Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2017:1011

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
16/05701
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:401, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

OM-cassatie tegen beschikking Rb op h.b. OvJ tegen beschikking RC tot onmiddellijke invrijheidstelling verdachte, art. 59a, 59c en 446.2 Sv. De stukken van het geding laten geen andere uitleg toe dan dat

- de beschikking van de RC, waarbij verdachtes verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling is toegewezen, mede strekt tot afwijzing van de vordering van de OvJ tot de inbewaringstelling van de verdachte,

- het door de OvJ ingestelde h.b. tegen de beschikking van de RC zich mede uitstrekt over deze afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling, en

- de ongegrondverklaring van het beroep van de OvJ door de Rb diens beroep tegen de afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling omvat.

Gelet hierop mist de klacht dat RC en Rb hebben verzuimd te beslissen over vordering tot verlenen bevel tot bewaring, feitelijke grondslag. V.zv. middel klaagt dat de vordering is afgewezen zonder "rekenschap te geven van de reden die tot die afwijzing heeft geleid", mist het eveneens feitelijke grondslag. Volgt verwerping. Samenhang met 16/05983 B. CAG: anders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 59a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2017/685
JIN 2017/122 met annotatie van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers
SR-Updates.nl 2017-0259 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juni 2017

Strafkamer

nr. S 16/05701 B

ES/SA

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Den Haag van 20 oktober 2016, nummer RK 16/890, op het hoger beroep van de Officier van Justitie tegen een beschikking van de Rechter-Commissaris, in de zaak van:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de verdachte heeft I. van Straalen, advocaat te 's-Gravenhage, het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking wat betreft de daarin vervatte beslissing tot afwijzing van de vordering tot bewaring en tot terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden behandeld en afgedaan, met afwijzing van het beroep voor het overige.

2 Procesgang

De procesgang in deze zaak is in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4 als volgt weergegeven:

"Aan het instellen van het beroep in cassatie ging de volgende gang van zaken vooraf. Op 30 september 2016 om 17.20 uur is de verdachte aangehouden. Hij is vervolgens te 23.57 uur in verzekering gesteld wegens verdenking van drugsdelicten. Op 4 oktober 2016 dient de officier van justitie een vordering tot inbewaringstelling in. Eveneens op 4 oktober wordt de verdachte om 13.05 uur door de rechter-commissaris gehoord op de vordering tot bewaring en tevens in verband met de toetsing van de rechtmatigheid van diens inverzekeringstelling op grond van artikel 59a van het Wetboek van Strafvordering. Vervolgens beslist de rechter-commissaris dezelfde dag tot onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte omdat de verdachte niet binnen drie dagen en 15 uur na zijn aanhouding voor de rechter-commissaris is geleid. Tegen toewijzing van de vordering tot bewaring maakt verdachtes raadsman tijdens de behandeling van de vordering inbewaringstelling bezwaar, maar de rechter-commissaris beslist op die vordering niet expliciet. De officier van justitie gaat tegen de beschikking van de rechter-commissaris in hoger beroep. Dit beroep wordt behandeld op 13 oktober 2016. Op 20 oktober 2016 geeft de rechtbank haar beschikking in hoger beroep. De rechtbank acht het beroep onder verwijzing naar het bepaalde in art. 59c lid 1 Sv ontvankelijk. Zij verklaart het beroep van de officier van justitie ongegrond omdat - kort gezegd - het gaat om een termijnoverschrijding van ruim vier uur waarbij van de zijde van de officier van justitie geen bijzondere omstandigheid is aangevoerd die de termijnoverschrijding verklaart dan wel rechtvaardigt. Maatschappelijke belangen bij vrijheidsbeneming zijn in de ogen van de rechtbank niet zo zwaarwegend dat deze de doorslag zouden moeten geven. Tegen deze beschikking van de rechtbank stelt de officier van justitie beroep in cassatie in."

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt vooreerst dat de Rechter-Commissaris en de Rechtbank hebben verzuimd te beslissen over de vordering tot het verlenen van een bevel tot bewaring.

3.2.1.

De stukken van het geding laten geen andere uitleg toe dan dat

- de beschikking van de Rechter-Commissaris, waarbij verdachtes verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling is toegewezen, mede strekt tot afwijzing van de vordering van de Officier van Justitie tot de inbewaringstelling van de verdachte,

- het door de Officier van Justitie ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de Rechter-Commissaris zich mede uitstrekt over deze afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling, en

- de ongegrondverklaring van het beroep van de Officier van Justitie door de Rechtbank diens beroep tegen de afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling omvat.

3.2.2.

Tegen laatstgenoemde beschikking staat op grond van art. 446, tweede lid, Sv voor de Officier van Justitie beroep in cassatie open.

3.3.

Gelet op het zo-even weergegevene mist de klacht dat de Rechtbank heeft verzuimd te beslissen over de vordering tot inbewaringstelling feitelijke grondslag.

3.4.

Voorts klaagt het middel dat de vordering is afgewezen zonder "rekenschap te geven van de reden die tot die afwijzing heeft geleid".

3.5.

De beschikking van de Rechtbank houdt onder "Beoordeling van het hoger beroep" het volgende in:

"De rechter-commissaris heeft verdachte op 4 oktober 2016 onmiddellijk in vrijheid gesteld vanwege het feit dat de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling van verdachte niet, zoals vereist op grond van artikel 59a, eerste lid, Sv heeft plaatsgevonden binnen de wettelijke termijn van maximaal 87 uur. Naar het oordeel van de rechter-commissaris kan dit vormverzuim slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden gepasseerd en is daarvan in de zaak tegen verdachte niet gebleken.

De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris hiermee de juiste maatstaf heeft toegepast. (...)

De rechtbank is voorts van oordeel dat de rechter-commissaris een juiste afweging van de betrokken belangen heeft gemaakt. Het gaat hier immers om een termijnoverschrijding van ruim vier uur waarbij van de zijde van de officier van justitie geen bijzondere omstandigheid is aangevoerd die de termijnoverschrijding verklaart dan wel rechtvaardigt. Met betrekking tot de maatschappelijke belangen kan worden vastgesteld dat de verdenking ernstige feiten betreft (namelijk handel in harddrugs gedurende een halfjaar in combinatie met voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet, alsmede het bezit van onder meer een drietal handgranaten). De rechtbank is echter van oordeel dat, mede gelet op het voorgaande, het belang van een strikte naleving van de termijn van artikel 59a, eerste lid, Sv, de doorslag dient te geven. Zij zal dan ook bepalen dat het hoger beroep van de officier van justitie ongegrond is."

3.6.

Gelet hierop mist de onder 3.4 aangeduide klacht eveneens feitelijke grondslag.

3.7.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2017.