghebbende heeft gedaan, een actieve gedraging in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW vormt, is die gedraging eenmalig geweest. Aan een dergelijke eenmalige actieve gedraging kan een douane-expediteur als ervaren marktdeelnemer niet vertrouwen als bedoeld in die bepaling ontlenen voor alle daarna gedane aangiften voor identieke of soortgelijke goederen(vgl. HR 20 juni 2014, nr. 12/02517, ECLI:NL:HR:2014:1466, BNB 2014/212, rechtsoverweging 3.4.4, het arrest BNB 2014/213, rechtsoverweging 3.4.5, en HR 29 mei 2015, nr. 14/00105, ECLI:NL:HR:2015:1354, BNB 2015/147, rechtsoverweging 2.3.2).

2.4.5.

Voor zover het tweede middel voor het overige erover klaagt dat het Hof had moeten beoordelen of alle door belanghebbende voor het Hof aangevoerde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, voldoende grondslag bieden voor een geslaagd beroep op het bepaalde in artikel 220, lid 2, aanhef en letter b, van het CDW, wordt het volgende overwogen.

In een beoordeling als hiervoor bedoeld moeten alleen die gedragingen van de douaneautoriteiten worden betrokken die een ‘actieve gedraging’ vormen in de zin van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ook indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat de hiervoor in 2.2.2 en 2.2.4 vermelde gedragingen actieve gedragingen zijn geweest, vormen zij ook tezamen onvoldoende grondslag voor een gewettigd vertrouwen bij een beroepsaangever als [EEE], wiens expertise en ervaring als douane-expediteur aan belanghebbende moet worden toegerekend, dat voor de toepassing van de GN de scheepscasco’s als zeeschepen kunnen worden beschouwd. Het tweede middel voor het overige faalt mitsdien ook.

2.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.8 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 15/02967 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Door het Hof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten in verband met de behandeling van het geding voor het Hof, alsmede voor de Rechtbank, een vergoeding dient te worden toegekend.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding terug naar het Hof ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 3342, derhalve € 1671, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.