Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:662

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-04-2016
Datum publicatie
15-04-2016
Zaaknummer
15/00068
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2483, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht, onteigeningsrecht. Rechterswisseling na mondelinge behandeling. Verduidelijking HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181. Mededeling door gerecht; beoordeling verzoek om nieuwe mondelinge behandeling; comparitie na aanbrengen in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/831
RvdW 2016/517
JWB 2016/151
RBP 2016/47
JBPR 2016/46 met annotatie van Mr. G. van Rijssen
NJ 2019/144 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 april 2016

Eerste Kamer

15/00068

EE/LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

Mr. Leonie Martine MUETSTEGE, als opvolgster van mr. Jan Maarten Gerretsen, in de hoedanigheid van derde als bedoeld in art. 20 OW voor [betrokkene], overleden op 11 april 2004,
wonende te Amsterdam,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. A.H. Vermeulen,

t e g e n

de GEMEENTE AMSTERDAM,
zetelende te Amsterdam,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. F.E. Vermeulen.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de vonnissen in de zaak 449577/HA ZA 10-331 van de rechtbank Amsterdam van 16 juni 2010, 24 juli 2013 en 1 oktober 2014.

De vonnissen van de rechtbank zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het vonnis van de rechtbank van 1 oktober 2014 heeft mr. Gerretsen beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor de Gemeente toegelicht door haar advocaat en mr. F. van Buchem.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van mr. Muetstege q.q. heeft bij brief van 31 december 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Voor zover voor de afdoening in cassatie van belang, kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), die ten tijde van het besluit tot onteigening eigenaar was van de in de onderhavige onteigeningsprocedure ter onteigening aangewezen percelen, is overleden. Daarom heeft de rechtbank bij beschikking van 18 december 2009 mr. J.M. Gerretsen op de voet van art. 20 lid 3 Ow benoemd als derde tegen wie het geding tot onteigening kan worden gevoerd. Mr. Gerretsen is tijdens de loop van het geding in cassatie vervangen door mr. L.M. Muetstege als derde.

(ii) Bij vonnis van 16 juni 2010 heeft de rechtbank vervroegd de onteigening uitgesproken van enkele op naam van [betrokkene] staande en hem in eigendom toebehorende percelen. Daarbij heeft zij het voorschot op de schadeloosstelling bepaald en heeft zij tevens een som bepaald als zekerheid voor de voldoening van de schadeloosstelling. Daarnaast zijn in dit vonnis drie deskundigen benoemd om de schadeloosstelling te begroten.

(iii) Nadat de deskundigen advies hadden uitgebracht, is ter zitting van 27 november 2012 gepleit. Daarbij heeft de rechtbank het verzoek van [betrokkene] om een nieuwe deskundigencommissie te benoemen, afgewezen.

(iv) Nadat de deskundigen nader advies hadden uitgebracht, hebben partijen hun zaak ter zitting van 12 juni 2013 opnieuw bepleit.

(v) Bij vonnis van 24 juli 2013 heeft de rechtbank de deskundigen opgedragen om een nader advies met betrekking tot een onderdeel van het onteigende op te stellen.

(vi) Nadat de deskundigen dit nader advies hadden uitgebracht, heeft op 25 juni 2014 een derde pleitzitting plaatsgevonden.

(vii) Bij eindvonnis van 1 oktober 2014 heeft de rechtbank de aan [betrokkene] toekomende schadeloosstelling vastgesteld.

3.2

Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het eindvonnis nietig is omdat het mede is gewezen door een rechter die weliswaar bij het pleidooi van 25 juni 2014 aanwezig is geweest, maar niet bij de pleidooien van 27 november 2012 en 12 juni 2013. Volgens het onderdeel is dit in strijd met art. 37 Ow, en doet het arrest van de Hoge Raad van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181 (hierna: het arrest van 2014), hieraan niet af.

3.3

In het arrest van 2014 is – voor zover thans van belang – als volgt geoordeeld. Een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, behoort in beginsel te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing. Indien tussen de mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak vervanging van een of meer rechters noodzakelijk blijkt, dient het gerecht dit aan partijen mee te delen.
Partijen hebben dan de gelegenheid een nadere mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen. Een zodanig verzoek kan in het belang van een voortvarende procesvoering onder bepaalde, in het arrest nader aangeduide, omstandigheden worden afgewezen, mits dit gemotiveerd gebeurt.

In het arrest van 2014 is tevens geoordeeld dat de aldaar gegeven regels ook gelden voor onteigeningsprocedures, en dat bij onteigeningsprocedures de in dat arrest gegeven overgangsregel niet geldt.
Dat betekent dat de in het arrest van 2014 gegeven regels op de onderhavige procedure van toepassing zijn.

3.4

Voor toepassing van deze regels bestaat geen grond in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een wisseling van een van de rechters na een op een eerdere mondelinge behandeling gevolgde uitspraak, en aan de verdere beoordeling van het geschil een tweede mondelinge behandeling voorafgaat. In die tweede behandeling kunnen partijen immers desgewenst de geschilpunten waarop in de vorige uitspraak nog niet was beslist, opnieuw of nader aan de orde stellen ten overstaan van de rechters die over die geschilpunten zullen beslissen. Het onderdeel faalt mitsdien.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6.1

De Hoge Raad ziet echter aanleiding ter verduidelijking van het arrest van 2014 nog het volgende op te merken.

3.6.2

Bij de toepassing van de in dat arrest gegeven regels dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds (a) de vraag tot hoever de verplichting van het gerecht reikt om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling na een mondelinge behandeling, en anderzijds (b) de beoordeling van een verzoek om een nadere mondelinge behandeling na een rechterswisseling. Voorts (c) verdient de comparitie na aanbrengen in hoger beroep afzonderlijk aandacht.

Ad (a) De verplichting van het gerecht om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling na een mondelinge behandeling

3.7.1

Het arrest van 2014 ziet op de situatie dat de uitspraak die volgt op een mondelinge behandeling een beslissing inhoudt over de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling aan de orde zijn gekomen.
Deze situatie doet zich echter niet steeds voor.
De uitspraak kan een beslissing inhouden over slechts een gedeelte van de geschilpunten of zelfs uitsluitend strekken tot nadere instructie van de zaak. De ratio van de in het arrest van 2014 gegeven regels is dat hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verhandeld, daadwerkelijk wordt meegewogen in de vervolgens te nemen beslissing. Daarvan uitgaande zou in dergelijke gevallen de verplichting van het gerecht om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling – in de plaats daarvan of ook – moeten komen te gelden voor de volgende uitspraak of uitspraken waarin (wel of tevens) wordt beslist over de geschilpunten die in de mondelinge behandeling aan de orde zijn gekomen.

3.7.2

In dit verband is echter ook van belang dat de rechtspraktijk – in het bijzonder de administratie van de gerechten – is gediend met een eenvoudig werkbaar stelsel. Een stelsel waarin telkens op zaaksinhoudelijke gronden moet worden beslist of aan partijen mededeling moet worden gedaan van een rechterswisseling, is niet eenvoudig werkbaar.

3.7.3

Een afweging aan de hand van de hiervoor in 3.7.1 en 3.7.2 vermelde gezichtspunten brengt mee dat moet worden aanvaard dat de verplichting van het gerecht om na een mondelinge behandeling aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling, vervalt na de eerste uitspraak die op de mondelinge behandeling volgt.
Een uitspraak, ook indien deze slechts strekt tot instructie van de zaak, leidt immers tot een nieuwe fase in de procedure. Partijen kunnen zelf aan de hand van de eerdere mondelinge behandeling, de uitspraak die daarop is gevolgd en de latere proceshandelingen een afweging maken of in geval van een rechterswisseling een nadere mondelinge behandeling gewenst is en in bevestigend geval naar een eventuele rechterswisseling informeren. Na een uitspraak is het dus aan partijen om in dit verband initiatieven te ontplooien.

Ad (b) De beoordeling van een verzoek om een nadere mondelinge behandeling na een rechterswisseling

3.8

De rechter beslist op een verzoek om een nadere mondelinge behandeling. Daarbij blijft uitgangspunt dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, dient te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt blijft gelden zolang niet is beslist op de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling aan de orde zijn gekomen, en kan dus ook de fase van de procedure omvatten waarin op het gerecht niet meer de verplichting rust om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling. De voorwaarden die in rov. 3.4.4 van het arrest van 2014 zijn gesteld aan de afwijzing van een verzoek om een nadere mondelinge behandeling, kunnen dan ook tot de einduitspraak een rol blijven spelen.

Wel neemt het gewicht van het hierboven genoemde uitgangspunt af naarmate in tussenuitspraken verdergaand is beslist op de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling ter sprake zijn gekomen. Zoals in het arrest van 2014 is overwogen, weegt ook het belang van een voortvarende procesvoering mee bij de beoordeling van verzoeken om een nadere mondelinge behandeling na een rechterswisseling.

Ad (c) De comparitie na aanbrengen in hoger beroep

3.9

In de rechtspraktijk is nog de vraag gerezen in hoeverre de regels van het arrest van 2014 van toepassing zijn op een comparitie na aanbrengen in hoger beroep.
Een zodanige comparitie vindt plaats op een moment waarop nog geen sprake is geweest van een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten, en dient veelal met name ertoe de mogelijkheid van een schikking te beproeven en afspraken over het procesverloop te maken. Bovendien kan na de stukkenwisseling nog een mondelinge behandeling plaatsvinden, waarop dan de regels van het arrest van 2014 van toepassing zijn. Daarom zien de regels van het arrest van 2014 niet op de comparitie na aanbrengen in hoger beroep.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt mr. Muetstege q.q. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 841,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 15 april 2016.