Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1163

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
16/00705
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:543, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:270
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

D.m.v. ‘babbeltrucs’ uit huizen van bejaarde en kwetsbare mensen bankpassen ontvreemden en vervolgens met die bankpassen en bijbehorende pincodes bij pinautomaten geldbedragen opnemen of betalingen doen. Uitleg tll door hof (de onderdelen van feit 2 zijn aan verdachte ook als functioneel dader tlgd) en bewijs medeplegen. HR: art. 81.1 RO. CAG: Omdat het bewust nauw en volledig samenwerken uit de b.m. kan worden afgeleid, dient het arrest te worden gelezen zonder de verwijzing naar het functionele daderschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/791
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 juni 2017

Strafkamer

nr. S 16/00705

LBS/SSA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 19 januari 2016, nummer 23/002741-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze 34 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2017.