Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:995

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
27-05-2016
Datum publicatie
27-05-2016
Zaaknummer
14/05680
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:37, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2014:2520, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht, erfrecht. Zoon heeft vóór het overlijden van de moeder onrechtmatig gelden onttrokken aan haar vermogen. Berekening rente over de daaruit ontstane vordering; art. 6:119 lid 1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2016/202
RvdW 2016/653
NJB 2016/1183
RFR 2016/107
RAV 2016/82
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

27 mei 2016

Eerste Kamer

14/05680

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[de zoon],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie, verweerder in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,

t e g e n

[de dochter],
wonende te [woonplaats], Noorwegen,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.E. Bruning.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de zoon en de dochter.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak C/13/501964/HA ZA 11-2606 van de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2012, 10 april 2013 en 28 augustus 2013;

b. het arrest in de zaak 200.138.878/01 van het gerechtshof Amsterdam van 1 juli 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de zoon beroep in cassatie ingesteld. De dochter heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt zowel in het principaal als in het incidenteel beroep tot vernietiging en verwijzing.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [de vader], de vader van partijen, is op 20 juli 1982 overleden. Hij heeft bij testament van 4 maart 1976 beschikt over zijn nalatenschap en heeft daarbij een ouderlijke boedelverdeling opgenomen met benoeming van zijn echtgenote, [de moeder], de moeder van partijen, tot executeur.

(ii) [de moeder] (hierna: de moeder of de erflaatster) is op 5 december 2008 overleden. Zij heeft bij testament van 4 maart 1976 beschikt over haar nalatenschap en heeft geen erfstelling opgenomen, zodat de zoon en de dochter (hierna gezamenlijk ook: de kinderen) de enige erfgenamen bij versterf zijn.

(iii) De kinderen hebben uit hoofde van het testament van de vader ieder een vordering van € 58.884,-- op de nalatenschap van de moeder.

(iv) De moeder heeft in de periode van 1982 tot 2003 aan de kinderen schenkingen gedaan, telkens zonder vrijstelling van de verplichting tot inbreng. In deze periode heeft zij daarnaast diverse geldbedragen geleend aan de kinderen.

(v) Op 14 november 2003 heeft de moeder aan ieder van de kinderen een algemene volmacht verleend om namens haar haar zaken te behartigen.

(vi) Bij het overlijden van de moeder had de zoon een bedrag van in totaal € 451.532,-- aan het vermogen van de moeder onttrokken ten behoeve van zichzelf en een bedrag van € 56.610,-- ten behoeve van de dochter.

(vii) De moeder heeft in de periode van 2003 tot en met 2005 aan ieder van de kinderen schenkingen op papier gedaan tot een bedrag van € 76.124,-- per kind.

(viii) Op 15 juni 2009 heeft de dochter aan de zoon een boedelvolmacht verleend om alle daden betreffende de nalatenschap van de moeder te verrichten.

3.2.1

Voor zover in cassatie van belang vordert de dochter in dit geding, kort gezegd, dat de omvang van de nalatenschap van de moeder wordt vastgesteld alsmede de verdeling daarvan tussen partijen. Zij stelt dat de zoon zich door de onttrekkingen in de periode 2003-2008 (hiervoor vermeld in 3.1 onder (vi)) op onrechtmatige wijze heeft overbedeeld en dat over die onttrekkingen rente dient te worden vergoed. De zoon heeft verweer gevoerd en heeft voorts gesteld dat de moeder in 1984 een bedrag van f. 10.000,-- heeft geleend aan de dochter en haar toenmalige echtgenoot, zodat de nalatenschap een vordering van f. 10.000,-- heeft op de dochter.

3.2.2

De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat de zoon door de genoemde onttrekkingen onrechtmatig heeft gehandeld, dat de boedel daardoor schade heeft geleden en dat uit dien hoofde rente verschuldigd is. Met betrekking tot de hiervoor bedoelde lening van f. 10.000,-- oordeelde de rechtbank dat de nalatenschap terzake geen vordering op de dochter heeft. In haar eindvonnis heeft de rechtbank de zoon veroordeeld om aan de dochter een bedrag van € 103.015,72 te betalen.

3.2.3

Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank gedeeltelijk vernietigd en heeft de zoon veroordeeld tot betaling aan de dochter van een bedrag van € 118.722,--. Het heeft daartoe, samengevat, onder meer het volgende overwogen.

Met betrekking tot de rente over de onrechtmatige onttrekkingen die verschuldigd is over de periode tot 5 december 2008 volgt het hof de renteberekeningen van de dochter, te weten € 90.176,-- over de onttrekkingen ten behoeve van de zoon en € 10.054,-- over de onttrekkingen ten behoeve van de dochter. (rov. 3.7 in verbinding met rov. 3.15)

Over het tijdvak vanaf 5 december 2008 tot de dag waarop het eindvonnis van de rechtbank is gewezen (28 augustus 2013), is eveneens rente verschuldigd over de onttrekkingen, te weten het door de dochter berekende bedrag van € 64.207,-- over de onttrekkingen ten behoeve van de zoon en het door het hof berekende bedrag van € 8.050,-- over de onttrekkingen ten behoeve van de dochter. (rov. 3.6-3.7 in verbinding met rov. 3.15)

De dochter is jegens de boedel aansprakelijk voor de eerdergenoemde lening van f. 10.000,--. (rov. 3.11)

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1.1

Onderdeel 1, dat betrekking heeft op de rente over de onrechtmatige onttrekkingen die verschuldigd is over de periode tot 5 december 2008, klaagt dat het hof heeft miskend dat de schadevergoeding die verschuldigd is, bestaat in de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 lid 1 BW, zodat geen ruimte bestaat om uit te gaan van de afwijkende renteberekeningen van de dochter.

4.1.2

De rechtbank heeft, in appel onbestreden, in haar tussenvonnis van 10 april 2013 overwogen (rov. 4.22) dat de boedel door de onrechtmatige onttrekkingen schade heeft geleden en dat deze “schade dient te worden vergoed vanaf het moment dat de bedragen op onrechtmatige wijze zijn onttrokken en aldus het tijdstip waarop de aanspraak van erflaatster op terugbetaling ontstond (art. 6:83 onder b BW)”.

Het hof heeft bij de berekening van de door de onttrekkingen geleden schade de renteberekeningen van de dochter gevolgd. De dochter ging in haar berekeningen uit van “wettelijke rente + 1%”, waartoe zij aanvoerde dat de moeder een dergelijke rente placht te bedingen bij leningen aan de zoon.

4.1.3

Het hiervoor in 4.1.2 weergegeven – onbestreden – oordeel van de rechtbank komt erop neer dat de boedel ter zake van de onttrekkingen vorderingen uit onrechtmatige daad omvat, ten aanzien waarvan het verzuim intreedt indien niet terstond wordt nagekomen. Ingevolge art. 6:119 lid 1 BW bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een verschuldigde geldsom – in dit geval de schadevergoeding wegens de onttrekkingen -, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de zoon heeft aangevoerd dat hij niet meer dan de wettelijke rente verschuldigd is, was het hof gebonden aan de maatstaf van art. 6:119 lid 1 BW en heeft het blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door aansluiting te zoeken bij de renteberekeningen van de dochter. Onderdeel 1 slaagt dus.

4.2

Het slagen van onderdeel 1 brengt mee dat onderdeel 2 geen behandeling behoeft.

4.3.1

Onderdeel 3 klaagt dat het hof in de staat van verdeling (rov. 3.15) ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de lening van f. 10.000,--, waarvoor de dochter volgens het hof (rov. 3.11) aansprakelijk is.

4.3.2

De staat van verdeling in rov. 3.15 vermeldt onder “Activa” een “lening”, maar achter die vermelding is – kennelijk abusievelijk – geen bedrag ingevuld. Ook anderszins komt in de staat van verdeling het bedrag van f. 10.000,-- niet voor. Het onderdeel is dus gegrond.

4.4

Onderdeel 4 behoeft geen behandeling.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1.1

De onderdelen 1.1-1.3 hebben betrekking op de rente over de onrechtmatige onttrekkingen die verschuldigd is over de periode vanaf 5 december 2008. De onderdelen komen op tegen rov. 3.6, waarin het hof onder meer het volgende heeft overwogen:

“3.6. (…) Na het openvallen van de nalatenschap is de vordering tot terugbetaling van de onttrokken bedragen een vordering van de nalatenschap. Er bestaat voldoende aanleiding voor het toekennen van een rentevergoeding aan de boedel over deze vorderingen over het tijdvak van 5 december 2008 tot de dag waarop het eindvonnis van de rechtbank is gewezen, 28 augustus 2013, als gevorderd.”

5.1.2

De onderdelen 1.1 en 1.2 klagen dat het hof in rov. 3.6 een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan grief 3 en het petitum van de memorie van grieven van de dochter door de rentevordering slechts toe te wijzen tot de datum van het eindvonnis van de rechtbank, 28 augustus 2013, “als gevorderd”.

5.1.3

Blijkens de gedingstukken geciteerd in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1.4, heeft de dochter rente over de onttrekkingen gevorderd “tot de dag der betaling” en niet tot de datum van het eindvonnis van de rechtbank. De onderdelen 1.1 en 1.2 zijn dus gegrond.

5.1.4

Onderdeel 1.3 klaagt dat het hof in rov. 3.6 bij zijn berekening van de rente over de onttrekkingen die ten goede zijn gekomen aan de zoon respectievelijk aan de dochter, verschillende grondslagen heeft gehanteerd.

5.1.5

De dochter is bij haar berekening van de door de zoon verschuldigde rente uitgegaan van het bedrag van € 394.922,-- (zijnde het verschil tussen de onttrekking ten behoeve van de zoon ten bedrage van € 451.532,-- en de onttrekking ten behoeve van de dochter ten bedrage van € 56.610,--). In afwijking van het uitgangspunt van de berekening van de dochter heeft het hof echter – in cassatie onbestreden – tot uitgangspunt genomen dat ieder van partijen afzonderlijk gehouden is om over het ten behoeve van hem (de zoon) respectievelijk haar (de dochter) onttrokken bedrag rente te betalen voor de periode vanaf 5 december 2008. Het heeft voor de berekening van de door de dochter verschuldigde rente het ten behoeve van haar onttrokken bedrag van € 56.610,-- als grondslag gehanteerd. Voor de berekening van de door de zoon verschuldigde rente is het hof echter – door het door de dochter berekende rentebedrag van € 64.207,-- over te nemen – niet uitgegaan van de onttrekkingen ten behoeve van de zoon ten bedrage van € 451.532,--, maar – impliciet – van het door de dochter gehanteerde bedrag van € 394.922,--. De klacht is dus gegrond.

5.2

De in onderdeel 2 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale en in het incidentele beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 juli 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 27 mei 2016.