Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:752

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-04-2016
Datum publicatie
29-04-2016
Zaaknummer
14/05591
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2195, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:7469, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Zuiveringsheffing Waterschap Groot Salland; art. 122d Waterschapswet; art. 3 Verordening op de zuiveringsheffing Waterschap Groot Salland; heffing ter zake van het direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap. Ingevolge de Verordening doet het belastbare feit zich niet voor bij stoffen die uit het gemeenteriool worden verwijderd voordat zij het zuiveringstechnische werk hebben kunnen bereiken. Bewijslast voor de omvang van het verwijderde deel ligt bij belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2016/252 met annotatie van G. Groenewegen
V-N 2016/26.12 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/936
BNB 2016/168 met annotatie van S. Bosma
M en R 2016/111
FutD 2016-1100
NTFR 2016/1532 met annotatie van mr. H Spaermon
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 april 2016

nr. 14/05591

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 september 2014, nr. 13/00912, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Overijssel (nr. ABW ZWO 12/1632) betreffende een aan belanghebbende opgelegde aanslag in de zuiveringsheffing van Waterschap Groot Salland. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het dagelijks bestuur van Gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn (hierna: het dagelijks bestuur) heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben de zaak mondeling doen toelichten, belanghebbende door mr. A.E.H. van der Voort Maarschalk en mr. J.W. Kop, advocaten te Amsterdam, het dagelijks bestuur door mr. A.G. Hendriks, advocaat te Rotterdam.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 30 september 2015 geconcludeerd tot het gegrond verklaren van het beroep in cassatie.

Het dagelijks bestuur heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende huurt een onroerende zaak die is gelegen op een bedrijventerrein in de gemeente Kampen. De onroerende zaak bestaat uit onder meer opslagtanks die zijn geplaatst in lekbakken. De lekbakken zijn aangesloten op het gemeenteriool. Het afvalwater in het gemeenteriool wordt geleid naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: de RWZI) die in beheer is bij het Waterschap Groot Salland (hierna: het Waterschap).

2.1.2.

Op 18 december 2009 zijn twee van de bij belanghebbende in gebruik zijnde opslagtanks beschadigd geraakt waardoor uit deze tanks een vloeibare meststof, Urean30, is gestroomd. Een deel van de vloeibare meststof, 1214 m³ Urean30, is in het gemeenteriool terechtgekomen.

2.1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de zuiveringsheffing van het Waterschap opgelegd. In de maatstaf waarnaar de zuiveringsheffing is berekend, is begrepen de vervuilingswaarde van de hiervoor in 2.1.2 vermelde hoeveelheid meststof die in het gemeenteriool is gevloeid.

2.2.1.

Voor zover in cassatie van belang was voor het Hof in geschil het antwoord op de vraag of de zuiveringsheffing kan worden geheven ter zake van de hiervoor in 2.1.2 vermelde hoeveelheid meststof die in het gemeenteriool is terechtgekomen, of slechts ter zake van dat deel van de meststof dat vanuit het gemeenteriool daadwerkelijk is terechtgekomen in de RWZI. In dat verband heeft belanghebbende voor het Hof onder meer aangevoerd dat zij een deel van de meststof, namelijk 715 m³ Urean30, voordat dit de RWZI heeft kunnen bereiken uit het gemeenteriool heeft gepompt en op andere wijze heeft afgevoerd. Het dagelijks bestuur heeft de door belanghebbende gestelde omvang van de opgepompte en op andere wijze afgevoerde hoeveelheid meststof bestreden.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de zuiveringsheffing terecht is geheven over de hiervoor in 2.1.2 vermelde hoeveelheid meststof, aangezien de Verordening op de zuiveringsheffing Waterschap Groot Salland (hierna: de Verordening) het brengen van stoffen op een riolering (mede) als belastbaar feit aanmerkt.

2.3.1.

Het middel richt zich tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof en betoogt dat enkel stoffen die de RWZI hebben bereikt in de heffing mogen worden betrokken. Volgens het middel moet bij de berekening van de heffing buiten beschouwing worden gelaten de hoeveelheid meststof die belanghebbende uit het gemeenteriool heeft gepompt.

2.3.2.

De Verordening strekt ter uitvoering van de Waterschapswet. Artikel 122d, lid 1, van de Waterschapswet bepaalt het belastbare feit voor de zuiveringsheffing en luidt als volgt:

“1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren.”

Blijkens artikel 122c, aanhef en letters a, b, c en d, van de Waterschapswet in onderlinge samenhang gelezen wordt in dit verband onder “afvoeren” verstaan het brengen van afvalstoffen, dan wel verontreinigende of schadelijke stoffen, op een bij een gemeente in beheer zijnde voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater (een riolering) of op een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater (een zuiveringstechnisch werk), niet zijnde een riolering.

In artikel 3, lid 1, van de Verordening is het belastbare feit voor de zuiveringsheffing Waterschap Groot Salland als volgt omschreven:

“1. Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt onder de naam zuiveringsheffing een directe belasting geheven ter zake van direct of indirect afvoeren op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het waterschap.”

Volgens artikel 1, letter c, van de Verordening geldt als een zuiveringstechnisch werk een werk voor het zuiveren van afvalwater of het transport van afvalwater, niet zijnde een riolering. In artikel 1, letter d, van de Verordening is het begrip “afvoeren” omschreven als het brengen van stoffen op een riolering of op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het Waterschap.

Hoewel het begrip “afvoeren” zoals gebezigd in de Verordening mede omvat het brengen van stoffen op een riolering, beperkt voormeld artikel 3, lid 1, het belastbare feit voor de onderhavige heffing uitdrukkelijk tot het direct of indirect brengen van stoffen op een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het Waterschap. Dit brengt mee dat stoffen die worden gebracht op een riolering in beheer bij een gemeente en die voordat zij een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het Waterschap hebben bereikt uit de riolering worden verwijderd, niet op grond van de Verordening in de zuiveringsheffing kunnen worden betrokken. Deze uitleg is in overeenstemming met doel en strekking van de onderhavige heffing. Blijkens artikel 3, lid 1, van de Verordening dient de heffing immers ter bestrijding van kosten van het Waterschap die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater.

2.3.3.

Ingeval stoffen worden gebracht op een riolering in beheer bij een gemeente en de riolering het zich daarin bevindende afvalwater direct of indirect leidt naar een zuiveringstechnisch werk in beheer bij het Waterschap, moet in de regel ervan worden uitgegaan dat de op de riolering gebrachte stoffen het zuiveringstechnische werk zullen bereiken. Degene die stelt dat door hem op de riolering gebrachte stoffen, of een deel daarvan, het zuiveringstechnische werk niet hebben bereikt, draagt daarom de bewijslast van die stelling. Hij dient aannemelijk te maken dat, en in welke mate, de desbetreffende stoffen niet op het zuiveringstechnische werk zijn gebracht.

2.3.4.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.2 is overwogen, geeft het oordeel van het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting en slaagt het middel. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek naar de vraag in welke mate de hiervoor in 2.1.2 vermelde hoeveelheid meststof de RWZI niet heeft bereikt.

3 Proceskosten

Het dagelijks bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat het dagelijks bestuur van Gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 493, en

veroordeelt het dagelijks bestuur van Gemeenschappelijk belastingkantoor Lococensus-Tricijn in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2976 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2016.