Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:110

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
16/02831
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1434, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:2444, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHAMS:2017:5529
Procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHARL:2018:3472
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging (art. 350 Fw) zonder schone lei. Zijn de tekortkomingen aan de schuldenaar toerekenbaar (art. 354 Fw)? Nalatigheid bewindvoerder om aanvragen van beschermingsbewind “nauwgezet te monitoren”; gevolgen voor het verloop van de schuldsanering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/316
NJ 2017/76
JWB 2017/30
RvdW 2017/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 januari 2017

Eerste Kamer

16/02831

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoekster],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi.

Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/10/13/279 R van de rechtbank Rotterdam van 17 maart 2016;

b. het arrest in de zaak 200.188.219/01 van het gerechtshof Den Haag van 24 mei 2016.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend cassatierekest zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

De rechtbank heeft [verzoekster] op 13 maart 2013 toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. In het verzoekschrift tot toelating is onder meer vermeld dat zij een alleenstaande vrouw van 61 jaar is, dat zij depressief is en dat zij voor 70% arbeidsongeschikt is.

3.2.1

De rechter-commissaris heeft een voordracht gedaan tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Grond daarvoor was een tekortkoming in de informatieverplichting en een boedelachterstand.

Bij de eerste mondelinge behandeling van deze voordracht was [verzoekster] ziek en is namens de bewindvoerder onder meer verklaard “dat mevrouw het niet kan” en dat beschermingsbewind een goede optie zou zijn, maar de bewindvoerder haar daartoe niet kan dwingen. Bij de tweede mondelinge behandeling van dat verzoek was de bewindvoerder niet aanwezig en [verzoekster] wel, zonder advocaat. Zij heeft toen onder meer het volgende gezegd:

“Het gaat niet goed met me. Ik ben depressief en ik heb een burn-out. Soms komt het niet aan wat iemand tegen mij zegt. (…) De bewindvoerder heeft tegen mij gezegd dat beschermingsbewind misschien een goed[e] optie is voor mij maar ik weet niet precies wat dat is.”

3.2.2

Bij vonnis van 3 april 2015 heeft de rechtbank de voordracht tot tussentijdse beëindiging afgewezen en daarbij het volgende overwogen:

“De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat schuldenares één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren is nagekomen, aangezien schuldenares haar informatieverplichting niet naar behoren is nagekomen en er sprake is van een boedelachterstand van € 2.092,-. Er is daarom in beginsel aanleiding de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen.

Door schuldenares zijn echter omstandigheden aangevoerd waardoor de rechtbank van oordeel is dat het niet naar behoren nakomen van de informatieverplichting en het laten ontstaan van een boedelachterstand niet geheel verwijtbaar is aan schuldenares. Gebleken is dat schuldenares door haar leeftijd en psychische gesteldheid grote moeite heeft met het doen van haar administratie.
De rechtbank is van oordeel dat het aanvragen van beschermingsbewind noodzakelijk is voor schuldenares om de schuldsaneringsregeling succesvol te doorlopen en om financiële problemen in de toekomst (ook na beëindiging van de schuldsaneringsregeling) te voorkomen. Met behulp
van een beschermingsbewindvoerder kan schuldenares immers de boedelachterstand aanzuiveren alsmede de ontbrekende informatie opsturen naar de bewindvoerder.

De rechtbank is van oordeel dat het erop lijkt dat de schuldenares niet bij machte is om de verplichtingen na te komen en zal schuldenares daarom een laatste kans geven om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen onder de voorwaarde dat schuldenares zo spoedig mogelijk beschermingsbewind aanvraagt. De rechtbank verzoekt de bewindvoerder nauwgezet (…) te monitoren dat schuldenares deze voorwaarde naleeft.

Alle uit de regeling voortvloeiende de verplichtingen moeten in het vervolg door schuldenares stipt worden nakomen, om een (tussentijdse) beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder schone lei te voorkomen.”

3.2.3

De bewindvoerder heeft een eindverslag ingediend en daarin geadviseerd geen schone lei te verlenen, omdat er naast een (zij het inmiddels veel geringere) boedelachterstand, van inmiddels € 148,09, nieuwe schulden waren ontstaan, te weten terugvorderingsaanslagen met betrekking tot huur- en zorgtoeslagen over het jaar 2014 van € 3.268,-- respectievelijk € 267,--, terwijl er over 2015 ook dergelijke terugvorderingen waren te verwachten.

3.2.4

De rechtbank heeft de schuldsanering beëindigd zonder schone lei op grond van het laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden en het niet aanvragen van een beschermingsbewind. Deze tekortkomingen achtte de rechtbank toerekenbaar omdat [verzoekster] na het verhoor door de rechter-commissaris en de behandeling van de eerdere voordracht tot tussentijdse beëindiging, van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling goed op de hoogte moest zijn geweest.

3.2.5

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en daartoe het volgende overwogen.

“4. Het hof stelt voorop dat van personen ten aanzien van wie de schuldsanering is uitgesproken mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste inspannen om te voldoen aan de daaraan verbonden verplichtingen. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van deze verplichtingen. Daartoe overweegt het hof dat [verzoekster] nieuwe bovenmatige schulden heeft laten ontstaan bij de Belastingdienst betreffende de terugvordering van huur- en zorgtoeslag 2014 met een gezamenlijke omvang van circa € 3.500,-. Ook over – in ieder geval – 2015 valt een terugvordering van voornoemde toeslagen te verwachten, indien juist is dat de toeslagen eind 2015 door [verzoekster] zijn stopgezet, zoals zij ter zitting heeft verklaard. Het is aan [verzoekster] te wijten dat zij deze nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Op haar rust immers de verantwoordelijkheid om de belastingdienst juist te informeren over haar situatie.

De rechtbank heeft [verzoekster] bij vonnis van 3 april 2015 een laatste kans (…) geboden om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen, waarbij als voorwaarde is gesteld dat [verzoekster] beschermingsbewind dient aan te vragen om verdere financiële problemen, zowel tijdens als na de schuldsaneringsregeling, te voorkomen. Aan die voorwaarde heeft [verzoekster] zich niet gehouden aangezien er geen aanvraag tot beschermingsbewind is gedaan. Het standpunt van [verzoekster] – dat de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend omdat zij niet begreep wat van haar werd verlangd – doet er niet aan af dat het (…) op haar weg had gelegen om in dat geval hulp/bijstand in te schakelen, bijvoorbeeld via haar budgetbeheerder, hetgeen zij heeft nagelaten. Dat [verzoekster] ook daartoe vanwege haar leeftijd en psychische gesteldheid niet in staat was, is onvoldoende aannemelijk geworden. De rapportages van het UWV van 25 november 2009 en 18 januari 2011 bieden daartoe onvoldoende aanknopingspunten en andere stukken die het standpunt van [verzoekster] zouden kunnen onderbouwen, ontbreken.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat [verzoekster] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de schuldsaneringsverplichtingen en dat alle omstandigheden in aanmerking nemende geen sprake is van een tekortkoming die vanwege de bijzondere aard of geringe betekenis ervan buiten beschouwing kan worden gelaten.”

3.3.1

Het middel klaagt onder I.2 dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op grief 2 van [verzoekster]. Die grief hield in dat de rechtbank heeft miskend dat het op grond van het vonnis van 3 april 2015 op de weg van de bewindvoerder had gelegen om nauwgezet te monitoren dat [verzoekster] de voorwaarde van het aanvragen van beschermingsbewind naleeft en dat de bewindvoerder haar in dat kader ook had moeten informeren wat beschermingsbewind inhoudt en hoe zij dat in gang kon zetten. Nu de bewindvoerder dat niet heeft gedaan, maar [verzoekster] aan haar lot heeft overgelaten, is het niet aanvragen van het beschermingsbewind volgens grief 2 niet volledig aan [verzoekster] te wijten. Onder I.3 betoogt het middel dat de nieuwe schulden alleen aan [verzoekster] hadden kunnen worden toegerekend als het achterwege laten van de beschermingsbewindaanvraag haar zou zijn toe te rekenen. Omdat het hof die vraag niet in ogenschouw heeft genomen, is zijn oordeel dat de nieuwe schulden een toerekenbare tekortkoming opleveren onbegrijpelijk.

3.3.2

Deze klacht komt erop neer dat het hof zijn oordeel dat de geconstateerde tekortkomingen [verzoekster] kunnen worden toegerekend onvoldoende heeft gemotiveerd doordat het de gestelde nalatigheid van de bewindvoerder om de aanvraag van een beschermingsbewind “nauwgezet te monitoren” niet bij zijn oordeel heeft betrokken. De klacht is gegrond.

In het hiervoor onder 3.2.2 weergegeven vonnis heeft de rechtbank het aanvragen van beschermingsbewind door [verzoekster] als voorwaarde gesteld om de schuldsaneringsregeling te kunnen voortzetten. De rechtbank heeft de bewindvoerder verzocht om “nauwgezet te monitoren” dat [verzoekster] deze voorwaarde naleeft. [verzoekster] werd op dat moment niet bijgestaan door een advocaat.

De rechtbank achtte het beschermingsbewind nodig voor een succesvolle voortzetting van de schuldsaneringsregeling, gezien de persoon en de psychische toestand van [verzoekster]. Die toestand maakte dat de op dat moment bestaande tekortkomingen [verzoekster], in de woorden van de rechtbank, “niet geheel toerekenbaar” waren. Onder deze omstandigheden kon het hof niet tot het oordeel komen dat de ten tijde van de beëindiging van de schuldsaneringsregeling ontstane nieuwe schulden en het niet aanvragen van een beschermingsbewind aan [verzoekster] konden worden toegerekend, zonder daarbij in te gaan op het gestelde niet nakomen door de bewindvoerder van haar verplichting om het aanvragen van een beschermingsbewind “nauwgezet te monitoren” en op de gestelde gevolgen van het niet tot stand komen van het beschermingsbewind voor het verdere verloop van de schuldsaneringsregeling.

3.4

De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 mei 2016;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 januari 2017.