Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:667

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2016
Datum publicatie
15-04-2016
Zaaknummer
15/01376
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:12, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2012:BY5969, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2011:BT6282, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:5346, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:921, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Dwangsom. Kan dwangsom worden verbonden aan veroordeling tot medewerking aan levering onroerend goed indien daarin begrepen is de verplichting tot betaling van de koopsom? Art. 611a Rv; HR 23 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:113.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 611a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/835
RvdW 2016/518
JWB 2016/153
RVR 2016/59
NJ 2017/122 met annotatie van Redactie, A.I.M. van Mierlo
JBPR 2016/48 met annotatie van prof. mr. A.W. Jongbloed
JIN 2016/112 met annotatie van M. Teekens
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 april 2016

Eerste Kamer

15/01376

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1] ,

2. [eiseres 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

advocaten: mr. M.E. Gelpke en mr. R.L. de Graaff,

t e g e n

ABC WONEN B.V.,
gevestigd te Wanssum, gemeente Venray,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en ABC.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 97565/HA ZA 09-895 van de rechtbank Roermond van 24 maart 2010 en 15 december 2010;

b. de arresten in de zaak HD 200.079.851/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 september 2011, 11 december 2012, 1 april 2014 en 16 december 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 11 december 2012 en 16 december 2014 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

ABC heeft geconcludeerd tot verwerping.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij brief van 5 februari 2016 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) Tussen ABC (voorheen genaamd [A] B.V.) en [eiser] c.s. is op 20 mei 2008 een overeenkomst gesloten waarbij [eiser] c.s. aan hen toebehorende percelen aan ABC hebben verkocht voor een koopprijs van € 990.000,-- kosten koper.

  • -

    ii) De voor 31 december 2008 voorziene levering heeft toen niet plaatsgehad.

3.2.1

In dit geding hebben [eiser] c.s. gevorderd ABC op straffe van een dwangsom te veroordelen om medewerking te verlenen aan het verlijden van de transportakte en om uiterlijk op het moment van levering de verschuldigde koopsom van € 990.000,-- te voldoen. In haar eindvonnis heeft de rechtbank ABC veroordeeld om binnen 30 dagen na betekening van dat vonnis medewerking te verlenen aan het verlijden van de transportakte, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-- voor iedere dag dat ABC in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 1.500.000,--, alsmede om uiterlijk op het moment van de levering de verschuldigde koopsom te voldoen door storting op de rekening van de notaris.

3.2.2

Het hof heeft het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en ABC veroordeeld om medewerking te verlenen aan het verlijden van de transportakte en uiterlijk op het moment van de levering de koopsom ad € 989.500,-- te voldoen, zonder oplegging van een dwangsom. In rov. 7.19 van zijn tussenarrest van 11 december 2012 heeft het hof ten aanzien van de door [eiser] c.s. gevorderde dwangsom overwogen:

“Volgens artikel 611a lid 1 Rv kan een dwangsom niet worden opgelegd in geval van een hoofdveroordeling tot betaling van een geldsom. Hoofdverplichting van [A] als koper is het betalen van de koopsom; aan die verplichting kan derhalve geen dwangsom worden verbonden.

Voor zover de verlangde medewerking aan het verlijden van de akte de verplichting tot het betalen van de koopprijs omvat stuit (nu in de akte is opgenomen dat de totale koopprijs € 990.000 bedraagt “welke koopprijs door koper is voldaan door storting op een kwaliteitsrekening ten name van het derdengelden Notaris Bergen (Limburg)”) toewijzing van een dwangsomveroordeling dus af op het bepaalde in artikel 611a Rv.

Voor zover de verplichting tot medewerking aan het verlijden van de transportakte niet meer inhoudt dan de verplichting om bij de notaris te verschijnen en zich bereid te verklaren de akte te ondertekenen is, gelet op het feit dat deze akte alleen zal worden verleden indien de koopprijs
is voldaan, niet in te zien welk belang bij een veroordeling met deze beperkte strekking aan de zijde van (geïntimeerde) bestaat. De dwangsomvordering is dus ook in dat geval – wegens gebrek aan belang – naar het oordeel van het hof niet toewijsbaar.”

In zijn eindarrest heeft het hof overwogen:

“13.28 (…) Het hof blijft ook na heroverweging (…) van oordeel dat de rechtbank ten onrechte een dwangsom heeft verbonden aan de veroordeling van [A] .

In aanvulling op de motivering in het tussenarrest, die door het hof wordt gehandhaafd, wijst het hof op het proces-verbaal opgemaakt door notaris Rieff op 4 februari 2010 [bedoeld is: 2011, HR] (…). (Weliswaar heeft [eiser 1] opgemerkt dat het proces-verbaal niet helemaal juist is, maar in ieder geval zijn de hoofdlijnen van dat proces-verbaal niet betwist.)

Uit het proces-verbaal blijkt dat [eiser 1] en [eiseres 2] enerzijds en [betrokkene 1] (als bestuurder van [A] ) anderzijds door de notaris bijeengeroepen zijn om de termijn van transport opgenomen in het vonnis van de rechtbank (…) d.d. 15 december 2010 niet te laten verlopen.

(…) [A] meldde dat zij (…) haar medewerking aan de uitvoering van het vonnis wenste te verlenen – temeer omdat het niet voldoen daaraan een schade voor haar opleverde van € 25.000 per dag – maar dat zij de koopsom en bijkomende kosten noch uit eigen middelen noch uit geleende middelen kon voldoen. [A] heeft aan de notaris die dag stukken overgelegd waaruit zulks volgens de notaris bleek. (…).

Zoals uit het hiervoor samengevatte proces-verbaal blijkt is de door de rechtbank beoogde ontkoppeling van de verplichting tot betaling van de koopsom door de koper en de verplichting tot het meewerken aan de levering door de koper in de praktijk in vele gevallen, en ook in dit geval, feitelijk niet uitvoerbaar. Hoewel de dwangsom niet mag worden verbonden aan het betalen van de koopsom, is daarvan in dit geval feitelijk wel sprake. De notaris is, hoewel ook [A] bereid was tot levering, niet tot het transport overgegaan, kennelijk omdat de koopsom niet was gestort.

13.29

Het hof handhaaft dan ook zijn beslissing dat – gelet op de redactie van de transportakte (waarin onder meer is opgenomen dat de koopsom door de koper is betaald op het moment van de levering), uit welke redactie voortvloeit dat de akte alleen zal worden verleden indien de koopprijs is voldaan – aan de bij het bestreden vonnis op de koper gelegde verplichting medewerking te verlenen aan het transport in dit geval geen dwangsom kan worden verbonden. De vordering van [eiser 1] tot het verbinden van een dwangsom aan de voor [A] uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen moet dan ook worden afgewezen.”

3.3.1

Onderdeel A betoogt, onder verwijzing naar HR 23 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:113, dat het hof heeft miskend dat er aan een veroordeling als de onderhavige wel degelijk een dwangsom kan worden verbonden, althans dat zijn andersluidende oordeel onbegrijpelijk is. Volgens het onderdeel is geen sprake van een geval als bedoeld in art. 611a Rv, nu er bij een vordering tot medewerking aan het verlijden van een notariële akte geen directe executiemiddelen voorhanden zijn.

3.3.2

In de tweede zin van art. 611a lid 1 Rv is bepaald dat een dwangsom niet kan worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom.
Deze bepaling berust op de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom (Trb. 1974, 6) en komt overeen met art. 1 lid 1, tweede zin, van die eenvormige wet. Blijkens de gemeenschappelijke memorie van toelichting bij die Overeenkomst en de rechtspraak van het Benelux-Gerechtshof, is de bepaling enkel geschreven voor gevallen waarin voldoening aan de hoofdveroordeling door middel van rechtstreekse executie kan worden verkregen (HR 23 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:113).

3.3.3

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3.2 is overwogen, geeft het oordeel van het hof dat – gelet op het bepaalde in art. 611a lid 1 Rv – aan een veroordeling tot medewerking aan het verlijden van een akte tot levering geen dwangsom kan worden verbonden voor zover de verlangde medewerking de verplichting tot het betalen van de koopsom omvat, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Slechts indien de verkoper van het goed betaling van de overeengekomen koopsom kan bewerkstelligen door rechtstreekse executie, dus zonder dat daartoe in enigerlei vorm de medewerking van de koper is vereist, is voor oplegging van een dwangsom geen plaats. Dat dit geval zich hier voordoet is door het hof niet vastgesteld.

3.3.4

Het onderdeel kan evenwel niet tot cassatie leiden. Blijkens rov. 13.28 van zijn eindarrest heeft het hof de afwijzing van de door [eiser] c.s. gevorderde dwangsom tevens gebaseerd op de vaststelling door de notaris dat ABC de overeengekomen koopsom noch uit eigen middelen noch uit geleende middelen kon voldoen. Kennelijk is het hof van oordeel geweest dat nu aldus vaststond dat ABC niet kon voldoen aan haar verplichting tot betaling van de koopsom, er ook onvoldoende grond bestond voor het opleggen van een dwangsom. Tegen dat oordeel, dat de afwijzing van de vordering zelfstandig kan dragen, komt het middel niet op.

3.4

De klachten van onderdeel B kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABC begroot op € 6.524,34 aan verschotten en € 2.200,--.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 15 april 2016.