Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:694

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
15/04715
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:2903, Bekrachtiging/bevestiging
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBROT:2014:7928, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 15.33, 10.21 en 10.26 Wet milieubeheer; Verordening afvalstoffenheffing 2013 gemeente Rotterdam. De omstandigheid dat de gemeente het gft-afval niet afzonderlijk inzamelt is een gedeeltelijke schending van de inzamelplicht, maar brengt niet mee dat geen afvalstoffenheffing verschuldigd is voor de ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2016/24.19 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/905
Belastingblad 2016/226 met annotatie van M.R.P. de Bruin
BNB 2016/159 met annotatie van J.A. MONSMA
M en R 2016/99
FutD 2016-1044
NTFR 2016/1286 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

22 april 2016

nr. 15/04715

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 15 september 2015, nr. BK‑14/01502, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 13/6907) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de afvalstoffenheffing (hierna: de aanslag). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepsschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende was in het jaar 2013 feitelijke gebruiker van de woning [a-straat 1a] te [Z]. In dit jaar heeft belanghebbende bij dit perceel wekelijks huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aangeboden. De gemeente heeft telkens zorggedragen voor de inzameling van die afvalstoffen.

2.1.2.

In de gemeente Rotterdam werd groente-, fruit- en tuinafval (hierna: gft-afval) in het onderhavige jaar niet afzonderlijk ingezameld.

2.1.3.

In dat jaar was van kracht de door de raad van de gemeente Rotterdam vastgestelde Verordening afvalstoffenheffing 2013 (hierna: de Verordening). De Verordening luidt, voor zover hier van belang:

“Artikel 2 Aard van de belasting en belastbaar feit

1. Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 3 Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en tarieven

1. De belasting bedraagt per perceel, per kalenderjaar: € 339,90.

(…)”

2.1.4.

Met de Verordening is uitvoering gegeven aan, onder meer, artikel 10.21 Wet milieubeheer, luidende:

“1. De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.

2. Groente-, fruit- en tuinafval wordt daarbij in ieder geval afzonderlijk ingezameld.

3. De gemeenteraad kan besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen.”

2.1.5.

In artikel 10.26, lid 1, Wet milieubeheer is bepaald, voor zover hier van belang:

“De gemeenteraad kan, in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de afvalstoffenverordening bepalen dat:

a. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk perceel;

b. huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een daarbij aangegeven regelmaat;

c. in een gedeelte van het grondgebied van de gemeente geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld;

d. daarbij aangegeven bestanddelen van het groente-, fruit- en tuinafval afzonderlijk worden ingezameld;

e. groente-, fruit- en tuinafval met andere daarbij aangegeven bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk van het overige huishoudelijk afval wordt ingezameld.”

2.2.

Voor het Hof was in geschil of de aanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende heeft dat onder meer bestreden met de stelling dat de gemeente niet heeft voldaan aan haar in artikel 10.21 Wet milieubeheer bedoelde inzamelplicht omdat belanghebbende niet de mogelijkheid is geboden het gft-afval afzonderlijk ter inzameling aan te bieden. Om die reden is de Verordening onverbindend, aldus belanghebbende.

2.3.

Het Hof heeft die stelling verworpen, overwegende dat niet in geschil is dat de gemeente Rotterdam heeft voldaan aan de verplichting wekelijks het huishoudelijk afval in te zamelen dat bij het bij belanghebbende in gebruik zijnde perceel ter inzameling werd aangeboden. De omstandigheid dat de gemeente haar verplichting om gft-afval afzonderlijk in te zamelen niet is nagekomen, staat niet ter beoordeling van de belastingrechter en staat derhalve niet aan de heffing in de weg, aldus het Hof.

2.4.

Tegen dit oordeel komt belanghebbende op met de stelling dat artikel 10.26 Wet milieubeheer geen grondslag biedt om de gescheiden inzameling van gft-afval volledig achterwege te laten.

2.5.1.

De vraag of de Verordening onverbindend moet worden verklaard omdat de gemeente niet heeft voldaan aan haar inzamelplicht staat in volle omvang aan de belastingrechter ter beoordeling.

2.5.2.

De gemeente heeft niet voldaan aan de haar in artikel 10.21, lid 2, Wet milieubeheer opgelegde verplichting om gft-afval afzonderlijk in te zamelen. De in artikel 10.26 Wet milieubeheer omschreven mogelijkheden tot afwijking van artikel 10.21 van die Wet bieden geen steun voor de opvatting dat de afzonderlijke inzameling van gft-afval geheel achterwege mag blijven, zoals de klacht terecht betoogt.

2.5.3.

Tot cassatie kan dit echter niet leiden. De gemeente heeft, naar in cassatie onbestreden vaststaat, alle bij het perceel van belanghebbende aangeboden huishoudelijke afvalstoffen wekelijks ingezameld. Derhalve heeft de gemeente wel voldaan aan haar plicht tot inzameling van alle huishoudelijke afvalstoffen, zij het met betrekking tot het gft-afval niet op de wijze die in artikel 10.21 Wet milieubeheer is voorgeschreven. Deze schending van artikel 10.21 Wet milieubeheer is van onvoldoende gewicht om de Verordening onverbindend te verklaren. De aan belanghebbende opgelegde aanslag afvalstoffenheffing blijft derhalve in stand.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.