Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1078

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
15/04563
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:436, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:7281, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bewijsklachten betreffende 1. het niet melden van verdachte transacties bij de FIOD-ECD; art. 2 Wet voorkoming misbruik chemicaliƫn en 2. handel in chemische stoffen die kunnen worden gebruikt voor de productie dan wel de bewerking of verwerking van drugs (strafbare voorbereidingshandelingen); art. 10.4 jo. 10a Opiumwet. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/04938 en 16/01184 (niet gepubliceerde zaken die zijn afgedaan met art. 80a RO).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/707
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2017

Strafkamer

nr. S 15/04563

DFL

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 23 september 2015, nummer 21/003082-12, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2017.