Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:727

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
15/05541
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:5552, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:288, Contrair
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Appelprocesrecht. WSNP. Ontvankelijkheid hoger beroep. Verschoonbare termijnoverschrijding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2016/169
RvdW 2016/552
NJ 2016/225
NJB 2016/894
INS-Updates.nl 2016-0196
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 april 2016

Eerste Kamer

15/05541

RM/RB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoekster],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. R.R. Verkerk.

Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/13/12/383-R van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2015;

b. het arrest in de zaak 200.174.774/01 van het gerechtshof Amsterdam van 25 november 2015.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 26 februari 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 september 2008 zijn de goederen die aan [verzoekster] (zullen) toebehoren onder bewind gesteld. Daarbij is [betrokkene 1] tot bewindvoerder benoemd (hierna: de beschermingsbewindvoerder).

(ii) Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2012 is ten aanzien van [verzoekster] de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
Daarbij is [betrokkene 2] tot bewindvoerder benoemd (hierna: de bewindvoerder).

3.2.1

In het onderhavige geding heeft de bewindvoerder verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen. Op 1 juli 2015 is het verzoek door de rechtbank mondeling behandeld. Daarbij was [verzoekster] samen met haar beschermingsbewindvoerder aanwezig. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is onder meer opgenomen dat is medegedeeld dat op 8 juli 2015 uitspraak zal worden gedaan en is gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep, in te dienen door een advocaat bij het gerechtshof te Amsterdam binnen acht dagen na het vonnis.

3.2.2

Bij vonnis van 8 juli 2015 heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder toekenning van de schone lei.

3.2.3

De beschermingsbewindvoerder heeft het hof bij brief van 30 juli 2015 bericht hoger beroep in te stellen tegen het vonnis. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 augustus 2015, heeft een advocaat namens [verzoekster] een beroepschrift ingediend.

3.2.4

Het hof heeft [verzoekster] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep. Het heeft daartoe overwogen:

“2.7 In het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank van 1 juli 2015 is, aan het slot, opgenomen dat aan [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder is meegedeeld dat op 8 juli 2015 uitspraak zou worden gedaan en dat zij zijn gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep binnen acht dagen na de dag van de uitspraak van het vonnis. Hoewel [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder betwisten dat van een en ander op die zitting melding is gemaakt, hebben zij geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die aannemelijk maken dat onjuist is hetgeen in het proces-verbaal is vermeld. Het hof gaat dan ook van de juistheid van het proces-verbaal uit. Of [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder een afschrift van het vonnis hebben ontvangen – [verzoekster] en haar beschermingsbewindvoerder ontkennen dat – kan in het midden blijven, nu een zodanige toedracht [verzoekster] niet zou baten. Het had dan immers in het licht van de mededeling van de rechtbank omtrent de datum van uitspraak op haar weg dan wel die van haar beschermingsbewindvoerder gelegen kort na 8 juli 2015, en in ieder geval zo danig tijdig dat eventueel nog beroep kon worden ingesteld, bij de rechtbank navraag te doen, indien zij/hij het vonnis van de rechtbank niet had ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat zulks is gedaan: de beschermingsbewindvoerder heeft eerst op 30 juli 2015 contact met de rechtbank opgenomen. Het overschrijden van de wettelijke beroepstermijn acht het hof dan ook niet verschoonbaar en dient voor rekening van [verzoekster] te komen, zodat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep.”

3.3.1

Onderdeel 1 klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de overschrijding van de beroepstermijn in dit geval niet verschoonbaar is omdat het op de weg van [verzoekster] dan wel haar beschermingsbewindvoerder had gelegen om bij de rechtbank navraag te doen naar het vonnis. Het voert daartoe aan dat (i) [verzoekster] en de beschermingsbewindvoerder eerst op 30 juli 2015 buiten hun toedoen vernamen dat het vonnis was gewezen en eveneens buiten hun toedoen eerst op 3 augustus 2015 daarvan een afschrift ontvingen, (ii) niet is gebleken dat aan hen conform het toepasselijke procesreglement de mededeling is gedaan dat zij telefonisch konden informeren naar het vonnis, (iii) zij in eerste aanleg niet beschikten over rechtsbijstand c.q. niet werden bijgestaan door een advocaat, (iv) de appeltermijn van acht dagen bijzonder kort is en (v) een oordeel waarvan de strekking is dat aan een saniet als [verzoekster] geen schone lei wordt toegekend ingrijpend is.

3.3.2

Volgens vaste rechtspraak is een termijnoverschrijding verschoonbaar indien degene die beroep instelt, ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt.

3.3.3

Nu [verzoekster] in eerste aanleg niet werd bijgestaan door een advocaat en niet blijkt dat haar, in overeenstemming met art. 3.1.4.1 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken, is medegedeeld op welke datum en op welk tijdstip telefonisch naar de uitspraak kon worden geïnformeerd, is sprake van een verzuim van de rechtbank als gevolg waarvan [verzoekster] redelijkerwijs niet hoefde te weten dat de rechtbank op 8 juli 2015 uitspraak had gedaan. Het hof had dan ook behoren te onderzoeken of de uitspraak van de rechtbank als gevolg van een niet aan [verzoekster] toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep aan haar is toegezonden of verstrekt. (Vgl. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, NJ 2014/359).

Het onderdeel slaagt dus, evenals het daarop voortbouwende onderdeel 3.

3.4

Onderdeel 2 behoeft geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 25 november 2015;

wijst het geding terug naar dat hof ter verdere behandeling en beslissing.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 22 april 2016.