Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:996

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-05-2016
Datum publicatie
27-05-2016
Zaaknummer
15/00288
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:38, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2013:3358, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:4228, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:762, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Contractenrecht. Art. 6:223 lid 2 BW, totstandkoming overeenkomst ondanks te late aanvaarding van het aanbod? Ongerechtvaardigde verrijking wegens niet retourneren van de zaak na ontbinding leaseovereenkomst; berekening schade, art. 7:225 en 6:212 BW. Reflexwerking van Colportagewet ten behoeve van kleine ondernemers?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 212
Burgerlijk Wetboek Boek 6 223
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230g
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230h
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230i
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230j
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230k
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230l
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230m
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230n
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230o
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230p
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230q
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230r
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230s
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230t
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230u
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230v
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230w
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230x
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230y
Burgerlijk Wetboek Boek 6 230z
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2016, afl. 6, p. 327
NJ 2017/312 met annotatie van J. Hijma
AR 2016/1450
JWB 2016/199
RvdW 2016/644
NJB 2016/1184
RCR 2016/65
JOR 2016/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 mei 2016

Eerste Kamer

15/00288

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres] , handelend onder de naam [A] ,
wonende te [woonplaats] , België,

EISERES tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. K.T.B. Salomons, thans mr. A.H.M. van den Steenhoven,

t e g e n

[verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. J.P. Heering en mr. G.R. den Dekker.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster] .

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 491248 CV EXPL 12-3790 van de kantonrechter te Maastricht van 27 februari 2013;

b. de arresten in de zaak HD 200.127.884/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 juli 2013, 18 maart 2014 en 14 oktober 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 18 maart 2014 en 14 oktober 2014 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [eiseres] mede door mr. A.H.M. van der Steenhoven.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De advocaten van partijen hebben ieder bij brief van 19 februari 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) [eiseres] exploiteert een winkel in dameskleding.

  • -

    ii) In oktober 2008 is zij door [betrokkene 1] van [B] B.V. (hierna: [B] ) benaderd over de mogelijkheid om in haar winkel een lcd-scherm voor reclamedoeleinden te plaatsen.

  • -

    iii) [betrokkene 1] heeft [eiseres] een aanvraag doen toekomen voor een leaseovereenkomst met betrekking tot een lcd-scherm, voor een periode van 60 maanden tegen een prijs van € 119,-- per maand inclusief btw. Als partijen zijn in de overeenkomst vermeld: [eiseres] als lessee en [verweerster] als lessor. In de door [eiseres] ondertekende en aan [verweerster] toegestuurde aanvraag voor de leaseovereenkomst is onder meer vermeld:

“Aanvraagverklaring van de lessee. (…) Ik vraag/wij vragen bij [verweerster] de afsluiting van het leasecontract aan. Ik blijf/wij blijven 4 weken vanaf de dag van de ondertekening gebonden aan dit aanbod.”

  • -

    iv) [eiseres] heeft met [B] een ‘overeenkomst voor informaticaprestaties’ gesloten, waarin [B] zich jegens [eiseres] verplicht om tegen een maandelijkse vergoeding van € 49,-- te zorgen voor installatie en onderhoud van het scherm en de overige benodigde apparatuur en het verzorgen van de benodigde opleiding voor de bediening van de apparatuur.

  • -

    v) [B] heeft het lcd-scherm aan [verweerster] verkocht en op 22 oktober 2008 bij [eiseres] afgeleverd. De door [eiseres] ondertekende afgiftebevestiging van die datum bevat de mededeling:

“Onze/mijn bovengenoemde lease aanvraag wordt – voor zover deze nog niet geaccepteerd werd – hiermee opnieuw ingediend. Ik blijf/wij blijven nog drie weken vanaf ontvangst van deze afgiftebevestiging door de lessor gebonden aan het contractaanbod.”

(vi) Aanvaarding van het aanbod van [eiseres] heeft pas plaatsgevonden bij brief van [verweerster] van 21 november 2008, dus na het verstrijken van de termijnen die in de door [eiseres] ondertekende stukken staan vermeld. In deze brief aan [eiseres] schrijft [verweerster] onder meer:

“Geachte Dames en Heren, Hartelijk bedankt voor uw leasingaanvraag. Hiermee bevestigen wij u dat, na levering van het lease object, het contract van kracht is en hopen wij op een prettige samenwerking. Wij verzoeken u om vragen met betrekking tot het contract met vermelding van bovenstaande contractnummer, schriftelijk aan ons te richten. U krijgt dan zo spoedig mogelijk antwoord. Voor het lopende contract kunt u, aan de hand van de bijgevoegde leasefactuur, zien wanneer er welke bedragen, conform de overeenkomst, per automatische incasso van uw rekening worden afgeschreven.”

(vii) [eiseres] heeft op 21 november 2008 per fax en aangetekende brief het volgende bericht aan [B] gezonden:

“Na ampele overwegingen heb ik besloten af te zien van uw overeenkomst voor informaticaprestaties.”

  • -

    viii) [B] heeft bij brief van 24 november 2008 aan [eiseres] laten weten dat zij [eiseres] houdt aan de afgesloten overeenkomst voor informaticaprestaties.

  • -

    ix) Omdat [eiseres] , ook na aanmaning, weigerachtig is gebleven om de in de leaseovereenkomst vermelde maandtermijnen te betalen, heeft [verweerster] bij brief van 14 oktober 2009 aan (de gemachtigde van) [eiseres] meegedeeld dat de leaseovereenkomst buitengerechtelijk wordt ontbonden.

  • -

    x) [eiseres] heeft het lcd-scherm op 21 augustus 2012 aan [verweerster] geretourneerd.

3.2.1

In dit geding vordert [verweerster] , samengevat, veroordeling van [eiseres] tot betaling van een bedrag € 8.781,-- in hoofdsom, bestaande uit de achterstallige leasetermijnen tot aan de datum van ontbinding en de na die datum verschuldigde termijnen. [verweerster] legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen haar en [eiseres] een schriftelijke leaseovereenkomst is gesloten waarin [eiseres] (toerekenbaar) is tekortgeschoten en die door [verweerster] is ontbonden. De vordering met betrekking tot de na de datum van ontbinding verschuldigde leasetermijnen is primair gebaseerd op een daartoe strekkend beding in de algemene voorwaarden, en subsidiair op ongerechtvaardigde verrijking.

De kantonrechter heeft de vordering grotendeels toegewezen.

3.2.2

Voor zover in cassatie van belang heeft het hof, in zoverre met vernietiging van het vonnis van de kantonrechter, de gevorderde hoofdsom toegewezen tot een bedrag van € 5.928,27, te vermeerderen met wettelijke rente.

Het hof overwoog daartoe dat het beroep van [eiseres] op reflexwerking van de Colportagewet moet worden afgewezen (rov. 4.4.4 van het tussenarrest van 18 maart 2014), en dat het aanbod van [eiseres] tot het aangaan van een leaseovereenkomst weliswaar niet tijdig door [verweerster] is aanvaard, maar dat op grond van art. 6:223 lid 2 BW de overeenkomst toch tot stand is gekomen (rov. 7.8–7.10 van het eindarrest). Het hof heeft voorts geoordeeld dat de algemene voorwaarden van [verweerster] niet van toepassing zijn (rov. 7.13–7.14 van het eindarrest), maar dat de gevorderde leasetermijnen voor de periode tussen de datum van ontbinding van de overeenkomst en de datum van retournering van het lcd-scherm wel toewijsbaar zijn op grond van ongerechtvaardigde verrijking (rov. 7.15– 7.16 van het eindarrest).

3.3.1

Onderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van het hof dat de leaseovereenkomst tot stand is gekomen ondanks de te late aanvaarding door [verweerster] van de (hiervoor in 3.1 onder (iii) en (v) bedoelde) aanvraag van [eiseres] . Het hof heeft daaromtrent in rov. 7.9 van het eindarrest als volgt overwogen:

“7.9. De brief van [verweerster] d.d. 21 november 2008 houdt onder meer in: “Geachte Dames en Heren, Hartelijk bedankt voor uw leasingaanvraag. Hiermee bevestigen wij u dat, na levering van het lease object, het contract van kracht is en hopen wij op een prettige samenwerking. Wij verzoeken u om vragen met betrekking tot het contract met vermelding van bovenstaande contractnummer, schriftelijk aan ons te richten. U krijgt dan zo spoedig mogelijk antwoord. Voor het lopende contract kunt u, aan de hand van de bijgevoegde leasefactuur, zien wanneer er welke bedragen, conform de overeenkomst, per automatische incasso van uw rekening worden afgeschreven.”

Naar het oordeel van het hof behoorde [eiseres] op grond van de inhoud van de brief te begrijpen dat [verweerster] ervan uitging dat zij het aanbod van [eiseres] om een leaseovereenkomst aan te gaan rechtsgeldig had aanvaard. Zij had, indien zij de totstandkoming van de overeenkomst had willen voorkomen, onverwijld aan [verweerster] moeten meedelen dat zij haar in tijd gelimiteerde aanbod als vervallen beschouwde. Haar stelling dat zij een dergelijke mededeling wél heeft gedaan, namelijk telefonisch na ontvangst van de brief van 21 november 2008, kan niet worden aanvaard, gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen met betrekking tot de aan [eiseres] gegeven bewijsopdracht op dit punt. Evenmin kan de brief van [eiseres] aan [B] d.d. 21 november 2011 als een mededeling in de zin van artikel 6:223 lid 2 BW worden aangemerkt, aangezien die brief niet aan [verweerster] was gericht maar aan [B] en bovendien, gelet op de inhoud, betrekking had op de met [B] gesloten overeenkomst voor informaticaprestaties.”

Volgens onderdeel 1.1 heeft het hof miskend dat, indien het aanbod van een partij (in dit geval: [eiseres] ) een concrete, niet voor enig misverstand vatbare termijn bevat voor de aanvaarding ervan, van enige onduidelijkheid aan de zijde van de wederpartij (in dit geval: [verweerster] ) geen sprake kan zijn, tenzij sprake is van vertraging van het communicatiemiddel waarmee het aanbod werd aanvaard. Voorts klagen de onderdelen 1.2 en 1.3 dat in het licht van de door [eiseres] gestelde omstandigheden – met name dat haar aanbod een duidelijke termijn voor aanvaarding bevatte en dat de tekst van dat aanbod door [verweerster] zelf was geformuleerd en in haar modelcontracten was opgenomen – onbegrijpelijk is dat het hof uit de brief van 21 november 2008 van [verweerster] heeft afgeleid dat bij [verweerster] onduidelijkheid heeft bestaan over de tijdigheid van haar aanvaarding en dat [eiseres] dat behoorde te begrijpen.

3.3.2

Art. 6:223 lid 2 BW houdt in dat indien de aanvaarding van een aanbod te laat plaatsvindt, maar de aanbieder begrijpt of behoort te begrijpen dat dit voor de wederpartij niet duidelijk was, de aanvaarding als tijdig gedaan geldt, tenzij de aanbieder onverwijld aan de wederpartij mededeelt dat hij het aanbod als vervallen beschouwt. Uit de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.5.3 geciteerde toelichting in de MvA II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 888, volgt dat deze bepaling ertoe strekt het risico van onduidelijkheid over de tijdigheid van de aanvaarding tussen partijen te verdelen in overeenstemming met het vertrouwensbeginsel dat de totstandkoming van rechtshandelingen in het algemeen beheerst. Volgens deze toelichting kan van de aanbieder, wanneer hij zich op niet-tijdigheid van de aanvaarding wil beroepen, alleen dan gevergd worden dat hij onverwijld reageert, indien hij de voor de wederpartij bestaande onduidelijkheid begreep of behoorde te begrijpen. De genoemde strekking van de bepaling brengt volgens de toelichting mee dat “niet te snel zal mogen worden aangenomen dat aan deze eis is voldaan”.

In het licht hiervan heeft te gelden dat voor bescherming van de wederpartij die het aanbod te laat heeft aanvaard, alleen plaats is indien de niet-tijdigheid van haar aanvaarding voor haar niet duidelijk was, noch behoorde te zijn. Immers, indien zij wist of behoorde te weten dat haar aanvaarding te laat was, is bij haar geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen dat door die aanvaarding een overeenkomst tot stand zou komen.

3.3.3

Volgens onderdeel 1.1 kan van onduidelijkheid aan de zijde van de wederpartij in ieder geval geen sprake zijn in een geval als het onderhavige, waarin het aanbod een concrete, niet voor misverstand vatbare termijn voor de aanvaarding bevat en de te late aanvaarding niet het gevolg is van vertraging van het communicatiemiddel waarmee het aanbod werd aanvaard. Die opvatting is echter in haar algemeenheid onjuist, omdat in een dergelijk geval niet uitgesloten is dat op andere gronden onduidelijkheid bij de wederpartij bestaat over het antwoord op de vraag of zij het aanbod tijdig heeft aanvaard.

3.3.4

De onderdelen 1.1–1.3 klagen echter terecht erover dat het hof uit de brief van [verweerster] van 21 november 2008 heeft afgeleid dat [eiseres] behoorde te begrijpen dat het voor [verweerster] niet duidelijk was dat zij het aanbod te laat aanvaardde.
[eiseres] heeft immers gesteld dat haar aanbod een duidelijke termijn voor aanvaarding bevatte en dat de tekst van dat aanbod door [verweerster] zelf in haar modelcontracten was geformuleerd. Indien het hof niet van belang heeft geacht of [verweerster] , gelet op die omstandigheden, wist of behoorde te weten dat haar aanvaarding te laat was, heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting (zie hiervoor in 3.3.2). Indien het oordeel van het hof niet aldus moet worden verstaan, is in het licht van de genoemde stellingen onbegrijpelijk zijn oordeel dat [verweerster] niet wist of behoorde te weten dat haar aanvaarding te laat was.

3.3.5

Nu de onderdelen 1.1–1.3 slagen, behoeven de onderdelen 1.4–1.6 geen behandeling.

3.4.1

Onderdeel 3 komt op tegen het oordeel van het hof dat [eiseres] op grond van ongerechtvaardigde verrijking de schade van [verweerster] moet vergoeden, bestaande in de som van de leasetermijnen over de periode tussen de ontbinding van de overeenkomst en de retournering van het lcd-scherm. Het onderdeel klaagt dat het hof bij de vaststelling van de schade van [verweerster] ten onrechte geen rekening heeft gehouden met door [verweerster] bespaarde rentes en andere voordelen als gevolg van de ontbinding, althans zijn oordeel in dat opzicht onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.4.2

Indien na verwijzing (wederom) tot de conclusie wordt gekomen dat de leaseovereenkomst tussen [verweerster] en [eiseres] tot stand is gekomen, faalt het onderdeel. Uitgaande van het bestaan van de onderhavige leaseovereenkomst (die in dit verband op een lijn gesteld kan worden met een huurovereenkomst), brengt art. 7:225 BW immers mee dat de lessee (huurder) die na het einde van de overeenkomst de zaak gedurende een bepaalde periode onrechtmatig onder zich houdt, een vergoeding verschuldigd is gelijk aan de leasetermijnen (huurprijs) over die periode. In zodanig geval wordt de schade van de lessor (verhuurder) derhalve naar objectieve maatstaven berekend (vgl. HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1782, NJ 2013/540).

3.4.3

Indien echter na verwijzing geconcludeerd wordt dat tussen [eiseres] en [verweerster] geen leaseovereenkomst tot stand is gekomen, bestaat geen grond voor (analoge) toepassing van art. 7:225 BW.
Dan zal in het licht van de omstandigheden van het geval geheel opnieuw beoordeeld moeten worden of en in hoeverre is voldaan aan de maatstaven van art. 6:212 BW.

3.5

Onderdeel 2 klaagt dat het hof het beroep van [eiseres] op reflexwerking van de Colportagewet ten behoeve van ‘kleine ondernemers’, ten onrechte heeft afgewezen. Het onderdeel faalt.

De Colportagewet is met ingang van 13 juni 2014 komen te vervallen bij de inwerkingtreding van afdeling 6.5.2B BW (de art. 6:230g-6:230z BW), waarin Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten is geïmplementeerd. Zowel de Colportagewet (oud) als afdeling 6.5.2B BW heeft betrekking op overeenkomsten tussen, kort gezegd, een handelaar en een consument (laatstgenoemde is in de Colportagewet aangeduid als ‘particulier’). Bij de parlementaire behandeling van afdeling 6.5.2B BW is de vraag aan de orde geweest of de bescherming van deze afdeling ook zou moeten gelden voor ‘kleine ondernemers’, maar daarvan is uitdrukkelijk afgezien (zie de citaten opgenomen in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.22.1). Ook de Colportagewet was toegesneden op de bescherming van consumenten (zie onder meer Kamerstukken II 1970-1971, 11 106, nr. 3, p. 7, en Kamerstukken II 1971-1972, 11 106, nr. 7, p. 9 en 12; vgl. ook de in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.21 geciteerde antwoorden van de minister op Kamervragen). De Colportagewet bevatte daartoe onder meer een specifiek vormvoorschrift, inhoudende dat de overeenkomst op straffe van nietigheid moest worden neergelegd in een ondertekende akte (art. 24), en dat de consument nog een bedenktermijn had van acht dagen na ontvangst van die akte (art. 25). Deze vormvereisten brengen mee dat duidelijkheid moet bestaan over de hoedanigheid van de wederpartij van de handelaar. Een en ander staat eraan in de weg om deze formele eisen uit de Colportagewet (analoog) toe te passen op overeenkomsten met andere wederpartijen, zeker met een moeilijk af te bakenen groep als ‘kleine ondernemers’, en dat geldt eveneens voor de door [eiseres] bepleite reflexwerking van deze regels via een algemene bepaling als art. 6:248 BW of art. 6:162 BW.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 oktober 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 497,37 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 mei 2016.