Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1072

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
14-06-2017
Zaaknummer
15/03897
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:432, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Geen afschrift appeldagvaarding verzonden aan raadsman. Stelbrief noodzakelijk of kan rechtsbijstand ook worden afgeleid uit het indienen van een appelmemorie? Art. 38, 39 (oud) en 51 (oud) Sv. HR herhaalt vooropstelling uit ECLI:NL:HR:2012:BY4303 m.b.t. de keuze van een raadsman, het moment van eindigen van rechtsbijstand, het kennisgeven van het optreden als raadsman a.b.i. art. 39 (oud) Sv en de gevallen waarin een raadsman als zodanig moet worden erkend. ’s Hofs kennelijke oordeel dat uit de appelschriftuur niet kan blijken dat verdachte zich in h.b. van rechtsbijstand door advocaat X had voorzien en het voorschrift van art. 51 (oud) Sv niet van toepassing is, geeft ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting ofwel is niet begrijpelijk.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 38
Wetboek van Strafvordering 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/703
NBSTRAF 2017/279
SR-Updates.nl 2017-0277
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juni 2017

Strafkamer

nr. S 15/03897

EC/CeH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 13 juni 2012, nummer 22/003310-10, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt dat in hoger beroep het voorschrift van art. 51 (oud) Sv niet is nageleefd.

2.2.

Bij de stukken van het geding bevinden zich:

(i) een appelschriftuur van G. Szegedi, advocaat te Rotterdam, die blijkens een daarop geplaatst stempel op 16 juni 2010 is ingekomen bij het Informatiecentrum Rechtbank Rotterdam;

(ii) een aan de Hoge Raad gerichte brief van het Gerechtshof Den Haag van 14 maart 2016, onder meer inhoudende:

"Bij brief d.d. 15 december 2015 is verzocht om stukken waaruit blijkt dat ex artikel 51 van het Wetboek van Strafvordering een afschrift van dagvaardingen aan de raadsman is verzonden. In deze zaak heeft zich echter geen raadsman gesteld en is er geen raadsman toegevoegd."

2.3.

Bij de stukken bevindt zich voorts het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep alsmede de oproeping van de verdachte voor de nadere terechtzitting in hoger beroep. Noch uit daarop gestelde mededelingen noch uit enig ander aan de Hoge Raad gezonden stuk kan blijken dat een afschrift van die dagvaarding onderscheidenlijk oproeping aan een raadsman van de verdachte is gezonden.

2.4.

De bestreden uitspraak is bij verstek gewezen. Art. 38, eerste lid, Sv bepaalt dat de verdachte te allen tijde bevoegd is een of meer raadslieden te kiezen. Behoudens in het geval van voortijdige beëindiging van diens werkzaamheid, geldt de keuze van een raadsman - evenals ingevolge art. 43, eerste lid, (oud) Sv de toevoeging van een raadsman - voor de gehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad. Die aanleg is beëindigd als de desbetreffende uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of als daartegen een gewoon rechtsmiddel is ingesteld. Ingevolge art. 39, eerste lid, (oud) Sv geeft de gekozen raadsman van zijn optreden als zodanig, wanneer de officier van justitie reeds in de zaak betrokken is, schriftelijk kennis aan de griffier of, als dat nog niet het geval is, aan de betrokken hulpofficier.

De regeling van art. 39 (oud) Sv moet worden beschouwd als een ordemaatregel en een schriftelijke kennisgeving vormt geen noodzakelijke voorwaarde om als raadsman te kunnen optreden. Indien uit enig in het dossier aanwezig stuk aan de rechter of de andere justitiële autoriteiten kan blijken dat de verdachte voor de desbetreffende aanleg voorzien is van rechtsbijstand door een raadsman, dan behoort deze raadsman als zodanig te worden erkend (vgl. HR 11 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY4303, NJ 2013/30).

2.5.

Het kennelijke oordeel van het Hof dat uit het hiervoor onder 2.2 sub (i) genoemde stuk niet kan blijken dat de verdachte zich in hoger beroep van rechtsbijstand door G. Szegedi had voorzien en het voorschrift van art. 51 (oud) Sv in het onderhavige geval niet van toepassing is, geeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting ofwel is niet begrijpelijk.

2.6.

Het middel is gegrond.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2017.