Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:833

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
15/02138
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2015:1173, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BPM. Proceskostenveroordeling. Unierecht. Art. 2, lid 3, Besluit proceskosten bestuursrecht. "Bijzondere omstandigheden" die aanleiding geven tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten? Schending Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-1182 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2016/1046
V-N 2016/29.14 met annotatie van Redactie
BNB 2016/184 met annotatie van J.A.R. van Eijsden
MR. J. VAN DE MERWE annotatie in NTFR 2016/1478
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

nr. 15/02138

13 mei 2016

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch van 2 april 2015, nr. 11/00319bis, op het hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nr. AWB 10/2414) betreffende een door belanghebbende gedaan verzoek om een veroordeling in de proceskosten en in de kosten van de behandeling van het bezwaar. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende heeft in januari 2010 een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto met dieselmotor (hierna: de auto) doen registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet aangehouden register van opgegeven kentekens en ter zake daarvan met inachtneming van de artikelen 10 en 10b van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst vanaf 1 januari 2010; hierna: de Wet) een bedrag van € 5766 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) op aangifte voldaan. De auto was in 2006 voor het eerst in Duitsland toegelaten tot de openbare weg.

2.1.2.

Belanghebbende heeft tegen de hiervoor in 2.1.1 vermelde voldoening bezwaar gemaakt op de grond dat toepassing van de hiervoor in 2.1.1 vermelde bepalingen van de Wet in strijd is met artikel 110 VWEU. Het aan bpm verschuldigde bedrag moet in dit geval € 4533 bedragen, aldus belanghebbende in haar bezwaarschrift. Daarbij heeft zij verzocht om vergoeding van de kosten van het bezwaar. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard.

2.2.

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op onverbindendheid van de hiervoor in 2.1.1 vermelde bepalingen van de Wet verworpen, en geoordeeld dat het hiervoor in 2.1.1 vermelde bedrag van € 5766 op andere gronden moet worden verminderd tot € 4533. Voorts heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de kosten die belanghebbende heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en van het beroep overeenkomstig de normen van artikel 2, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit).

2.3.1.

Voor het Hof heeft belanghebbende in de eerste plaats gesteld dat op grond van artikel 110 VWEU heffing van bpm voor de auto achterwege moet blijven voor zover deze heffing ingevolge de in artikel 9, lid 1, van de Wet opgenomen tabellen afhankelijk is van de CO2-uitstoot. Belanghebbende heeft voor het Hof voorts gesteld dat de verschuldigde bpm niet meer mag bedragen dan het bedrag aan bpm dat nog rust op een gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte personenauto, en dat om die reden zij voor de door haar verschuldigde bpm (mede) mag uitgaan van de belasting die nog drukt op de vanaf 1 februari 2008 tot en met 31 december 2009 geregistreerde vergelijkbare personenauto’s, waarin niet is begrepen de heffing die afhankelijk is van de CO2-uitstoot.

2.3.2.

Het Hof heeft met betrekking tot de twee stellingen van belanghebbende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Het Hof van Justitie heeft - na te hebben overwogen dat het deel van de bpm dat sedert 1 februari 2008 afhankelijk van de CO2-uitstoot wordt geheven niet een andere, los van de bpm staande belasting is – voor recht verklaard dat artikel 110 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een belasting als de in 2010 geldende bpm, indien en voor zover het bedrag van die belasting op ingevoerde tweedehands voertuigen dat wordt geheven bij hun registratie in Nederland hoger is dan het laagste restbedrag van die heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in die lidstaat geregistreerde tweedehands voertuigen (HvJ 19 december 2013, X, C‑437/12, ECLI:EU:C:2013:857, V-N 2014/2.18).

2.3.3.

Vervolgens hebben belanghebbende en de Inspecteur zich eenparig op het standpunt gesteld dat het aan bpm verschuldigde bedrag met betrekking tot de registratie van de auto € 4194 bedraagt. Dit bedrag is berekend door uit te gaan van het voor het jaar 2009 geldende bpm-tarief, waarin niet is begrepen heffing die afhankelijk is van de CO2-uitstoot. Het Hof heeft dienovereenkomstig beslist en een teruggaaf van € 1572 gelast.

2.3.4.

Het Hof heeft de Inspecteur veroordeeld in de totale kosten van rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft gemaakt, ten bedrage van € 20.823,70. Voor het Hof heeft belanghebbende verklaard dat aan de hoogte van dit bedrag in het bijzonder ten grondslag liggen de inspanningen om de zaak bij het Hof van Justitie te bepleiten. Naar het oordeel van het Hof is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit.

2.3.5.

Aan het hiervoor in 2.3.4 bedoelde oordeel heeft het Hof in de eerste plaats ten grondslag gelegd dat het de wetgever valt te verwijten dat bij invoering van artikel 10b van de Wet per 1 januari 2010 aan dit artikel niet aanstonds de vorm is gegeven die het per 1 januari 2013 wel heeft gekregen. Aangezien het per 1 januari 2010 ingevoerde artikel 10b van de Wet belanghebbende evident geen keuze bood voor de berekening van het zogenoemde restbedrag aan bpm uit te gaan van het in de jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 geldende laagste bedrag aan bpm, was in zoverre het per 1 januari 2010 ingevoerde artikel 10b van de Wet voorzienbaar niet in overeenstemming met artikel 110 VWEU, aldus het Hof.

Het valt naar het oordeel van het Hof de Inspecteur te verwijten, dat hij, gezien deze voorzienbaarheid, niet een standpunt heeft verdedigd dat strookte met artikel 110 VWEU. Voorts heeft, aldus het Hof, de wetgever per 1 januari 2010 artikel 9 van de Wet gewijzigd, zodat per die datum ook van auto's die voor 1 februari 2008 in gebruik zijn genomen, in tegenstelling tot voorheen, bpm wordt geheven die afhankelijk is van de CO2-uitstoot. Deze heffing en het ontbreken van overgangsrecht dienaangaande hebben het Hof genoopt tot het stellen van prejudiciële vragen, aldus nog steeds het Hof.

Op grond van dit een en ander is het Hof tot het oordeel gekomen dat de verwezenlijking van de aanspraken die belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, uiterst moeilijk is gemaakt.

2.3.6.

Voorts heeft het Hof in aanmerking genomen dat de door belanghebbende gemaakte kosten (€ 20.823,70) in wanverhouding staan tot het bedrag van de teruggaaf van bpm van € 1572, en dat die kosten in wanverhouding staan tot de kostenvergoeding van € 3787 waarop belanghebbende recht zou hebben volgens het forfaitaire systeem in de bijlage bij het Besluit.

2.3.7.

Op grond van zijn hiervoor in 2.3.5 en 2.3.6 weergegeven overwegingen is het Hof tot het oordeel gekomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 2, lid 3, van het Besluit, die rechtvaardigen dat aan belanghebbende de werkelijke kosten worden vergoed.

Het middel richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen dit oordeel.

2.4.1.

Het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, leveren de door het Hof in aanmerking genomen omstandigheden als hiervoor in 2.3.5 vermeld geen schending op van vorenstaand beginsel, aangezien die omstandigheden geen bepalingen op procesrechtelijk gebied betreffen die het voor belanghebbende onmogelijk of uiterst moeilijk hebben gemaakt de hiervoor in 2.1.1 bedoelde heffing van bpm te bestrijden (vgl. HR 7 oktober 2005, nr. 35729, ECLI:NL:HR:2005:AU3929, BNB 2005/374).

2.4.2.

Voor zover in ’s Hofs oordeel ligt besloten dat de Inspecteur tegen beter weten in heeft geprocedeerd door voorzienbaar in strijd met het Unierecht artikel 10b van de Wet toe te passen, heeft het volgende te gelden.

Het Hof heeft het voor het doen van uitspraak noodzakelijk geacht de bij zijn tussenuitspraak van 27 september 2012, nr. 11/00319, ECLI:NL:GHSHE:2012:BX9463, geformuleerde prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie. Daarmee heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat naar zijn oordeel niet evident was dat de in geding zijnde wettelijke bepalingen in strijd waren met het recht van de Europese Unie. In die omstandigheden kan – voordat het Hof van Justitie arrest heeft gewezen - de Inspecteur niet worden verweten een evident met het Unierecht strijdig standpunt omtrent die bepalingen te hebben ingenomen. De omstandigheden dat de Staatssecretaris van Financiën zich heeft neergelegd bij de uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden van 21 februari 2012, nr. BK 11/00074, ECLI:NL:GHLEE:2012:BV7735, en in die uitspraak aanleiding heeft gezien om met ingang van 1 januari 2013 artikel 10b van de Wet te wijzigen, maken dit niet anders.

2.5.

Naar volgt uit hetgeen hiervoor in 2.4.1 en 2.4.2 is overwogen, slaagt het middel. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

De door het Hof vastgestelde wanverhoudingen tussen de hoogte van de teruggaaf en de werkelijk gemaakte kosten, en tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het puntenstelsel en de werkelijk gemaakte kosten, vormen geen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit. Het procesdossier biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit. De door belanghebbende gemaakte kosten van rechtsbijstand dienen te worden vergoed met toepassing van de bijlage bij het Besluit.

Voor de door belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep (de procedure voor het Hof van Justitie daarin begrepen) gemaakte kosten leidt dit tot een vergoeding van 5 punten à € 496, derhalve € 2480.

Voor de door belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten leidt dit tot een vergoeding van 2 punten à € 496, derhalve € 992, en voor de door belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar gemaakte kosten tot een vergoeding van 1 punt à € 246.

3 Proceskosten

Wat betreft het beroep in cassatie acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, doch uitsluitend voor zover daarbij de Inspecteur is veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep, het hoger beroep en de procedure voor het Hof van Justitie, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en de Rechtbank alsmede in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3718 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2016.