Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:663

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2016
Datum publicatie
15-04-2016
Zaaknummer
15/00213
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2413, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:7305, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Verwijzing naar: ECLI:NL:GHSHE:2017:2101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Verjaring en stuiting. Grenzen rechtsstrijd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/832
AR 2016/1129
RvdW 2016/522
NJ 2016/222
JWB 2016/157
RAV 2016/71
JBPR 2016/47 met annotatie van mr. G.C.C. Lewin
JIN 2016/111 met annotatie van E.J.H. Zandbergen
TvPP 2016, afl. 4, p. 99
OR-Updates.nl 2016-0135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 april 2016

Eerste Kamer

15/00213

LZ/TT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiser],
wonende te [woonplaats],

EISER tot cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi,

t e g e n

[verweerster],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 111331/HA ZA 10-975 van de rechtbank Zutphen van 17 november 2010, 30 maart 2011, 21 maart 2012 en 11 juli 2012;

b. het arrest in de zaak 200.117.554 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 september 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door mr. L. van den Eshof.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van [verweerster] heeft bij brief van 24 december 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiser] is enig bestuurder van de Stichting [A] (hierna: de Stichting).

(ii) Op 13 december 1999 heeft [verweerster], die op dat moment een affectieve relatie had met [eiser], een bedrag van f 100.000,-- overgemaakt aan de Stichting (door storting van dit bedrag op een bankrekening van een besloten vennootschap waarvan de Stichting enig aandeelhouder was).

(iii) Op 23 november 2001 hebben de Stichting en [verweerster] een ”leningovereenkomst” ondertekend. Daarin erkent de Stichting op 15 december 1999 een bedrag van f 100.000,-- als lening van [verweerster] te hebben ontvangen, onder de voorwaarden dat de Stichting de eerste tien jaar geen aflossingsverplichting heeft, dat partijen na ommekomst van die termijn met elkaar zullen overleggen omtrent de wijze van aflossing van deze lening, en dat over het geleende bedrag een rente van 6% per jaar is verschuldigd die jaarlijks bij de hoofdsom wordt bijgeschreven.

(iv) Bij brieven van 18 december 2009 en 8 januari 2010 heeft [verweerster] de Stichting en [eiser] uitgenodigd om met haar in overleg te treden over de wijze van aflossing van de lening van f 100.000,--.

(v) Bij brief van 19 januari 2010 heeft [eiser] de advocaat van [verweerster] geschreven dat de Stichting geen inkomsten meer heeft waaruit de vordering van [verweerster] kan worden voldaan.

3.2.1

In dit geding vordert [verweerster], kort samengevat, de Stichting op grond van de overeenkomst van geldlening te veroordelen tot betaling van € 81.265,07 (bestaande uit de hoofdsom vermeerderd met contractuele rente), alsmede voor recht te verklaren dat [eiser] in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Stichting aansprakelijk is voor betaling van dit bedrag, en hem tot betaling daarvan te veroordelen.

3.2.2

De rechtbank heeft de vordering tegen de Stichting toegewezen, en voorts voor recht verklaard dat [eiser] aansprakelijk is voor de betaling van een bedrag van € 70.462,22 indien de Stichting niet binnen acht dagen na de betekening van het vonnis tot betaling overgaat, en hem veroordeeld om na ommekomst van die termijn dat bedrag aan [verweerster] te betalen.

3.2.3

Alleen [eiser] is hiervan in beroep gekomen. Het hof heeft hem, voor zover in cassatie van belang, veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 45.378,02 aan [verweerster], indien de Stichting niet binnen acht dagen na betekening van het eindvonnis van de rechtbank tot betaling overeenkomstig dat vonnis overgaat.

Het hof heeft daartoe, samengevat, overwogen dat [eiser] als bestuurder van de Stichting onrechtmatig heeft gehandeld door te bewerkstelligen dat de Stichting de lening met [verweerster] aanging, terwijl hij redelijkerwijs moest begrijpen dat de Stichting niet tot terugbetaling in staat zou zijn en geen verhaal zou bieden, waarbij hem daarvan een ernstig persoonlijk verwijt treft (rov. 4.3 – 4.14). Met betrekking tot het door [eiser] in hoger beroep gedane beroep op verjaring van de tegen hem gerichte vordering overwoog het hof als volgt:

“4.16 [eiser] stelt in dit verband dat [verweerster] reeds eind 2002 wist dat het bedrijf van de Stichting feitelijk was opgeheven en dat de Stichting geen activiteiten meer zou ondernemen. De Stichting was aldus eind 2002 van rechtswege in verzuim omdat zij niet zou kunnen nakomen. Daarmee is de verjaring gaan lopen. Toen [verweerster] in 2010 dagvaardde, was de vordering al lang verjaard.

4.17

Tussen partijen staat evenwel vast dat [eiser] in 2005 enige aflossingen heeft gedaan op de lening (bijlage 2 bij prod. 12), laatstelijk op 12 oktober 2005. Daarmee heeft [eiser] de vordering erkend en aldus de verjaring gestuit. Vervolgens heeft [verweerster] bij brief van 18 december 2009 (bijlage 4 bij prod. 12) uitdrukkelijk aanspraak gemaakt op terugbetaling, en zodoende opnieuw de verjaring gestuit. Vervolgens is [verweerster] op 9 maart 2010, dus binnen vijf jaar na de laatste betaling, tot dagvaarding overgegaan. Dat een en ander brengt mee dat de vordering ten tijde van de dagvaarding niet was verjaard. (…)”

3.3

De klachten van onderdeel I.1 van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.4

Onderdeel I.2 klaagt dat het hof, door het beroep van [eiser] op verjaring af te wijzen op de grond dat de verjaring is gestuit, in strijd met art. 24 Rv de gronden van het verweer heeft aangevuld, en daarmee tevens buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.

Deze klacht slaagt. Vaste rechtspraak is dat het de rechter niet vrijstaat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen. (HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5663, NJ 2006/158)

De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat [verweerster] niet heeft gesteld dat de verjaring van de vordering is gestuit. Zij heeft (slechts) betwist dat de verjaringstermijn in 2002 is gaan lopen en bovendien gesteld dat het beroep van [eiser] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Door zijn oordeel dat de vordering van [verweerster] niet is verjaard te baseren op stuiting van de verjaring, heeft het hof dan ook in strijd met art. 24 Rv gehandeld en is het buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.

3.5

De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

3.6

Het hof heeft de in rov. 4.16 weergegeven stelling van [eiser] dat de verjaringstermijn van de tegen hem gerichte vordering in 2002 is gaan lopen, in rov. 4.17 kennelijk slechts veronderstellenderwijs voor juist gehouden, en heeft de betwisting van die stelling door [verweerster] dan ook onbesproken gelaten. Dat betekent dat na verwijzing zo nodig alsnog onderzocht moet worden op welk moment de verjaringstermijn van de vordering van [verweerster] tegen [eiser], die berust op onrechtmatige daad en waarvan de verjaring dus wordt beheerst door art. 3:310 BW, is gaan lopen.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 september 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 944,98 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 15 april 2016.