Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1077

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
16/04788
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:435, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mishandeling van echtgenote, art. 300.1 jo. 304.1 Sr. Betekenis in tll. gebezigde uitdrukking “mishandeling”. HR herhaalt vooropstelling uit ECLI:NL:HR:2014:2677 m.b.t. de uitleg van het begrip “mishandeling”. Onder “mishandeling” i.d.z.v. art. 300 Sr moet derhalve worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede – onder omstandigheden – het opzettelijk bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, e.e.a. zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. Het Hof heeft door het tlgd. bewezen te verklaren niet een met de wet strijdige betekenis toegekend aan de daarin voorkomende term “mishandeld” en het heeft het bewezenverklaarde terecht gekwalificeerd als “mishandeling”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/718
TPWS 2017/73
SR-Updates.nl 2017-0273 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2017

Strafkamer

nr. S 16/04788

CB/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 oktober 2015, nummer 20/003991-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof een onjuiste betekenis heeft toegekend aan de in de tenlastelegging gebezigde uitdrukking "mishandeling".

2.2.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 8 september 2014 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen, zijn echtgenote, [slachtoffer], heeft mishandeld door haar te slaan en aan de haren de trap af te slepen, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft bekomen."

2.3.1.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 300, eerste lid, Sr, luidend: "mishandeling wordt gestraft met (...)", in verbinding met art. 304 Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende term "mishandeld" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als toekomt aan de uitdrukking "mishandeling" in art. 300 Sr.

2.3.2.

Omtrent de uitleg van dit begrip "mishandeling" houdt HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2677, NJ 2014/402 het volgende in:

"De strafbaarstelling van mishandeling in onder meer art. 300 Sr strekt ter bescherming van de lichamelijke integriteit. Blijkens de wetsgeschiedenis (...) is de aanvankelijke strafbedreiging van art. 300 Sr tegen hem "die door eenige daad aan een ander opzettelijk ligchamelijk leed toebrengt of opzettelijk diens gezondheid benadeelt" in de loop van het wetgevingsproces vervangen door de strafbaarstelling van "mishandeling" teneinde - kort gezegd - twijfels weg te nemen in verband met de taalkundige juistheid van de uitdrukking 'ligchamelijk leed' en de niet-strafbaarheid van bepaalde vormen van toebrengen van lichamelijk leed. Niet blijkt echter van een wijziging van opvatting ten aanzien van de reikwijdte van wat oorspronkelijk was omschreven als het opzettelijk toebrengen van lichamelijk leed of het opzettelijk benadelen van de gezondheid. Gelet op dit een en ander moet onder 'mishandeling' in de zin van genoemde bepaling niet alleen worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn - zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl. HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6690, NJ 2011/466) - maar onder omstandigheden ook het bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam (vgl. HR 11 februari 1929, NJ 1929, p. 503 en HR 12 december 1967, NJ 1970, 314)."

2.3.3.

Onder "mishandeling" in de zin van art. 300 Sr moet derhalve worden verstaan het opzettelijk aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn, het opzettelijk benadelen van de gezondheid alsmede - onder omstandigheden - het opzettelijk bij een ander teweegbrengen van een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording in of aan het lichaam, een en ander zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat.

2.4.

Anders dan het middel betoogt, heeft het Hof door het tenlastegelegde bewezen te verklaren niet een met de wet strijdige betekenis toegekend aan de daarin voorkomende term "mishandeld" en heeft het vervolgens het bewezenverklaarde terecht gekwalificeerd als "mishandeling" (begaan tegen zijn echtgenote).

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het derde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het eerste middel

4.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2.

Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2017.