Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1146

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
16/02964
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:157, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:532, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafrecht. Kort geding. Is recht op tenuitvoerlegging opgelegde straf vervallen door verjaring? Overgangsrecht Wet van 19 januari 1989, Stb. 1989, 7. Verband tussen vervolgings- en executieverjaring (art. 76 Sr).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

23 juni 2017

Eerste Kamer

16/02964

LZ/JS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Veiligheid en Justitie),
zetelende te Den Haag,

EISER tot cassatie,

advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en mr. G.C. Nieuwland,

t e g e n

[verweerder] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. J. van Weerden.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de Staat en [verweerder] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/09/462881/HA ZA 14-398 van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2014 en 12 november 2014;

b. het arrest in de zaak 200.164.665/01 van het gerechtshof Den Haag van 9 februari 2016.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de Staat althans tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 12 november 2014 en tot alsnog afwijzing van de vorderingen van de veroordeelde.

De advocaat van [verweerder] heeft bij brief van 28 april 2017 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij vonnis van 15 juni 1988 is [verweerder] door de rechtbank Breda veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren ter zake van medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, lid 1 onder A (oud) van de Opiumwet gegeven verbod en overtreding van een voorschrift vastgesteld bij of krachtens de Vuurwapenwet 1919. In hoger beroep is hij op 12 januari 1989 bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren. Dit arrest is onherroepelijk geworden doordat [verweerder] op 2 maart 1989 het door hem ingestelde beroep in cassatie heeft ingetrokken.

(ii) Gedurende de strafrechtelijke procedure bevond [verweerder] zich in voorlopige hechtenis. Aansluitend is de opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer gelegd. De tenuitvoerlegging van deze straf is geschorst geweest van 4 tot 7 november 1989, na ommekomst waarvan [verweerder] zich aan de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf heeft onttrokken.

(iii) Op 16 november 2012 is [verweerder] aangehouden in Duitsland. Hij is op 12 december 2012 aan Nederland overgeleverd, waarna de executie van de gevangenisstraf is hervat. Tijdens een hem op 12 mei 2013 verleend verlof heeft [verweerder] zich opnieuw aan de tenuitvoerlegging van zijn straf onttrokken. Sindsdien staat hij internationaal gesignaleerd.

3.2.1

In dit geding heeft [verweerder] gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de hem opgelegde gevangenisstraf niet meer ten uitvoer kan worden gelegd en dat de Staat wordt verboden tot verdere executie van deze straf over te gaan. Daarnaast heeft hij gevorderd een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door hem in 2012 en 2013 in detentie te houden, een bevel tot intrekking van voormelde internationale signalering en vergoeding van de door hem hierdoor geleden (immateriële) schade. Aan zijn vorderingen heeft [verweerder] ten grondslag gelegd dat op grond van art. 76 Sr de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van dit strafvonnis was verjaard voordat hij in Duitsland werd aangehouden.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de bevoegdheid van de Staat tot tenuitvoerlegging van de straf in 2005 is verjaard. Zij heeft de vorderingen toegewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe onder meer het volgende overwogen (rov. 12):

“De vervolgingsverjaring en de executieverjaring zijn, naar de Staat terecht betoogt, twee van elkaar te onderscheiden vormen van verjaring. Ook als de executieverjaring om louter pragmatische redenen, zoals de Staat aanvoert, is gekoppeld aan de vervolgingsverjaring, neemt dat echter niet weg dat er een koppeling bestaat tussen de vervolgingsverjaring en de executieverjaring in die zin dat de termijn van de executieverjaring louter wordt bepaald door de termijn van de vervolgingsverjaring (vermeerderd met een derde) en daarvan dus direct afhankelijk is gemaakt. Dat brengt mee dat een verlenging van de termijn van vervolgingsverjaring leidt tot een verlenging van de termijn van executieverjaring en dat, omgekeerd, zolang de termijn van de vervolgingsverjaring niet is verlengd, ook de termijn van de executieverjaring, die daarvan immers afhankelijk is, niet is verlengd. Hoewel de Staat er terecht op wijst dat in artikel VI van de wet van 19 januari 1989 sprake is van strafbare feiten die gepleegd zijn voordat de wet in werking is getreden en dat dit artikel niet spreekt over de executieverjaring, laat dat de wettelijke afhankelijkheid van de executieverjaring van de vervolgingsverjaring onverlet. Ook de wetsgeschiedenis geeft geen aanleiding tot de gedachte dat de wetgever, ondanks de bestaande wettelijke koppeling van de executieverjaring aan de vervolgingsverjaring, de consequentie die uit artikel VI van de wet van 19 januari 1989 noodzakelijkerwijs volgt voor de executieverjaring, niet heeft gewild. Het feit dat de overgangsbepaling in het leven is geroepen om eventuele strijd met het bepaalde in artikel 1 Sr. te voorkomen steunt weliswaar de stelling van de Staat dat de wetgever niet het oog heeft gehad op de executieverjaring, maar dat is niet doorslaggevend gelet op de afhankelijkheid van de executieverjaring van de vervolgingsverjaring die uit artikel 76 Sr volgt. Uit de wetsgeschiedenis is niet af te leiden dat de wetgever van de wettelijke koppeling heeft willen afwijken en de termijn van de executieverjaring los van de vervolgingsverjaringstermijn wél heeft willen verlengen.”

3.3

Het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat het recht van de Staat tot tenuitvoerlegging van de opgelegde straf is verjaard. Het betoogt dat de overgangsbepaling in art. VI van de Wet van 19 januari 1989, Stb. 1989, 7 die leidde tot aanpassing van art. 70 Sr, niet van toepassing is op de verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging van de in 1989 opgelegde straf, nu die overgangsbepaling slechts met betrekking tot de verjaring van het recht tot vervolging van strafbare feiten die zijn gepleegd voor inwerkingtreding van de wet, een uitzondering maakt op de onmiddellijke werking van de wetswijziging.

3.4.1

Art. 76 Sr bepaalt dat het recht tot uitvoering van de straf of maatregel vervalt door verjaring en dat de termijn van deze verjaring een derde langer is dan de (in art. 70 Sr bepaalde) termijn van verjaring van het recht tot strafvordering (vervolgingsverjaring). Op grond van art. 76a Sr vangt de termijn van verjaring aan op de dag na die waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd (eerste lid). Bij ongeoorloofde afwezigheid van een veroordeelde die zijn straf in een inrichting ondergaat, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op de dag na die waarop de ongeoorloofde afwezigheid aanving (tweede lid).

Tot de inwerkingtreding, op l maart 1989, van de hierna te vermelden wet was in art. 70, eerste lid onder 3º, (oud) Sr opgenomen dat het recht tot strafvordering vervalt door verjaring, in twaalf jaar voor misdrijven waarop een tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld. De door [verweerder] overtreden strafbepaling kende als sanctie een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaar, zodat het recht tot tenuitvoerlegging van de straf op grond van art. 76 Sr door verjaring zou vervallen na ommekomst van zestien jaar na aanvang van die verjaring. Dit brengt mee dat de verjaring zestien jaar nadat [verweerder] zich aan de tenuitvoerlegging onttrok, zou zijn voltooid, dus op 8 november 2005.

3.4.2

Bij Wet van 19 januari 1989, Stb. 1989, 7 (hierna: de wet van 1989) werd art. 70 Sr echter aangepast in die zin dat aan het eerste lid onder 4º, is toegevoegd: “in vijftien jaren voor misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan tien jaren is gesteld”. In aanmerking genomen dat de in art. 70, eerste lid onder 4º, Sr bedoelde termijn van vervolgingsverjaring van 15 jaar met ingang van 1 januari 2006 opnieuw is verlengd, en wel tot 20 jaar (Wet van 15 november 2005, Stb. 2015, 572), zou in de gegeven omstandigheden – en gelet op het uitgangspunt dat ook voor de verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging geldt dat een verandering van wetgeving onmiddellijke werking heeft met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd (vgl. Hoge Raad 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1998, NJ 2010/231) – het recht tot tenuitvoerlegging van de straf niet verjaard zijn indien voornoemde wetswijziging van 1989 van toepassing is op de verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging van de in het onderhavige geval aan [verweerder] opgelegde straf.

3.4.3

De op de wijziging van art. 70 Sr betrekking hebbende overgangsbepaling in de wet van 1989, art. VI, luidt:

“Artikel I van deze wet is niet van toepassing op strafbare feiten waarop een gevangenisstraf staat van meer dan tien jaar, maar minder dan levenslang, die gepleegd zijn voordat deze wet in werking treedt.”

De geschiedenis van de totstandkoming van de wet van 1989 houdt – voor zover in cassatie van belang – het volgende in:

“Voorts constateert het artikel dat in het wetsvoorstel een bepaling over het overgangsrecht ontbreekt. Een punt van discussie is of het overgangsrecht van artikel 1, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is op de regels over verjaring. Zoals in het artikel wordt geconstateerd, bestaan hier in de dogmatiek twee verschillende opvattingen over. De ene zegt dat de verjaring tot het materiële recht behoort, waarop artikel 1, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht zonder meer van toepassing is, terwijl de andere opvatting de verjaring tot het formele recht rekent, waarop het overgangsrecht ingevolge artikel 1, lid 2, van bovengenoemd wetboek niet van toepassing is. Het behoort niet tot de taak van de regering hierover in het algemeen een standpunt in te nemen. Om eventuele misverstanden over de vraag welke verjaringstermijn van toepassing is te voorkomen, stellen wij bij nota van wijziging voor te bepalen dat de voorgestelde wijziging van artikel 70 niet van toepassing is op misdrijven waarop een gevangenisstraf staat van meer dan tien jaar, maar minder dan levenslang, die gepleegd zijn voordat deze wet in werking treedt.” (Kamerstukken II 1986/1987, 19020, nr. 5, p. 8)

3.4.4

Noch uit de bewoordingen van art. VI van de wet van 1989, waarin wordt aangeknoopt bij de pleegdatum van strafbare feiten, noch uit de hiervoor aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis, blijkt dat de wetgever heeft beoogd aan de uitzondering die in deze overgangsbepaling wordt gemaakt op het uitgangspunt van onmiddellijke werking een verdere reikwijdte toe te kennen dan de verjaring van het recht tot strafvordering. De in de wetsgeschiedenis genoemde grond voor deze uitzondering – kort gezegd: de wens mogelijke uit art. 1, tweede lid, Sr voortvloeiende complicaties uit de weg te gaan – duidt er juist op dat de wetgever niet meer heeft beoogd dan het recht tot strafvordering met betrekking tot (reeds gepleegde) strafbare feiten uit te zonderen van de werking van de gewijzigde verjaringstermijn. Een en ander brengt mee dat er geen goede grond is aan te nemen dat voornoemde overgangsbepaling in de weg staat aan de toepassing van de bij de wet van 1989 gewijzigde inhoud van art. 70 Sr ter bepaling van de termijn van verjaring van het recht tot tenuitvoerlegging van de straf in het onderhavige geval. De enkele omstandigheid dat de wet bepaalt dat de duur van die termijn in het algemeen een derde langer is dan de termijn van verjaring van het recht tot strafvordering, leidt niet tot een ander oordeel.

3.5

Het bestreden arrest kan niet in stand blijven.
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Naar het hof (in rov. 9), in cassatie – terecht – niet bestreden, heeft overwogen, geldt, in het zich hier dus voordoende geval dat door de wetswijziging van 1989 de termijn van de executieverjaring is verlengd tot 20 jaar, dat deze termijn voordat zij op 8 november 2009 zou zijn verstreken, door inwerkingtreding van de eerdergenoemde wet van 15 november 2005 op 1 januari 2006 is verlengd tot 26 jaar en 243 dagen en dat het recht tot tenuitvoerlegging ten tijde van de aanhouding van [verweerder] op 16 november 2012 dus niet door verjaring was vervallen.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 9 februari 2016;

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag van 12 november 2014;

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot:

in eerste aanleg op € 608,00 aan verschotten en € 904,00 voor salaris,

in hoger beroep op € 805,19 aan verschotten en € 894,00 voor salaris,

in cassatie op € 960,26 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma, V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 23 juni 2017.