Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1017

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
06-06-2017
Zaaknummer
15/05054
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:385, Gedeeltelijk contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:4354, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vervolg Vidgen-zaak. Nadat het EHRM (ECLI:CE:ECHR:2012:0710JUD002935306) verdachtes klacht dat art. 6 EVRM is geschonden heeft gehonoreerd heeft de HR (ECLI:NL:HR:2013:CA1782) het daarop volgende herzieningsverzoek gegrond verklaard en de zaak verwezen naar het Hof ‘s-Hertogenbosch. Het Hof heeft verdachte opnieuw veroordeeld en daartegen richt zich het onderhavig cassatieberoep. 1. Schending art. 6 EVRM nu getuige na veel jaren weinig weet te herinneren? 2. Overschrijding redelijke termijn door rechtsgang EHRM?

Ad 1: HR staat stil bij recht verdediging op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen a.b.i. art. 6.3.d EVRM, i.h.b. t.a.v. getuige die onvoldoende concrete herinneringen heeft aan wat hij met betrekking tot wat aan de verdachte is tlgd., heeft waargenomen of ondervonden (vgl. ECLI:NL:HR:2016:679) en getuige die zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont en dientengevolge weigert antwoord te geven op vragen (vgl. ECLI:NL:HR:2013:BX5539).

Oordeel hof dat de omstandigheid dat getuige "op veel van de vragen heeft geantwoord dat hij zich niets meer daarover kan herinneren", niet eraan afdoet dat de beëdigde getuige in aanwezigheid van de verdediging is gehoord en dat de verdediging daarbij een behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gekregen om vragen te stellen, en dat "ook de omstandigheid dat deze getuige eerst na 15 jaar door de verdediging kon worden bevraagd" geen inbreuk meebrengt op het ondervragingsrecht van de verdediging, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de omstandigheid dat het procesverloop van invloed is geweest op het moment waarop getuige door de verdediging kon worden ondervraagd.

Ad 2: In het licht van het procesverloop en de totale duur van het geding alsmede gelet op de uitspraak van het EHRM in deze zaak, is het oordeel van het Hof dat geen aanleiding bestaat de straf verder te verminderen dan reeds is gebeurd in HR 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1633, niet zonder meer begrijpelijk. HR doet om doelmatigheidsredenen zaak zelf af door de opgelegde gevangenisstraf te verminderen. CAG anders t.a.v. middel 1.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2017-0253 met annotatie van J.H.J. Verbaan
SR-Updates.nl 2017-0387 met annotatie van B.J.V. Keupink
TPWS 2017/77
RvdW 2017/670
NJB 2017/1345
NJ 2017/378 met annotatie van J.M. Reijntjes
JIN 2017/121 met annotatie van C.J.A. de Bruijn
NBSTRAF 2017/250 met annotatie van mr. C. van Oort
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juni 2017

Strafkamer

nr. S 15/05054

CB/AGE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2015, nummer 20/001659-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben G. Meijers en M. Berndsen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Procesverloop, bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

In de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 is het procesverloop in deze zaak als volgt weergegeven:

"Bij arrest van 13 december 2004 heeft het gerechtshof Amsterdam de verdachte in hoger beroep veroordeeld wegens het in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 4 december 2001 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van 104 kilogram van een materiaal bevattende MDMA (xtc-tabletten).

(...)

In een daarop ingesteld cassatieberoep heeft de Hoge Raad bij arrest van 6 juni 2006 de bewijsvoering van het hof Amsterdam in stand gelaten en daarbij vastgehouden aan de sinds HR 1 februari 1994, NJ 1994/427, gehanteerde lijn dat de enkele omstandigheid dat een getuige weigert een verklaring af te leggen niet meebrengt dat sprake is van een inbreuk op het ondervragingsrecht van art. 6 lid 3 onder d EVRM.

(...)

Vervolgens heeft de verdachte bij het EHRM geklaagd dat de veroordeling geheel of in beslissende mate is gebaseerd op de belastende verklaringen van de getuige [betrokkene 1] , die door de verdediging niet effectief ondervraagd is kunnen worden. Bij arrest van 10 juli 2012 heeft het EHRM geoordeeld dat er sprake is van een schending van het in art. 6 lid 1 en 3 onder d EVRM gegarandeerde recht op een eerlijk proces en het in verband daarmee aan de verdediging toekomende ondervragingsrecht ten aanzien van belastende getuigen.

(...)

Na de uitspraak van het EHRM heeft de verdachte bij de Hoge Raad een aanvraag tot herziening ingediend van het arrest van het hof Amsterdam. Bij arrest van 4 juni 2013 heeft de Hoge Raad de aanvraag gegrond verklaard, het arrest van het hof Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch."

2.2.

Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op een tijdstip gelegen in de periode van 1 januari 2001 tot en met 4 december 2001 te Heerlen en/of elders in Nederland en te Eschweiler en/of elders in Duitsland en in Australië, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 104.000 gram (104 kilogram) van een materiaal bevattende MDMA (zogenaamde XTC-tabletten), zijnde MDMA een middel vermeld op de bij die wet behorende lijst I."

2.3.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een ambtsedig proces-verbaal onder de benaming EXA/01, pagina 001 tot en met 045, opgemaakt door [verbalisant 1] , brigadier van politie, en [verbalisant 2] , hoofdagent van politie, en gesloten op 1 augustus 2002, (elektronisch dossier bestand "Algemeen Dossier 2 Zaakdossier EXA01-EXA010" pagina 1 t/m 45) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van verbalisanten:

(ED/OD pg. 5)

Vanaf 9 februari 2001 werden telecomaansluitingen, waarvan (hof: [betrokkene 2] ) [betrokkene 2] gebruik maakte, afgetapt en opgenomen.

(ED/OD pg. 6)

Uit afgetapte en opgenomen telecommunicatie, alsmede uit waarnemingen van observatie-eenheden bleek dat [betrokkene 2] vrijwel dagelijks vergezeld werd door [betrokkene 1] .

(ED/OD pg. 33)

Vanaf de aanvang van het tappen en opnemen van de door [betrokkene 2] gevoerde telefooncommunicatie in februari 2001 bleek dat er meerdere contacten plaatsvonden met een Engels sprekende man, die door hem de "Ouwe", "Opa" en "Granddad" werd genoemd. Tevens werden vanaf die periode meerdere ontmoetingen waargenomen tussen [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en een man die later werd geïdentificeerd als zijnde [betrokkene 3] .

In de loop van de maand mei 2001 bleek dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] eveneens contacten onderhielden met een man met een Limburgs accent, die later kon worden geïdentificeerd als [betrokkene 4] .

(ED/OD pg. 34)

Voorts bleek dat er eind augustus 2001 een afspraak gemaakt werd voor een ontmoeting met [betrokkene 4] waarbij naast [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] ook zoals later bleek zijn zoon [verdachte] deel zou nemen. Deze ontmoeting werd waargenomen op maandag 3 september 2001.

2. Een ambtsedig proces-verbaal EXA/05 van 1 augustus 2002, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk brigadier en hoofdagent bij divisie recherche van regiopolitie Utrecht, (elektronisch dossier bestand "Algemeen Dossier 2 Zaakdossier EXA01-EXA010" pagina 169-257) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant:

(ED/OD pg. 198-199)

Op 11 juli 2001 werd een bevel afgegeven tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel.

Met voornoemd doel werd onder dit bevel in de personenauto, merk Volkswagen, type Bora, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] en in gebruik bij [betrokkene 2] , een technisch hulpmiddel aangebracht.

3. Een ambtsedig proces-verbaal onder de benaming Code Romp PV: 01375/CDO9, pagina 1161 en 1162, opgemaakt en gesloten door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie, op 31 oktober 2001 (elektronisch dossier bestand "PV politie-Utrecht.deel 2" pagina's 1194 t/m 1196) voor zover inhoudende als opgenomen vertrouwelijke communicatie tussen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] :

(ED pg's 1194-1196 / OD pg's 1160-1162)

Datum/tijd: 30 oktober 2001.

[betrokkene 2] = AA;

[betrokkene 1] = MM;

[betrokkene 3] = KV;

Ntv= niet te verstaan;

16.19

uur KV zegt: ik ga wel achterin zitten.

MM: Kut is dat, he, dat ik niet achterin kan zitten. Sorry, Granddad.

17.10

uur KV zegt: er rijden hier vreemde snuiters rond. ... motorfietsen... Men trekt weer op.

AA: Het is een hele bekende plek, Granddad. (...), alle hotels langs de snelweg worden in de gaten gehouden. Dat is normaal.

Dan zegt AA in het Engels dat ze nu naar het Zuiden gaan (downstairs) om te kijken hoe de motoren er uit zien, hoe ze het erin stoppen. Dus om vertrouwen te krijgen. En we gaan naar [betrokkene 5] om een exacte afspraak te maken "wanneer jij naar Duitsland gaat om alles te bestellen". Dus misschien uh, vandaag is het dinsdag, dus laten we zeggen dat we donderdag komen of zo, dat we naar Duitsland gaan om de andere motoren te regelen en we gaan tegen ze zeggen dan (...) dat de motoren heel erg schoon moeten zijn. En als je zo praat is dat alleen maar professioneel zodat de man van het bedrijf in Duitsland alleen maar zal denken dat het goed zit omdat je zegt: nee, ze moeten schoon zijn anders krijg ik problemen met de douane. Ik wil de motoren die je erin doet zien. En dan als de container komt (...) dan ga je terug voor de tweede keer en dan zul je elke motor zien die de container ingaat.

KV: Ik wil ze allemaal op dezelfde manier verpakt hebben. En als ze ze kunnen labelen, stuk voor stuk een label.

AA: Moeten ze er plastic omheen doen?

KV: Nee, alleen een label op elke.

AA: Waar is dat label dan voor?

KV: Daar moet dan op staan welke motor het is.

AA: Oh, dus zij willen weten welke motor het precies is.

KV: Ja

4. Een ambtsedig proces-verbaal van 31 oktober 2001, opgemaakt door [verbalisant 4] , recherche assistent bij divisie recherche van regiopolitie Utrecht (bladzijde 1176-1178 van het proces-verbaal OVC A39, volgnummer 01187, ordner 23/25; elektronisch dossier bestand "PV politie-Utrecht.deel 2" pagina's 1210 t/m 1212) en de correctie daarop in het ambtsedige proces-verbaal onder de benaming EXA/AH/237 van 31 januari 2002, opgemaakt door [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , respectievelijk hoofdagent en inspecteur bij divisie recherche van regiopolitie Utrecht (elektronisch dossier bestand "PV politiefoto's ontmoeting [betrokkene 2] en NN [betrokkene 6] " pagina 289) voor zover - zakelijk weergegeven en in onderling verband gelezen - inhoudende als weergave van vertrouwelijke informatie:

(ED pg's 1210-1212/OD pg's 1176-1178)

[betrokkene 2] (AA),

[betrokkene 4] (MW),

[betrokkene 1] (MM),

Datum: 30 oktober 2001, 16:55 uur:

AA: Ja, ja, echt wel, jij hebt er nou wel werk aan gehad. Alles is klaar he [betrokkene 4] ? Hoe lang heb je nodig om die dingen in te bouwen, een dag of twee?

MW: drie uur.

AA: [betrokkene 4] . Hij is een beetje ingespoten met hondenspul.

(...)

AA: Denk jij niet [betrokkene 4] ? Die honden ruiken die olie sneller dan die pillen.

(...)

We maken het schoon granddad, maak je geen zorgen.

(...)

MW: nee als ze ingebouwd zijn dan spuiten ze van te voren wel schoon.

(...)

MM: Dit komt helemaal goed

AA: Engelse taal

En jij moet tegen de Duitse fabriek hetzelfde verhaal zeggen, granddad, zij moeten daar de motors schoonmaken

(...)

Nederlandse taal

Weet je wie dat doet? Als die container daar geladen wordt dan wil hij erbij zijn, snap je, dat zij niet kut troep erin gooien, weet je wel.

Engelse taal

Ik vertelde hem dat als de container geladen wordt in Duitsland, dat je erbij moet zijn, zodat de fabriek geen smerige troep erin doet.

Nederlandse taal

En dan gaat hij natuurlijk regelen dat eerst die van ons erin gaan [betrokkene 4] , en dan pas die van hun, snap de. Dus daarom, degene die ze gaan brengen [betrokkene 4] , als hij zegt om twee uur wordt die container geladen moet die daar ook om twee uur zijn met die vrachtwagen. Dat kan je je realiseren [betrokkene 4] ?

(...)

03.08

AA: Weet je waarom? Als het daar is half december voor de kerst, dan kun je er nog 100, 200 kwijt jongen.

(...)

03.25

AA: Dit is de eerste keer dat er wat ingevoerd gaat worden, qua motoren, naar Australië toe.

Hof: Dit gesprek vond plaats in de Volkswagen Bora (zie elektronisch dossier bestand "Algemeen Dossier 2 Zaakdossier EXA01-EXA010", ED/OD pagina 201).

5. Een ambtsedig proces-verbaal onder de benaming Code Romp PV: 01375/CD 10, pagina 1193 en 1194, opgemaakt en gesloten door [verbalisant 15] , brigadier van politie, op 31 oktober 2001 (elektronisch dossier "PV politie-Utrecht.deel 2" pg. 1227-1228) voor zover inhoudende als opgenomen vertrouwelijke communicatie tussen [betrokkene 2] (AA), [betrokkene 1] (MM) en [betrokkene 3] (KV) op 30 oktober 2001:

(ED pg. 1228/OD pg. 1194)

Na 19.00 uur is te horen dat de auto vaart mindert en dat ze - gelet op het gesprek - kennelijk op een parkeerplaats rijden. Op een gegeven moment wil Granddad ( [betrokkene 3] ) uit de auto stappen maar hij moet van [betrokkene 2] even wachten totdat de politie weg is.

Bij 20:20 zegt [betrokkene 2] : Wacht, Granddad, tot de politie weg is. Doe het portier dicht.

Bij 20:51:

AA: Ziek hè. Ze rijden gewoon rond. Wat een zieke eikels.

KV: Ze zijn niet ziek. Ze doen hun werk. Tenminste ze denken dat ze hun werk doen. Als ze hun werk zouden doen, zou het niet zo makkelijk zijn voor jou en mij.

6. Een uit het Duits in de Nederlandse taal vertaald stuk EXA/RHV/16, te weten een proces-verbaal nummer KK 21/22 van huiszoeking bij [A] , opgemaakt door hoofd inspecteur der recherche [verbalisant 7] van Polizeipräsidium Aken, gedateerd 3 december 2001 (elektronisch dossier bestand "Overzicht Rechtshulpverzoeken" pagina 183-194) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van verbalisant:

(ED/OD pg. 191)

Op 2 december 2001 werd bekend dat de motoren met verdovende middelen op 3 december 2001 vanuit Nederland naar de Bondsrepubliek zouden worden gebracht. Op 3 december 2001 kon worden vastgesteld dat de motoren bij een zekere firma [A] te Eschweiler, [a-straat 1] werden afgeleverd.

(192) Hedenavond, 3 december 2001, werd ten behoeve van de huiszoeking het bedrijfsadres bezocht van [A] in [postcode] Eschweiler, [a-straat 1] .

(193) Al bij het betreden van de hal werd een doordringende citruslucht vastgesteld bij de tien, voor in de hal liggende, motoren die waren voorzien van zwarte draagriemen.

Naast en achter deze motoren bevonden zich nog 13 motoren niet helemaal in folie verpakt. Op één van de motoren, die van een zwarte draagriem was voorzien, werden na het demonteren van het carterhuis 15 pakjes, ongeveer ter grootte van een hand, aangetroffen. Daarin bevonden zich kleine tabletten.

(194) Vervolgens vond de inbeslagneming plaats van alle in de hal aangetroffen en op pallets verpakte motoren en overbrengingsmechanismen.

7. Een uit het Duits in de Nederlandse taal vertaald stuk, nummer KK 21/22, EXA/RHV/16, te weten een notitie van de hoofd inspecteur der recherche [verbalisant 8] , van 4 december 2001 (elektronisch dossier bestand "Overzicht Rechtshulpverzoeken" pagina 236-237) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van voornoemde verbalisant:

(ED/OD pg's 236-237)

Op basis van het voorliggende strafrechtelijk onderzoek werd op 13 december 2001 (het hof leest 3 december 2001) het bedrijfsterrein van [A] te Eschweiler doorzocht. Er werden daar voorwerpen in beslag genomen.

Bij een onderzoek van de andere negen afgeleverde motoren op 4 december 2001 op het terrein van [B] , werden grotere hoeveelheden XTC-pillen in beslag genomen. In totaal werd circa 100 kilogram XTC-pillen in beslag genomen.

8. Een uit het Duits in de Nederlandse taal vertaald stuk, te weten een notitie van [verbalisant 9] , adjunct-hoofdinspecteur der recherche, EXA/RHV/16, van 4 december 2001, inhoudende een drugsvoortest in het gerechtelijk vooronderzoek tegen [betrokkene 2] , [betrokkene 5] en [betrokkene 7] wegens overtreding van de wet verdovende middelen (elektronisch dossier bestand "Overzicht Rechtshulpverzoeken" pagina 265) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van voornoemde verbalisant:

(ED pg. 265/OD pg. 264)

In het onderhavige gerechtelijk vooronderzoek is vandaag onder bewijsstuknummer02/01 een monster genomen van de in beslag genomen stof - 104,29 kg ecstasy pillen - en aan een drugs-voortest onderworpen.

De vooranalyse, die werd uitgevoerd door middel van een ESA-test, gaf een voor ecstasy positief resultaat.

9. Een ambtsedig proces-verbaal gesloten op 22 januari 2003 met als bijlagen de overzichtslijsten, opgemaakt door [verbalisant 10] , brigadier-inspecteur bij de divisie recherche van de Regiopolitie Utrecht (elektronisch dossier bestand "PV politie inbeslagneming" pagina 44 t/m 78), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant:

(ED pg: 44/OD pg. 45)

In dit proces-verbaal worden de inbeslagnemingen, die in het project Exana plaatsvonden gerelateerd.

Per locatie is een overzichtslijst van alle, met betrekking tot die locatie, inbeslaggenomen goederen opgemaakt. Deze overzichtlijsten "inbeslaggenomen goederen" worden bij dit proces-verbaal gevoegd.

(ED pg. 46/OD pg. 47)

Inbeslagnemingen

Op 4 december 2001 werd op de volgende locaties (doorzoeking ter) inbeslagneming verricht:

Exa 17: Aachen (Duitsland)

Pillen.

Met toestemming van de Duitse autoriteiten overgedragen.

Op het bij gevoegde overzicht inbeslaggenomen goederen is de status van de inbeslaggenomen goederen vermeld.

(ED pg. 74/OD pg. 75)

Lokatie-Exa-17 Aachen Duitsland

Lokatiecode Omschrijving goederen Status

EXA 17-01 5 pillen met logo " Leon " Monster/NFI C002/EXA/AH/344

EXA 17-01 5 pillen met logo van Monster/NFI lieveheersbeestje C004/EXA/AH/294

10. Een ambtsedig proces-verbaal onder de benaming EXA/AH/191, gesloten op 11 december 2001 en opgemaakt door [verbalisant 11] , inspecteur bij de divisie recherche van de Regiopolitie Utrecht (elektronisch dossier bestand "Voorgeleidingspv EXA.206.01 26-06-2002)" pagina 259), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als bevindingen van voornoemde verbalisant:

Op 7 december 2001 heb ik met toestemming van de Staatsanwalt de heer Hammerschlag te Aachen, van de teamleider [C] twee plastic zakjes ontvangen met daarin xtc tabletten met respectievelijk de indruk " leon " en de tekening van een "lieveheersbeestje". Twee keer vijf tabletten zijn voor nader onderzoek overgedragen aan [verbalisant 12] van de Technische Recherche te Utrecht.

11. Een rapport nummer 01.12.27.063, EXA/AH/294, van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie te Rijswijk (elektronisch dossier bestand "Voorgeleidingspv EXA.206.01 26-06-2002)" pagina 307 t/m 309), op 25 januari 2002 door drs. H.T.C. van der Laan opgemaakt op de algemene door hem afgelegde eed/belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:

(ED pg's 308-309/OD pg's 1092-1093) Onderzoeksmateriaal Ontvangen van Technische Recherche Utrecht op 18 december 2001.

Kenmerk C004:

vijf tabletten, wit, diepdruk: lieveheersbeestje, bevat MDMA.

MDMA is vermeld op lijst 1 sub 0, behorende bij de Opiumwet.

12. Een rapport nummer 01.12.27.067 van het Nederlands Forensisch Instituut van het Miniserie van Justitie te Rijswijk, inzake N.N. (bladzijde 1456-1457 van het proces-verbaal EXA/AH/344, ordner 14/25; elektronisch dossier bestand "Ambtshandelingen EXA AH pg. 1332-1752" pagina 128-129), op 4 juni 2002 door A.J. Poortman-van der Meer opgemaakt op de algemene door haar afgelegde eed/belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:

(ED pg. 129/OD pg. 1457)

Onderzoeksmateriaal

Ontvangen van Politie Utrecht op 18 december 2001

Kenmerk C002:

vijf tabletten, crèmekleurig, diepdruk: " Leon ", bevat MDMA.

MDMA is vermeld op lijst 1 sub C, behorende bij de Opiumwet.

13. Een ambtsedig proces-verbaal van 1 augustus 2002, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk brigadier en hoofdagent bij divisie recherche van regiopolitie Utrecht, (bladzijde 169-257 van het proces-verbaal EXA/05, ordner 2/25; elektronisch dossier bestand "Algemeen Dossier 2 Zaakdossier EXA01-EXA010)" pagina 169-257) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant:

(ED/OD pg. 225)

Op 4 december 2001 werd in het kader van het project EXANA een doorzoeking verricht in de woning van de verdachte [betrokkene 1] .

Bij deze doorzoeking werd onder andere in beslag genomen een briefje met adres in Australië (EXA/DOC/13), waarop weergegeven een handgeschreven aantekening:

[D] ,

[betrokkene 8] ,

[b-straat 1]

Brookvale

NSW Australia

fax 02- [001]

mobile [002]

14. Een ambtsedig proces-verbaal EXA/05 van 1 augustus 2002, opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk brigadier en hoofdagent bij divisie recherche van regiopolitie Utrecht, (elektronisch dossier bestand "Algemeen Dossier 2 Zaakdossier EXA01-EXA010" pagina 169-257) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas en/of bevindingen van voornoemde verbalisant:

(ED/OD pg. 191)

Op 08 oktober 2001 te 08.15 uur belt [verdachte] naar kennelijk een Australisch nummer in gebruik bij een vrouw genaamd [betrokkene 9] .

[verdachte] heeft het faxnummer van [betrokkene 10] nodig en het adres van de factory (fabriek) omdat hij iets moet doen.

[verdachte] zegt dat hij teruggebeld wil worden.

15. Een ambtsedig proces-verbaal van 5 oktober 2001, opgemaakt door [verbalisant 13] , brigadier van divisie recherche/afdeling BECRO van regiopolitie Utrecht (elektronisch dossier bestand "PV politie-Utrecht.deel 2" pagina 1057) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als weergave van een gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 5] op 4 oktober 2001 te 10:40 uur:

(ED pg. 1057/OD pg. 1026)

[betrokkene 5] belt [betrokkene 1] .

[betrokkene 1] heeft het. De naam is [betrokkene 8] .

[betrokkene 5] vraagt hoe het bedrijf heet waar het naar toe moet.

[betrokkene 1] zegt: [D] .

Het is in Sydney.

16. Een uit het Duits in de Nederlandse taal vertaald stuk, nr. KK 21/22, XA/V03/01, met bijlage, te weten een verhoor door de hoofdinspecteur der recherche [verbalisant 8] , gedateerd 19 februari 2002 (elektronisch dossier bestand "Overzicht verklaringen verdachten EXA V01-V29" pagina 20-51) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

(ED pg's 29-32/OD pg's 27-30)

Vragen over de huiszoeking in uw woning aan de [c-straat] te Middenmeer op 4 december 2001:

Vraag: Er wordt u nu een kopie van de achterkant van een bladzijde voorgelegd met EXA03-02-01/003 en de tekst " [D] ".

Wat betekent [D] ?

Antwoord: [D] heeft betrekking op [D] . Dat is het adres waarheen de in Eschweiler in beslag genomen motorblokken vervoerd zouden worden.

Vraag: Waar zit de firma [D] ?

Antwoord: Die zit in Sidney in Australië.

Vraag: Wie heeft het dan geschreven?

Antwoord: Ik denk dat het geschreven is door een man die "Opa" of ook wel "Grand Dad" wordt genoemd.

(...)

Ik vermoed dat Opa of de zoon van opa dit briefje heeft geschreven.

(...)

De voornaam van zijn zoon is [verdachte] .

(...)

[verdachte] is de achternaam van Opa.

Wij zijn met zijn vieren, dat wil zeggen [betrokkene 2] , Opa, zijn zoon [verdachte] en ik bij een Chinees in Amsterdam Noord wezen eten. Ik weet niet of Opa of [verdachte] het briefje met het adres heeft geschreven, in ieder geval heeft [betrokkene 2] mij het briefje gegeven.

Vraag: Wat heeft u met het Australische adres " [D] " gedaan?

Antwoord: Dat heb ik telefonisch doorgegeven aan [betrokkene 5] .

Vraag: Wat was de werkelijke bedoeling van het verschepen van motorblokken in containers naar Australië?

Antwoord: XTC-pillen in de motorblokken naar Australië te brengen.

17. Een uit het Duits in de Nederlandse taal vertaald stuk, nr. KK 21/22, EXA/V03/02, te weten een verhoor door de hoofdinspecteur der recherche [verbalisant 8] , gedateerd 20 februari 2002 (elektronisch dossier bestand "Overzicht verklaringen verdachten EXA V01-V29" pagina 52-79) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

(ED pg. 52/OD pg. 50)

Aan het begin van het vandaag voortgezette verhoor laat men mij een stuk horen uit de observatie van de personenauto Volkswagen Bora, Nederlands kenteken [AA-00-BB] . Het is een gesprek van 30 oktober 2001, 16:55 uur.

Vraag: waar naartoe was u onderweg toen het zojuist beluisterde gesprek werd gevoerd?

Antwoord: Wij waren op weg naar een Grieks restaurant

Vraag: Wie was er bij de bespreking aanwezig?

Antwoord: Ik, [betrokkene 2] , [betrokkene 4] en de reeds genoemde Opa. Later voegde zich ook nog [betrokkene 5] bij de bespreking in het restaurant.

Vraag: Waarover heeft u het daar gehad?

Antwoord: Wij hebben het daar over de motoren gehad.

(ED pg. 53/OD pg. 51)

Vraag: welke relatie hebben de mensen?

Antwoord: Ik beschrijf die nu zo: [betrokkene 2] heeft contact met Opa. [betrokkene 2] heeft ook contact met [betrokkene 4] . [betrokkene 2] heeft [betrokkene 4] nodig omdat die hem de tabletten kan leveren. Opa heeft het adres waar de tabletten moeten worden afgeleverd. De zoon van Opa weet waar hij de spullen dan moet afhalen. Opa en zijn zoon werken samen.

Vraag: Wist de zoon van Opa wat er in de motoren zat?

Antwoord: Ja, alleen de hoeveelheid wist hij niet. Zelf kende ik de hoeveelheid ook niet.

(ED pg's 56-57/OD pg's 54-55)

Vraag: Met wie had u 3 december 2001 een afspraak?

Antwoord: [betrokkene 2] had die dag een afspraak met Opa en [betrokkene 5] . Eerder had hij [betrokkene 1] gevraagd of [betrokkene 11] een Witte bus kon rijden. [betrokkene 2] had mij gevraagd om [betrokkene 12] op te bellen. [betrokkene 12] moest gewoon met zijn zwarte wagen meerijden. Hij moest voor de bus uitrijden.

Wij hadden allemaal afgesproken bij het hotel "De Witte". [betrokkene 11] was er al met de bus. [betrokkene 2] en ik waren al met de witte Volkswagen Bora naar het hotel De Witte gereden. [betrokkene 2] en ik zijn in de auto van [betrokkene 12] gestapt. De witte bus moest achter ons aan rijden. Vervolgens zijn we naar het Van der Valk hotel in de buurt van Heerlen gereden. Daar hebben we de wagens geparkeerd. Opa was er al. [betrokkene 2] en [betrokkene 11] gingen bij Opa aan tafel zitten. Later kwam [betrokkene 5] er nog bij. [betrokkene 5] is toen naar buiten gegaan en heeft de witte bus meegenomen. Hij moest de motoren in de bus laden. Waar hij de motoren wilde halen, weet ik niet, dat veranderde voortdurend. Nu eens werd gezegd bij [betrokkene 13] dan weer bij [betrokkene 14] , de broer van [betrokkene 13] . [betrokkene 11] heeft moeten meerijden.

(ED pg's 58-59/OD pg's 56-57)

De volgende ontmoetingsplaats was het industriegebied van Heerlen. Het duurde ongeveer een uur voordat [betrokkene 5] met de witte bus kwam aanrijden.

De motoren lagen toen in de auto. Ik denk dat er acht in lagen. In de motoren zaten de XTC tabletten. Nadat [betrokkene 5] met de bus was teruggekomen, is [betrokkene 11] in de bus gestapt. [betrokkene 5] en Opa zijn in de Mercedes en [betrokkene 12] , [betrokkene 2] en ik in de zwarte Opel gestapt. Wij zijn achter Opa en [betrokkene 5] aangereden. Vervolgens zijn [betrokkene 5] en Opa het terrein opgegaan. Wij zijn doorgereden. Ik heb later uit het dossier begrepen dat het bedrijf [A] heette en het terrein in Eschweiler lag. Nadat Opa en [betrokkene 5] het terrein opgereden waren, zijn [betrokkene 2] en ik omgedraaid en het traject teruggereden en zijn we nog een keer langs de sloperij gereden. Vervolgens zijn wij naar Nederland teruggereden.

(ED pg. 60/OD pg. 58)

Later heb ik [betrokkene 5] zachtjes met [betrokkene 2] horen praten en ik heb opgevangen dat alles was gelukt.

(ED pg. 61/OD pg. 59)

[betrokkene 2] en ik zijn toen met de Volkswagen Bora naar Heerlen teruggereden. [betrokkene 2] wilde absoluut naar Heerlen terugrijden, omdat er de volgende dag nog drie dingen naar Eschweiler moesten worden gebracht en hij dat nog geregeld wilde hebben. Met [betrokkene 12] was afgesproken dat hij tegen 23:00-24:00 uur naar het Van der Valk hotel in Heerlen moest komen. Wij zijn toen bij [betrokkene 4] in de auto gestapt en samen met hem naar [betrokkene 5] gereden. Er werd besproken dat [betrokkene 11] de volgende dag in ieder geval nog een keer met de bus naar Eschweiler zou rijden. Er werd gevraagd of [betrokkene 5] eventueel zou kunnen meerijden.

(ED pg. 62/OD pg. 60)

We zijn met [betrokkene 4] , [betrokkene 12] , [betrokkene 2] en ik naar [betrokkene 13] gereden. Ik zou iets krijgen als de container in Australië aankwam. Ik geloof dat [betrokkene 11] 1000 gulden zou krijgen voor de rit naar Eschweiler.

(ED pg. 63/OD pg. 61)

Opa wilde in totaal 2,50 gulden (het hof begrijpt: per pil), 1 gulden voor hem en 1,50 voor zijn zoon. [betrokkene 2] zou 2 gulden per pil krijgen. Ik bedoel met Opa of Grand dad, [betrokkene 3] .

18. Een uit het Duits in de Nederlandse taal vertaald stuk, nummer KK 21/22, EXA/V03/03, te weten een verhoor door de hoofdinspecteur der recherche [verbalisant 8] , van 21 februari 2002 (elektronisch dossier bestand "Overzicht verklaringen verdachten EXA V01-V29" pagina 80-101) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

(ED pg. 80/OD pg. 78)

Het was het idee van [betrokkene 5] om [A] te gebruiken. [betrokkene 13] had er ervaring mee om motoren te prepareren. [betrokkene 5] had dat kennelijk al eens met [betrokkene 13] (het hof begrijpt [betrokkene 13] ) gedaan. Zo is het idee ontstaan om de motoren via België of via Duitsland naar Australië te verschepen.

(ED pg. 81/OD pg. 79)

[betrokkene 13] had me verteld dat hij eens een container naar Japan had verzonden en dat [betrokkene 5] daar ook bij betrokken was.

[betrokkene 13] was van mening dat het beter zou zijn om een container vanuit Duitsland te verschepen.

[betrokkene 5] heeft de motoren gekocht.

(ED pg. 82/OD pg. 80)

De motorblokken werden in België besteld.

Deze motoren uit België werden in België opgehaald en naar [betrokkene 13] gebracht. Wat ik heb gezien is dat een motorblok was schoongemaakt. De overige motoren zijn ook bij [betrokkene 13] schoongemaakt. De schoongemaakte motoren zijn vervolgens naar de broer van [betrokkene 13] gebracht, hij runt ook een autosloperij in Heerlen of Brunssum.

Vraag: Wat bedoelt u met "motoren prepareren"

Antwoord: Daarmee bedoel ik dat de XTC-tabletten in de motoren werden gestopt.

(ED pg. 86/OD pg. 84)

Later heb ik gehoord dat er "hondenspul" - in of op de motor of op de tabletten - gesproeid moest worden en dat mocht niet vergeten worden, want dat was belangrijk. Dat heeft [betrokkene 2] tegen [betrokkene 13] gezegd: Opa, [betrokkene 2] en [betrokkene 13] stonden toen bij het motorblok. Ik ga ervan uit dat het ervoor moest zorgen dat honden de XTC niet konden ruiken als er bij een controle honden zouden worden ingezet.

19. Een uit het Duits in de Nederlandse taal vertaald stuk, nummer KK 21/22, EXA/V/03/04, te weten een verhoor door de hoofdinspecteur der recherche [verbalisant 8] , gedateerd 5 maart 2002 (elektronisch dossier bestand "Overzicht verklaringen verdachten EXA V01-V29" pagina 102-111) voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :

(ED pg. 109/OD pg. 107)

Op 4 december 2001 hebben we, [betrokkene 2] en ik, [betrokkene 11] ontmoet in het Van der Valk hotel in Heerlen. [betrokkene 2] en ik zijn met de witte bus naar het bedrijf van [betrokkene 13] gereden. De medewerker van [betrokkene 13] zei dat de spullen bij [betrokkene 14] waren. We zijn toen naar [betrokkene 14] gegaan.

(ED pg. 110/OD pg. 108)

Ik heb pas op 4 december 2001 gehoord dat de motorblokken daarvoor bij [betrokkene 14] hadden gestaan. Ik weet dat de motorblokken bij [betrokkene 13] zijn schoongemaakt.

Ik weet dat deze motorblokken op 3 december 2001 bij [betrokkene 14] zijn opgeladen.

20. Een proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 10] , ter uitvoering van een rechtshulpverzoek van 6 februari 2003 bijgewoond door de rechter-commissaris bij de rechtbank te Utrecht op 13 maart 2003 in het hoofdbureau van de Australian Federal Police Sydney, neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt en getekend door de rechter-commissaris op 14 april 2003 (elektronisch dossier bestand "RC - Corr. OM met gevoegd div. pvs-rechtshulp-getuigen 2003-08-11" pagina's 39 t/m 42) inhoudende - vertaald en zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 10] :

Ik heb [verdachte] in 1985 leren kennen. Ergens halverwege 2001 heeft [verdachte] met mij gesproken over zijn plannen om een importbedrijf op te gaan zetten voor de distributie van auto-onderdelen via internet. [verdachte] vertelde mij dat hij geen importeursvergunning kreeg voor motoronderdelen omdat hij geen vergunning had als motormonteur. Hij vertelde dat zijn vader, die in Amsterdam woonde, Europese motoronderdelen zou aanleveren via zijn overzeese contacten.

Ik herinner me dat zijn redenen voor een website toen waren dat hij aan de mensen die hij in het buitenland zou ontmoeten kon laten zien dat hij bezig was een website op te zetten. De naam van de zaak die [verdachte] aan het opzetten was, was " [D] ". Kort voordat [verdachte] in juni of juli 2001 naar het buitenland vertrok, heeft hij mij benaderd met de vraag of hij die leegstaande fabriekshal aan de [d-straat 1] , Brokvale NSW mocht gebruiken. [verdachte] ging ermee akkoord om $ 2000 per maand voor de huur te betalen. De sloten zijn in november 2001 veranderd zodat elke hal een eigen sleutel kreeg. [verdachte] zei ook dat hij niets op zijn naam wilde hebben staan.

In juni of juli 2001 vertrok [verdachte] vanuit Australië naar het buitenland. Hij vertelde mij dat het doel van zijn reis was zijn vader te ontmoeten om met hem de oprichting van een zaak in motoronderdelen te regelen. [verdachte] is vervolgens voor ongeveer drie maanden naar het buitenland vertrokken. Toen hij terug was uit het buitenland vertelde [verdachte] mij dat hij had geregeld dat er mogelijk op 16 november 2001 een container zou binnenkomen. [verdachte] heeft de container beschreven als een scheepvaartcontainer met houten kratten erin waarin motoren zouden zitten. Ik herinner me dat [verdachte] zei dat de zending uit ongeveer 20 motoren zou bestaan en dat deze afkomstig was van een bedrijf genaamd " [E] ".

De zending is in november niet aangekomen en ik herinner me dat [verdachte] mij vertelde dat het transport tot december was uitgesteld.

21. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 2 september 2015, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

U vraagt mij hoe men mij bij mijn voornaam noemt in het algemeen. Dat kan zijn [verdachte] , [verdachte] of [verdachte] .

Ik was in die periode in Europa voor de duur van 3 maanden en toen ben ik teruggegaan naar Australië. Het jaar voordat ik naar Europa ging is mijn vader naar Australië gekomen. In de tijd dat ik drie maanden in Europa ben geweest, ben ik in totaal 10 dagen in Nederland geweest, in drie verschillende periodes. Toentertijd woonde mijn vader in Nederland en hij vroeg mij, of ik tijdens mijn verblijf in Europa, naar hem in Nederland wilde komen. In die tijd diende ik als een chauffeur voor hem.

U houdt mij EXA/DOC/13 voor (een afdruk van dit stuk wordt aan dit proces-verbaal gehecht, bestaande uit twee pagina's) (hof: dit betreft het briefje waarop staat geschreven: [D] , [adresgegevens betrokkene 8] . vraagt mij of dit briefje mij iets zegt. Ik ken de namen en ken het geschreven adres. U vraagt mij of dit een adres is wat door mij is gebruikt. Het is het adres van een fabriek. Mijn vader had mij geld gegeven om die fabriek te huren. Dat geld heeft mijn vader in Nederland aan mij gegeven toen ik wegging, terug naar Australië.

[betrokkene 8] was toentertijd de verloofde van mijn dochter [betrokkene 9] . De naam [D] is de naam van de club van mijn kinderen.

De fabriek is gehuurd van [betrokkene 10] . Aan hem heb ik AUD 4000 van mijn vader cash betaald.

Met fabriek bedoel ik de ruimte aan de [d-straat 1] .

Toen ik terug was van mijn reis uit Europa heb ik, op verzoek van mijn vader, AUD 4000 betaald aan [betrokkene 10] voor de huur van de fabriek.

Toen ik in Europa was vroeg mijn vader mij telkens weer om het adres en het faxnummer van de fabriek die hij wilde huren. Uiteindelijk heb ik mijn dochter gebeld en heb ik gevraagd naar dat adres en dat faxnummer om dat aan mijn vader te kunnen doorgeven.

22. De verklaring van verdachte, afgelegd bij de raadsheer-commissaris op 3 september 2015, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende:

In 2001 ben ik in Nederland geweest. Ik heb mijn vader toen rond gereden en in dat kader heb ik een aantal mensen gezien. Ik herinner me dat ik een aantal keren [betrokkene 2] heb gezien. Ik heb [betrokkene 2] kort gesproken. Ik heb [betrokkene 1] één of twee keer ontmoet. Hij was altijd samen met [betrokkene 2] . Ik heb hem gesproken. Dat kwam door mijn vader die mij vroeg om hem naar zijn vriend te brengen en dat bleek [betrokkene 1] te zijn. Zoals ik gisteren al verklaarde fungeerde ik toen als chauffeur voor mijn vader. Als ik [betrokkene 1] ontmoette was dat altijd samen met mijn vader. Ik heb [betrokkene 1] een of twee keer ontmoet. Voor zover ik mij herinner waren die een à twee keer dat ik hen heb gezien [betrokkene 1] en [betrokkene 2] altijd samen. Mijn vader was daar dus altijd bij.

23. Een ambtsedig proces-verbaal onder nummer 2001cb004645338, onder de benaming EXA/AH/200, pagina 617 en 618 opgemaakt door [verbalisant 14] , waarnemend hoofd van dienst Internationale Netwerken (IN) van de directie recherche, opgemaakt op 20 december 2001 (gevoegd in ordner Project Exana, PV nr. Becro 1.1/02, ordner 12/25; elektronisch dossier bestand "PV politie-Foto's ontmoeting [betrokkene 2] en NN [betrokkene 6] " pagina's 141 en 142), voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 19 oktober 2001 ontving de dienst Internationale Netwerken schriftelijke informatie van de in Nederland gestationeerde Australische verbindingsambtenaar.

Het relevante onderdeel uit het bericht luidde:

" [verdachte] arrived in Sydney on the morning of 18 October 2001" (hof: [verdachte] is aangekomen in Sydney op de ochtend van 18 oktober 2001)."

2.4.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Uit de bewijsmiddelen leidt het hof af dat het de bedoeling was dat de motoronderdelen waarin de XTC is aangetroffen vanuit Duitsland zouden worden verscheept naar Australië, naar het adres van [D] . Verdachte, die woonachtig was in Australië, heeft begin 2001 gesproken met [betrokkene 10] over het gebruik van een deel van diens fabriekshal voor het op te richten bedrijf, [D] . Vanaf medio juli 2001 tot medio oktober 2001 is verdachte naar Europa gekomen en in die periode heeft hij ook bij zijn vader in Amsterdam verbleven. Gedurende de periode in Nederland heeft hij in ieder geval contact gehad met de medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en is hij aanwezig geweest bij gesprekken tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en zijn vader. Ook heeft hij het adres van de fabriekshal van [betrokkene 10] , zijnde het adres waarheen de motorblokken werden verzonden, telefonisch opgevraagd op verzoek van zijn vader, die nauw betrokken was bij het transport. Na zijn terugkomst in Australië op 18 oktober 2001 heeft verdachte, met geld dat hij van zijn vader had gekregen, contant enkele maanden huur aan [betrokkene 10] betaald en deze ruimte daadwerkelijk in gebruik genomen. Aldus heeft hij de afzetlocatie voor de motorblokken geregeld. [betrokkene 1] heeft verklaard dat verdachte zou meedelen in de opbrengst van de pillen.

Uit voornoemde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien volgt, naar het oordeel van het hof, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bewezen verklaarde."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt in de kern over de verwerping door het Hof van het verweer dat de verklaringen van de getuige [betrokkene 1] moeten worden uitgesloten van het gebruik voor het bewijs, omdat - kort gezegd - de verdediging onvoldoende in de gelegenheid is geweest deze getuige te ondervragen. Daartoe wordt in de toelichting op het middel onder meer aangevoerd dat het door art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht van de verdediging is geschonden, aangezien [betrokkene 1] op 23 april 2015 ter gelegenheid van de ondervraging door de verdediging heeft verklaard zich door het lange tijdsverloop niets relevants te herinneren betreffende het bewezenverklaarde feit, terwijl dat tijdsverloop het gevolg is van aan de Nederlandse autoriteiten toe te rekenen omstandigheden.

3.2.1.

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] door de Raadsheer-Commissaris van 23 april 2015. Dat proces-verbaal houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"Als getuige wordt gehoord:

[betrokkene 1] ,

(...)

Hierbij legt de getuige de eed af en verklaart de waarheid en niets dan de waarheid te zeggen.

(...)

U, raadsheer-commissaris, deelt mij mede dat ik mij niet op enig verschoningsrecht kan beroepen.

Op de vragen van de raadsheer-commissaris antwoord ik als volgt:

Ik weet over welke zaak ik vandaag gehoord word. Ik ben bereid een verklaring af te leggen. Ik heb voorafgaand aan dit verhoor met niemand over deze zaak gesproken en ook niet over dit verhoor. Ik heb voorafgaand aan dit verhoor geen stukken met betrekking tot deze zaak doorgenomen. Ik heb nooit stukken gehad. Ik heb bij de politie in Duitsland verklaringen afgelegd. Ik heb een verklaring in het Ambts-gericht Aachen op 11 juli 2003 afgelegd en ter terechtzitting van het hof op 6 augustus 2004 (zwijgrecht) verklaringen afgelegd. Ik was toen medeverdachte. Ik weet werkelijk niet meer of ik naar waarheid heb verklaard.

Op de vragen van de raadsman antwoord ik als volgt:

U vraagt mij naar de kwestie waar het hier om gaat, de uitvoer van een grote partij XTC van Nederland naar Duitsland in 2000-2001. U vraagt mij hoe dat idee is ontstaan. Ik heb geen idee. U houdt mij voor mijn tweede verklaring bij de politie (pagina 50-77 van het proces-verbaal EXA/V03/02, ordner 9/25. (...)). U houdt mij de vraag voor wiens idee was het om het transport op deze wijze uit te voeren en mijn antwoord daarop in dat proces-verbaal. U vraagt mij of ik mij dat verhoor nog kan herinneren en mijn antwoord op die vraag. Nee, ik kan mij dat niet herinneren. U vraagt mij of ik me nog kan herinneren of [betrokkene 2] mij daar iets over heeft verteld. Nee, u moet begrijpen dat het misschien wel 15 jaar geleden is dat dit allemaal heeft gespeeld. Ik weet het echt niet meer. U vraagt mij of ik me [verdachte] nog kan herinneren. De naam staat me bij, maar het gezicht kan ik niet voor me halen. De voornaam kan ik me zo snel niet herinneren. U vraagt mij of ik me nog kan herinneren dat er een vader en zoon [verdachte] waren. Daar staat me iets van bij. U vraagt mij of ik die zoon wel eens heb ontmoet. Ik weet het niet meer. U vraagt mij of die zoon iets te maken had met het vervoer van pillen uit Nederland naar Duitsland. Dat weet ik niet. Ik weet niet of ik dat destijds ook niet wist. Ik weet het gewoon echt niet meer.

U houdt mij voor dat ik een aantal verklaringen heb afgelegd en in verklaringen heb ik ook wel verklaard over verklaringen die ik in Duitsland heb afgelegd. U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat mij kant en klare vragen werden voorgehouden waar ik alleen met ja of nee op heb hoeven antwoorden. Ik kan me daar niets meer van herinneren.

U houdt mij voor dat er een briefje is aangetroffen (EXA document 13, vindplaats tevens op pagina 11 van het requisitoir dat is gehecht aan het proces-verbaal van de rechtbank te Utrecht, d.d. 22 augustus 2003). U laat mij dat briefje zien. Dat briefje zegt me niets.

U vraagt mij of [verdachte] iets te maken had überhaupt met die partij XTC. Dat weet ik niet. Daar kan ik niets over zeggen.

U vraagt mij of ik de afgelopen jaren ben bedreigd in verband met dit verhoor. Nee. Ook niet in verband met deze zaak. Ik ben nooit in dit kader bedreigd.

Op schriftelijke vragen van de advocaat-generaal antwoord ik als volgt:

Vraag 1: Wat kan hij vertellen omtrent de wetenschap van verdachte m.b.t. de export van XTC-tabletten?

Antwoord: Ik kan daar eigenlijk niets over vertellen. Ik herken de naam wel, maar voor de rest kan ik er niets over verklaren.

Vraag 2: [betrokkene 1] heeft destijds bij de politie een voor verdachte belastende verklaring afgelegd (p. 232-240). Zo heeft hij verklaard dat verdachte wist wat er in de motorblokken zat (p. 234) en dat hij tijdens een etentje met [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en verdachte een papiertje heeft gekregen waar een adres in Australië opstond (p. 233). Het OM wil van getuige [betrokkene 1] weten of hij bij zijn verklaring blijft. Indien [betrokkene 1] bij deze verklaring blijft, wil het OM weten wat er tijdens het etentje is besproken m.b.t. het transport, wie hem het papiertje met het adres heeft gegeven en waar het adres voor diende.

Antwoord: Als het zo op papier staat… Ik kan me zoveel dingen niet meer herinneren. Ik weet dit echt niet meer. Ik kan me het hele etentje niet herinneren dus ik kan daar geen antwoord op geven.

Op vragen van de raadsheer-commissaris antwoord ik als volgt:

U houdt mij voor mijn verklaring naar aanleiding van een gesprek dat in een Volkswagen Bora heeft plaatsgevonden. Ik kan me daar niets van herinneren. De naam [verdachte] zegt me niets. U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat opa het adres had waar de tabletten moesten worden afgeleverd en dat de zoon van opa wist waar hij de spullen moest afleveren. U vraagt mij of mij dit iets zegt. Nee, dit zegt mij totaal niets.

Ik weet niet of [betrokkene 3] werd bedoeld met "opa". U vraagt mij of ik me nog kan herinneren dat ik heb verklaard dat opa twee en halve gulden wilde hebben per pil; 1 gulden voor hemzelf en 1 gulden vijftig voor zijn zoon. Ik kan me daar niets van herinneren.

U vraagt mij of er iets is dat ik me nog kan herinneren over het transport van XTC pillen via motorblokken. Om eerlijk te bekennen, ik weet het niet meer. Het is zo lang geleden. Ik heb een heel ander leven. Ik ben blij dat ik er vanaf ben. Ik voel me vrij om te verklaren. Ik heb niets te verbergen. Ik weet het gewoon niet meer. Het is bij mij een roes, ik weet het echt niet meer.

De raadsman deelt desgevraagd mede ook na voorlezing van het proces-verbaal geen vragen meer te hebben."

3.2.2.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Door de raadsman is aangevoerd dat de belastende verklaringen van [betrokkene 1] ten overstaan van de politie (2002) ook na diens verhoor door de raadsheer-commissaris op 23 april 2015 niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs, terwijl bij uitsluiting van deze verklaringen het wettig en overtuigend bewijs tegen de verdachte voor de ten laste gelegde uitvoer in welke deelnemingsvorm dan ook ontbreekt. Deze verklaringen vormen immers doorslaggevend bewijs voor het opzet van verdachte en kunnen daarom alleen worden gebruikt als de verdediging deze getuige effectief heeft kunnen ondervragen. Daarvan is geen sprake, nu de getuige heeft verklaard zich niets meer te herinneren. Het is dus tijdens het verhoor niet mogelijk geweest voor de verdediging om de beschuldigende verklaring van deze getuige op enige wijze inhoudelijk aan de orde te stellen.

De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat het ondervragingsrecht ten gevolge van aan de Nederlandse autoriteiten toe te rekenen omstandigheden (tijdsverloop ten gevolge van met een eerlijk proces strijdige veroordelingen) ineffectief en in feite illusoir is geworden.

Het hof overweegt het volgende.

[betrokkene 1] heeft in 2002 tegenover de politie een bekennende verklaring afgelegd en daarbij ook verklaard over de betrokkenheid en het aandeel van zijn mededaders. Later tijdens verhoren in het kader van een rogatoire commissie en ter zitting van het hof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 6 augustus 2004 heeft [betrokkene 1] zich beroepen op zijn verschoningsrecht.

Na de verwijzing na herziening door de Hoge Raad is de getuige [betrokkene 1] op 23 april 2015 bij de raadsheer-commissaris gehoord in het bijzijn van de raadsman van verdachte. De getuige kon zich tijdens dat verhoor niet meer beroepen op zijn verschoningsrecht en de verdediging heeft toen de gelegenheid gehad om de getuige te ondervragen en tijdens het verhoor te observeren. De omstandigheid dat [betrokkene 1] op veel van de vragen heeft geantwoord dat hij zich niets meer daarover kan herinneren brengt op zich geen inbreuk mee op het ondervragingsrecht van de verdediging. Ook de omstandigheid dat deze getuige eerst na 15 jaar door de verdediging kon worden bevraagd evenmin. Het is inherent aan getuigenverklaringen dat door tijdsverloop de herinnering afzwakt, maar, het enkele tijdverloop brengt nog niet mee dat er geen inhoudelijke antwoorden op vragen hadden kunnen komen. Het is het hof niet gebleken dat de getuige weigerachtig is geweest op vragen te antwoorden en de verdediging heeft de gelegenheid gehad om de getuige te confronteren met zijn eigen eerder in het kader van deze strafzaak afgelegde verklaringen. De getuige is niet op die verklaringen terug gekomen. Het hof acht derhalve de verklaring van [betrokkene 1] zoals afgelegd tegenover de politie bij deze stand van zaken wel bruikbaar voor het bewijs en verwerpt het verweer. De raadsman heeft, voor het geval het hof tot het oordeel zou komen dat de belastende verklaring van [betrokkene 1] wel kan worden gebruikt, subsidiair verzocht om compensatie door middel van het horen van getuigen. Nu het hof van oordeel is dat de verdediging wel het ondervragingsrecht in de zin van art. 6 lid 3 sub d EVRM heeft kunnen uitoefenen is het eventueel ter compensatie laten horen van getuigen zoals de verhorende ambtenaren niet aan de orde."

3.3.1.

Art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

"Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge."

3.3.2.

In zijn uitspraak van 15 december 2015 in de zaak Schatschatschwili tegen Duitsland (nr. 9154/10) heeft het EHRM onder meer het volgende overwogen:

"105. However, the use as evidence of statements obtained at the stage of a police inquiry and judicial investigation is not in itself inconsistent with Article 6 §§ 1 and 3 (d), provided that the rights of the defence have been respected. As a rule, these rights require that the defendant be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him - either when that witness is making his statements or at a later stage of the proceedings (see Al-Khawaja and Tahery, cited above, § 118, with further references; see also A.G. v. Sweden (dec.), no. 315/09, 10 January 2012, and Trampevski v. the former Yugoslav Republic of Macedonia, no. 4570/07, § 44, 10 July 2012)."

3.3.3.

De uitspraak in de zaak Pichugin tegen Rusland (EHRM 23 oktober 2012, nr. 38623/03) houdt onder meer het volgende in:

"195. Article 6 § 3 (d) enshrines the principle that, before an accused can be convicted, all evidence against him must normally be produced in his presence at a public hearing with a view to adversarial argument. Exceptions to this principle are possible but must not infringe the rights of the defence, which, as a rule, require that the accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him (...). This principle requires that a defendant should know the identity of his accusers so that he is in a position to challenge their probity and credibility and should be able to test the truthfulness and reliability of their evidence, by having them orally examined in his presence, either at the time the witness was making the statement or at some later stage of the proceedings (...)"

3.4.1.

Op grond van art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM heeft de verdediging het recht op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding daadwerkelijk te (doen) ondervragen. Of in het concrete geval zo een ondervragingsmogelijkheid bestaat, is mede afhankelijk van de omstandigheden waaronder en de wijze waarop de ondervraging van de getuige plaatsvindt. In het algemeen geldt dat de verdediging een zodanige mogelijkheid tot het (doen) stellen van vragen aan de getuige moet worden geboden dat zij daarmee in staat is de oprechtheid en de geloofwaardigheid van een door de getuige afgelegde verklaring - daaronder begrepen een verklaring die eerder tijdens het vooronderzoek en buiten de aanwezigheid van de verdediging is afgelegd - te toetsen en aan te vechten. Waar het gaat om de effectiviteit van de ondervragingsmogelijkheid, komt mede betekenis toe aan het bestaan en het toepassen van wettelijke voorschriften en procedures die beogen te bevorderen dat de getuige de gestelde vragen (naar waarheid) beantwoordt, waaronder de voorschriften betreffende de verplichting om bij het verhoor te verschijnen en (de mogelijkheid van) het beëdigen dan wel aanmanen van de getuige.

3.4.2.

De enkele omstandigheid dat een getuige de aan hem gestelde vragen niet (volledig) beantwoordt omdat hij - al dan niet vanwege tijdsverloop - onvoldoende concrete herinneringen heeft aan wat hij met betrekking tot wat aan de verdachte is tenlastegelegd, heeft waargenomen of ondervonden, brengt niet mee dat een effectieve en behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft ontbroken (vgl. HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:679, NJ 2016/471). Die omstandigheid kan wel relevant zijn bij de selectie en waardering van het bewijsmateriaal en daarop gerichte verweren, in het bijzonder ten aanzien van de eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaring(en).

3.4.3.

In de - van het onder 3.4.2 genoemde geval te onderscheiden - situatie dat de getuige zich van het geven van een getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen verschoont en de getuige dientengevolge weigert antwoord te geven op de vragen die de verdediging hem stelt of doet stellen, ontbreekt wel een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging (vgl. HR 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5539, NJ 2013/145).

3.5.

Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat [betrokkene 1] "op veel van de vragen heeft geantwoord dat hij zich niets meer daarover kan herinneren", niet eraan afdoet dat [betrokkene 1] als beëdigde getuige in aanwezigheid van de verdediging is gehoord en dat de verdediging daarbij een behoorlijke en effectieve gelegenheid heeft gekregen om vragen te stellen, en dat "ook de omstandigheid dat deze getuige eerst na 15 jaar door de verdediging kon worden bevraagd" geen inbreuk meebrengt op het ondervragingsrecht van de verdediging. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de in het middel aangevoerde omstandigheid dat het onder 2.1 weergegeven procesverloop van invloed is geweest op het moment waarop getuige [betrokkene 1] door de verdediging kon worden ondervraagd.

3.6.

In de toelichting op het middel worden voorts klachten naar voren gebracht omtrent, kort gezegd, het uitsluitend of in beslissende mate doen steunen van de bewezenverklaring op de verklaringen van [betrokkene 1] , alsmede het ontbreken van voldoende compenserende factoren voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het horen van deze getuige. Deze klachten behoeven geen bespreking, omdat aan die klachten ten grondslag ligt dat de verdachte in het onderhavige geval - anders dan onder 3.5 is overwogen - geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot het stellen van vragen zou hebben gehad.

3.7.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5 Beoordeling van het derde middel

5.1.

Het middel richt zich tegen de strafoplegging en de motivering daarvan. Daartoe wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte niet de totale duur van de vervolging van de verdachte in zijn beschouwingen heeft betrokken.

5.2.1.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende aangevoerd:

"Het proces duurt nu al 15 jaren. Het lange verloop van de procedure kan mijn client niet worden verweten. Naar mijn mening is de redelijke termijn van berechting overschreden."

5.2.2.

Het Hof heeft de verdachte ter zake van het hiervoor onder 2.1 weergegeven feit veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en drie maanden. Het Hof heeft deze straf als volgt gemotiveerd:

"Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft meegewerkt aan het plannen van een transport van een grote hoeveelheid (ongeveer 104 kilogram) XTC-tabletten, verstopt in motorblokken met de beoogde eindbestemming Australië. De inbeslaggenomen hoeveelheid XTC-tabletten vertegenwoordigt bovendien een aanzienlijk marktwaarde. Verdachte heeft welbewust gehandeld om, naar blijkt uit de bewijsmiddelen, er financieel beter van te worden. Hij heeft daarbij geen oog gehad voor de maatschappelijke problemen van gezondheid en sociale veiligheid waartoe de productie van en handel in XTC leiden en voor de ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers van die tabletten.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft voorts gelet op de omstandigheid dat de verdachte, zoals blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 september 2015, niet eerder ter zake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

Alles overziend ziet het hof geen reden om een andere straf op te leggen dan een gevangenisstraf van 4 jaren en 3 maanden zoals eerder door de Hoge Raad bepaald, in welke straf reeds rekening is gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn van berechting tot aan het wijzen van het arrest van de Hoge Raad op 6 juni 2006.

Het hof ziet in de verstreken tijd sinds genoemd arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2006 geen reden om de straf verder te matigen, nu dit tijdsverloop inherent is aan de gevolgde procedure bij het Europese Hof. Sinds de beslissing van het EHRM op 10 juli 2012 is naar het oordeel van het hof de nodige voortvarendheid betracht in de herzienings- en verwijzingsprocedure. De Hoge Raad heeft, na indiening van de aanvraag tot herziening op 8 november 2012, binnen 7 maanden (op 4 juni 2013) op die aanvraag beslist. De verstreken tijd van 2 jaar en bijna 5 maanden voor de behandeling bij dit hof is, gelet op de door de raadsheer-commissaris gehouden verhoren, waaronder het verhoor van de verdachte middels een rogatoire commissie in Australië, niet onredelijk lang."

5.3.

In het licht van het onder 2.1 weergegeven procesverloop en de totale duur van het geding alsmede gelet op de uitspraak van het EHRM in deze zaak, is het oordeel van het Hof dat geen aanleiding bestaat de straf verder te verminderen dan reeds is gebeurd in het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2006, niet zonder meer begrijpelijk. Het middel klaagt hierover terecht.

De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en vindt in de omstandigheden van het onderhavige geval aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met zes maanden.

6 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt wat hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

7 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en negen maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2017.