Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:108

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
27-01-2017
Zaaknummer
16/04851
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1433, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

BOPZ. Verzoek om (voorwaardelijk) ontslag; art. 47-49 Wet Bopz. Verzoek om contra-expertise.

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 8
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/166
NJB 2017/318
NJ 2017/65
JWB 2017/28
RFR 2017/69
JVGGZ 2017/13
GZR-Updates.nl 2017-0048
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 januari 2017

Eerste Kamer

16/04851

TT/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[betrokkene],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Weerden,

t e g e n

DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT MIDDEN-NEDERLAND,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 609955/FA RK 16.4044 van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2016.

De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur- Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Amsterdam.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Betrokkene verbleef ten tijde van het hierna onder (v) te noemen verzoek in de Dr. Henri van der Hoeven-kliniek te Utrecht op grond van een op 27 januari 2016 verleende machtiging tot voortzetting van een verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.

(ii) Bij brief van 18 april 2016 heeft betrokkene de geneesheer-directeur van dat ziekenhuis verzocht hem uit het psychiatrisch ziekenhuis te ontslaan.

(iii) Op 25 april 2016 heeft de geneesheer-directeur het ontslagverzoek afgewezen.

(iv) Op 9 mei 2016 heeft betrokkene op de voet van art. 49 lid 3 Wet Bopz de officier van justitie verzocht omtrent de afwijzing van het ontslagverzoek de beslissing van de rechter te verzoeken.

(v) Op 19 mei 2016 heeft de officier van justitie de rechtbank Midden-Nederland verzocht een beslissing te geven op het door betrokkene verzochte ontslag.

(vi) Nadat betrokkene was overgeplaatst naar een psychiatrisch ziekenhuis in Amsterdam, heeft de officier van justitie op 13 juni 2016 de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) verzocht een beslissing te geven omtrent het ontslagverzoek.

3.2.1

De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 29 juni 2016, in aanwezigheid van onder meer betrokkene en zijn advocaat. De advocaat heeft tijdens de mondelinge behandeling primair verzocht om voorwaardelijk ontslag van betrokkene uit het ziekenhuis en subsidiair om een contra-expertise.

3.2.2

Bij beschikking van 29 juni 2016 heeft de rechtbank het verzoek om ontslag, het verzoek om voorwaardelijk ontslag alsmede het verzoek om een contra-expertise afgewezen. Met betrekking tot laatstgenoemd verzoek heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“Een contra-expertise is bedoeld wanneer twijfel kan bestaan over de aanwezigheid van een geestesstoornis. De rechtbank is van oordeel dat daar in dit geval geen sprake van is. De bij betrokkene reeds jaren geleden vastgestelde geestesstoornis wordt door de ter zitting aanwezige geneesheer-directeur, psychiater en afdelingsassistent, onafhankelijk van elkaar, bevestigd.”

3.3.1

Onderdeel 2 komt op tegen de afwijzing van het verzoek om een contra-expertise en klaagt onder meer dat de rechtbank met haar hiervoor in 3.2.2 weergegeven overweging art. 48 lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz heeft miskend.

3.3.2

De klacht is gegrond. De rechtbank heeft miskend dat de rechter niet alleen een onderzoek door een deskundige kan bevelen met betrekking tot de vraag of bij de betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens, maar ook (onder meer) met betrekking tot de vragen of de stoornis van de geestvermogens betrokkene gevaar doet veroorzaken en of het gevaar door tussenkomst van personen of instellingen buiten het psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend (art. 48 lid 1, aanhef en onder a, Wet Bopz).

3.4

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2016;

wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 januari 2017.