Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1075

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
13-06-2017
Zaaknummer
15/04337
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:323, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:6566, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Achterdeurproblematiek bij het bedrijfsmatig telen van hennep in Bierum en Bellingwolde t.b.v. gedoogde coffeeshops. Beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid. De opvatting dat aan de bewezenverklaarde gedragingen de wederrechtelijkheid ontvalt doordat hennepteelt uitsluitend plaatsvindt volgens een verantwoord, niet op winstbejag gericht productieproces t.b.v. de levering aan gedoogde coffeeshops, waarbij o.m. verschuldigde belasting wordt betaald, goede kwaliteit wordt geleverd en geen overlast wordt veroorzaakt, is onjuist. De omstandigheid dat de vraag of de levering van hennep aan gedoogde coffeeshops onder bepaalde (vergunnings-)voorwaarden gedoogd zou kunnen worden onderwerp is van maatschappelijk en politiek debat, leidt niet tot een ander oordeel. Samenhang met 15/04336.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TPWS 2017/72
RvdW 2017/705
NJB 2017/1407
SR-Updates.nl 2017-0269
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2016

Strafkamer

nr. S 15/04337

MD/SA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 9 september 2015, nummer 21/006217-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping van het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1.

Hij in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 27 juni 2011, te Bierum, tezamen en in vereniging met een ander (telkens) opzettelijk in de uitoefening van bedrijf heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, in een pand aan [a-straat 1] te Bierum, hoeveelheden van in totaal 800 hennepplanten en 200 hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

Hij op 10 maart 2010 te Bellingwolde, opzettelijk in de uitoefening van bedrijf heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, in een pand aan [b-straat 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 296 hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

3.

Hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 17 augustus 2010, te Bierum, tezamen en in vereniging met een ander, (telkens) opzettelijk in de uitoefening van bedrijf telkens heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, in een pand aan de [a-straat 1]

- hoeveelheden van in totaal ongeveer 7770 gram henneptoppen en

- ongeveer 353 hennepplanten en

- ongeveer 435 hennepstekken en

- ongeveer 14 moederhennepplanten,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4.

Hij in de periode van 1 juli 2009 tot en met 19 februari 2010, te Bierum, telkens tezamen en in vereniging met een ander telkens opzettelijk in de uitoefening van bedrijf heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, in het pand [a-straat 1], 273 hennepplanten en 200 hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Zaak met parketnummer 18-830184-14:

Hij in de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 maart 2014 te Bierum, tezamen en in vereniging met een ander, telkens opzettelijk in de uitoefening van bedrijf telkens heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 731 hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II."

2.3.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep hebben de raadsman en de verdachte aldaar het woord gevoerd, de raadsman overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover hier van belang, in:

"Met betrekking tot de tweede grief, meent de verdediging dat cliënten bij uitstek, zoals door de rechtbank ook geoordeeld, de belangen die door de norm van de Opiumwet worden beschermd (de volksgezondheid, veiligheid en openbare orde) nastreven, zodat de materiële wederrechtelijkheid aan de gedragingen komt te ontvallen.

(...)

63. Mocht uw hof niet mee gaan in het niet-ontvankelijkheidsverweer dan meent de verdediging dat u cliënten dient te ontslaan van alle rechtsvervolgen omdat de materiële wederrechtelijkheid van hun handelen ontbreekt. Kort gezegd: zij deden iets dat strafbaar is, om een ernstiger (strafbaar) alternatief te (helpen) voorkomen.

64. De verdediging wil bepaald niet beweren dat iedere hennepkweker maar vrijuit moet gaan, maar er moet minst genomen ruimte zijn voor een vorm van teelt die niet bestraft wordt. Zo niet dan verliest het beleid het laatste restje geloofwaardigheid en zullen we moeten accepteren met een volstrekt hypocriet vervolgingsbeleid zijdens het openbaar ministerie te maken te hebben. Een openbaar ministerie en een overheid die wel de lusten willen genieten van gescheiden markten en alle heil die coffeeshops voor de openbare orde en veiligheid bieden maar niet de lasten wil dragen van de ultieme consequentie daarvan: de teelt.

65. Cliënten bieden die oplossing. Rekening houdend met alle mitsen en maren en alle redelijke bezwaren die tegen hennepteelt kunnen bestaan hebben zij een methode gevonden om hennep te telen die uitsluitend aan de reeds bestaande behoefte van twee gedoogde coffeeshops voldoet. Ze stelen geen stroom, veroorzaken geen overlast, telen niet voor de export, leveren uitsluitend aan de voornoemde shops, hebben een veilige kwekerij, spuiten geen bestrijdingsmiddelen, genieten geen uitkering en betalen netjes belasting. Ze kweken ook wietsoorten die commercieel helemaal niet aantrekkelijk zijn, het ultieme bewijs dat het hier niet om winstbejag gaat maar om liefde voor het 'vak'.

66. Cliënten hebben juist vanwege de ervaringen met slechte cannabisproducten (zij zijn zelf ook consumenten) gekozen voor een verantwoord productieproces. Ze hebben meermaals geprobeerd bij de overheid aan te kloppen om de verantwoordelijkheid daar te leggen waar hij thuishoort maar de overheid geeft niet thuis. Zogezegd was er voor cliënten in wezen geen alternatief. Hadden zij niet geteeld dan waren de twee shops overgeleverd aan criminele kwekers met slechte kwaliteit. Dat klemt uiteraard te meer nu een van de shops zelfs al eerder gevraagd had om te mogen afnemen en cliënten steeds gezegd hebben alleen te willen leveren nadat de gedoogverklaring in orde was.

67. Gezien het voorgaande meent de verdediging dan ook dat het (niet vaak toegepaste) instrument van het concretiseren van het element wederrechtelijkheid hier op zijn plaats is en dat cliënten bij afwezigheid daarvan moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging."

2.4.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

Verdachte heeft de tenlastegelegde gedragingen verricht in het kader van een behoorlijke bedrijfsvoering van de hennepkwekerij, die uitsluitend voorzag in de bevoorrading van een tweetal gedoogde coffeeshops.

In de samenleving wordt het handhaven van het volledige verbod op de teelt van hennep naast het bestaande gedoogbeleid ten aanzien van de verkoop van hennepproducten als hypocriet ervaren. Doordat verdachte onder strikte voorwaarden en in alle openheid hennep heeft geteeld dient hij dezelfde doelen zoals die worden nagestreefd met het gedoogbeleid ten aanzien van de verkoop in coffeeshops.

(...)

Standpunt van het hof

Het hof stelt voorop dat het aan de wetgever is om te bepalen welke gedragingen (nog) wel en welke niet (meer) strafbaar gesteld moeten worden. Ook is het primair aan de wetgever om te bepalen in welke gevallen, ondanks dat naar de letter een strafbepaling is overtreden, toch geen sprake van strafbaarheid zal zijn. Daartoe zijn in het wetboek van strafrecht de strafuitsluitingsgronden opgenomen.

Niettemin hebben zich buiten dit wettelijke systeem om, in de rechtspraak een aantal strafuitsluitingsgronden ontwikkeld en één daarvan is het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid waarop in de onderhavige zaak een beroep wordt gedaan.

Van het ontbreken van de materiële wederrechtelijk zou kunnen worden gesproken - kort gezegd - als er zich een situatie voordoet, waarvan kan worden gezegd dat de maatschappelijke ontwikkelingen over de strafwaardigheid van een strafbaar gesteld feit zodanig zijn veranderd dat het niet meer als een strafbaar feit wordt beleefd en dien ten gevolge strafoplegging door de samenleving in brede zin als onrechtvaardig wordt ervaren.

Toegespitst op deze zaak, kan worden vastgesteld dat in de Opiumwet het verkopen en telen van hennep strafbaar is gesteld en dat daar in de Opiumwet geen uitzonderingen op zijn gemaakt behoudens de hier niet aan de orde zijnde uitzonderingen in de artikelen 4 en 6 van de Opiumwet.

Wel heeft zich in de handhaving van dat absolute verbod een verschil in beleid ontwikkeld tussen enerzijds de verkoop van hennepproducten en anderzijds het telen van hennep.

In de kern zit dat verschil in het feit dat de wetgever de verkoop van hennepproducten onder strikte voorwaarden gedoogt in die verkoopgelegenheden die daartoe een zogenoemde gedoogvergunning hebben verkregen terwijl het de teelt van hennepproducten onverkort onder het absolute verbod laat vallen.

Dit verschil in benadering van de verkoop enerzijds en het telen van hennep anderzijds staat tot op zekere hoogte op gespannen voet met elkaar en is daarom dan ook al gedurende vele jaren een bron van discussie. Het hof acht die discussie bekend, (zodat het ervan afziet die discussie hier weer te geven).

De vraag die thans naar voren wordt gebracht is dat de verdachte zich op het standpunt stelt dat deze brede maatschappelijke discussie thans zo ver is gevorderd dat het telen van hennep niet langer strafbaar geacht moet worden.

Het is hier van belang vast te stellen dat verdachte zich niet op het standpunt heeft gesteld dat elke vorm van hennepteelt toegestaan zou moeten worden, doch slechts als aan een aantal voorwaarden is voldaan, waarbij derhalve wordt aangesloten bij een gedoogregeling gelijkend op die geldt voor de verkoop van hennepproducten.

Zoals eerder aangegeven heeft verdachte zich bij zijn teelt gehouden aan een aantal voorwaarden, en tevens kan hier worden vastgesteld dat hij zich daarmee in belangrijke mate onderscheidt van de hennepteelt zoals die gewoonlijk aan het oordeel van de rechter wordt voorgelegd.

De vraag is echter of dat voldoende is om het beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid te kunnen doen.

Het hof is van oordeel dat zulks niet het geval is.

Zoals eerder aangeven gaat het bij het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid om een strafuitsluitingsgrond die buiten de reikwijdte van de wet om is ontwikkeld. Dat brengt grote terughoudendheid met zich mee bij de toepassing van deze strafuitsluitingsgrond. Met andere woorden, slechts in zeer bijzondere gevallen heeft een zodanig beroep kans van slagen.

Toegespitst op deze zaak zou, wil een zodanig beroep enige kans van slagen hebben, in de eerste plaats onomstotelijk vast moeten komen te staan dat de voorwaarden, waaronder de hennepteelt gedoogd zou kunnen worden, het resultaat zijn van een breed gevoerd en uitgekristalliseerd maatschappelijk debat, anders gezegd, er moet vast staan dat er een hoge mate van maatschappelijke consensus is over de voorwaarden waaronder de hennepteelt gedoogd zou kunnen worden.

Verdachte is er niet in geslaagd het hof er van te overtuigen dat de voorwaarden waar hij zich aan heeft gehouden het resultaat zijn geweest van een zodanig debat en ook overigens is het hof daarvan niet gebleken, zodat het verweer van verdachte hierom wordt verworpen."

2.5.

Het middel berust op de opvatting dat aan de bewezenverklaarde gedragingen - kort gezegd: het bedrijfsmatig telen van hennep, meermalen gepleegd – de wederrechtelijkheid ontvalt doordat die hennepteelt uitsluitend plaatsvindt volgens een verantwoord, niet op winstbejag gericht productieproces ten behoeve van de levering aan gedoogde coffeeshops, waarbij onder meer verschuldigde belasting wordt betaald, goede kwaliteit wordt geleverd en geen overlast wordt veroorzaakt. Die opvatting is onjuist. De omstandigheid dat de vraag of de levering van hennep aan gedoogde coffeeshops onder bepaalde (vergunnings-)voorwaarden gedoogd zou kunnen worden onderwerp is van maatschappelijk en politiek debat, leidt niet tot een ander oordeel.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beoordeling van het derde middel

4.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

4.2.

Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-presiden W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier L. Nuy, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2017.