Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:65

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2016
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
14/05661
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2048, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:660, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:2206, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Productie die is gesteld in een vreemde taal; terecht buiten beschouwing gelaten? Noodzaak en wenselijkheid van een vertaling. Gelegenheid tot herstel indien vertaling ontbreekt. Bewijsaanbod in hoger beroep ten onrechte gepasseerd; art. 166 Rv (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270).

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 152
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 166
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/206
JWB 2016/32
RvdW 2016/143
Prg. 2016/73
RBP 2016/23
IER 2016/30 met annotatie van R.W. de Vrey
AB 2016/360 met annotatie van R. Ortlep
NJ 2017/382 met annotatie van H.J. Snijders
AA20160843 met annotatie van C.J.M. Klaassen
JBPR 2016/33 met annotatie van mr. dr. M. Freudenthal
JIN 2016/39 met annotatie van N. de Boer
TvPP 2016, afl. 2, p. 36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 januari 2016

Eerste Kamer

14/05661

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1],

2. [eiser 2],
beiden handelend onder de naam [A],

gevestigd te [vestigingsplaats], Duitsland,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Weerden,

t e g e n

[verweerster] e/v [betrokkene 1],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Eisers zullen hierna tezamen ook worden aangeduid als [eisers] en verweerster als [verweerster].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 228579/HA ZA 10-2318 van de rechtbank Breda van 16 maart 2011 en 25 mei 2011;

b. de arresten in de zaak HD 200.094.590/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 maart 2014 en 22 juli 2014.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging van het tussen- en het eindarrest en tot verwijzing.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) [eisers] drijven in Duitsland een autohandel. Zij hebben in december 2005 op internet een personenauto van het merk Mercedes Benz (hierna: de auto) te koop aangeboden.

  • -

    ii) Namens autobedrijf [B] te Emmen heeft zich telefonisch een gegadigde bij [eisers] gemeld. Afgesproken werd dat de auto werd verkocht voor € 27.950,-- onder de voorwaarde dat de koopovereenkomst zou worden ondertekend nadat de auto was onderzocht en gecontroleerd. Op 14 of 15 december 2005 zou de auto bij [eisers] worden opgehaald na een tevoren telefonisch gemaakte afspraak en tegen afgifte van een tevoren door de bank deugdelijk verklaarde cheque. Nadien werd afgesproken dat de koopsom werd verhoogd tot € 28.000,--.

  • -

    iii) [eisers] hebben per telefax een kopie ontvangen van een ten gunste van hen uitgeschreven Postbank-overschrijvingskaart, waarop in de Duitse taal was vermeld dat dit een cheque was en dat de Postbank verklaarde dat de firma [B] voldoende saldo had voor het desbetreffende bedrag.

  • -

    iv) [verweerster] is op 15 december 2005 in het bedrijf van [eisers] verschenen. Zij heeft het origineel van de zogenoemde cheque overhandigd, waarna [eisers] aan haar de auto, de autopapieren en de autosleutels hebben meegegeven.

  • -

    v) De zogenoemde cheque bleek waardeloos te zijn. Betaling van de koopsom is uitgebleven. [eisers] hebben de auto niet teruggekregen.

3.2.1

In dit geding vorderen [eisers] dat [verweerster] wordt veroordeeld tot betaling van € 28.000,-- met rente en kosten. Zij leggen aan de vordering ten grondslag dat [verweerster] hen heeft opgelicht door zich voor te doen als koerier van [B] en dat zij daarom jegens hen schadeplichtig is uit onrechtmatige daad.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3.2.2

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Bij tussenarrest heeft het hof daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld.

Het hof laat een in de Duitse taal gestelde verklaring buiten beschouwing die [eisers] bij memorie van grieven als productie 2 hebben overgelegd. [eisers] hebben meegedeeld een beëdigde vertaling van die verklaring bij akte in het geding te zullen brengen, maar dat is niet gebeurd. Ook de overige producties van [eisers] die niet in het Nederlands zijn gesteld en niet zijn voorzien van een vertaling, laat het hof buiten beschouwing. (rov. 4.3)

In het eindarrest heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt geoordeeld.

Grief IV betreft het oordeel van de rechtbank over het door [eisers] geleverde bewijs (rov. 7.11). De verklaringen die door [eisers] zijn afgelegd in een tussen hen en [betrokkene 2] gehouden voorlopig getuigenverhoor, houden in dat de auto door oplichting afhandig is gemaakt en dat [verweerster] daarin in zoverre een rol heeft gespeeld dat zij de valse cheque heeft overhandigd en de auto heeft opgehaald, maar zij houden niet in dat [verweerster] daarin een meer dan instrumentele rol heeft vervuld. Noch uit die verklaringen, noch uit enige andere productie, voor zover bruikbaar (rov. 4.3 van het tussenarrest), is af te leiden dat [verweerster] actief heeft meegewerkt aan de oplichting zelf door samenwerking met degenen die het contact met [eisers] hebben gelegd, de “cheque” hebben gefabriceerd en/of de auto hebben doorverkocht. Grief IV wordt verworpen. (rov. 7.12)

Grief V betreft het passeren van het bewijsaanbod van [eisers] In dit verband noemen [eisers] [verweerster] en een zekere [betrokkene 3]. Wat [verweerster] betreft vermelden [eisers] dat er reden is haar nader aan de tand te voelen, terwijl de andere getuige volgens [eisers] op dezelfde wijze door haar is bedrogen. Daarmee hebben [eisers] ook in hoger beroep onvoldoende concreet vermeld wat deze getuigen zouden kunnen verklaren met betrekking tot de stelling die [eisers] gezien hun vordering zouden moeten bewijzen, namelijk dat [verweerster] door oplichting de auto van [eisers] afhandig heeft gemaakt. Grief V wordt daarom eveneens verworpen. (rov. 7.13)

3.3

Middel 1 klaagt onder meer dat het hof ten onrechte de door [eisers] overgelegde bewijsstukken die in de Duitse taal zijn gesteld en waarvan geen Nederlandse vertaling is overgelegd, buiten beschouwing heeft gelaten (rov. 4.3 van het tussenarrest).

3.4.1

Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld.

3.4.2

Geen wettelijke regeling schrijft voor dat producties die worden overgelegd in een geding bij de civiele rechter, dienen te zijn gesteld in de Nederlandse taal. Voor producties die zijn gesteld in de Friese taal bevat art. 15 van de Wet gebruik Friese taal (Stb. 2013/382) een voorziening. Voor producties die zijn gesteld in een vreemde taal ontbreekt een wettelijke voorziening. Sommige procesreglementen van de gerechten in feitelijke instanties bevatten voorschriften omtrent het in het geding brengen van producties in een vreemde taal (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.3).

3.4.3

De vraag in hoeverre de rechter acht dient te slaan op producties die in een vreemde taal zijn gesteld, dient bij gebreke van een wettelijke regeling te worden beantwoord aan de hand van de eisen van een behoorlijke rechtspleging. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten.

3.4.4

Bij de beoordeling van het geschil dient acht te worden geslagen op behoorlijk in het geding gebrachte producties die in een vreemde taal zijn gesteld en waarop door een partij een beroep is gedaan, als de rechter en de wederpartij een vertaling niet nodig hebben voor een goede beoordeling van de inhoud van die producties. Het overleggen van een vertaling van een productie is in beginsel niet noodzakelijk als die productie is gesteld in de Engelse, Duitse of Franse taal. De rechter kan echter een vertaling verlangen als hij dat nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede gelet op de belangen van de wederpartij. Een vertaling is in beginsel wel noodzakelijk als een productie is gesteld in een andere vreemde taal.

3.4.5

In gevallen waarin een vertaling ontbreekt, maar deze naar het – ambtshalve of op verzoek van de wederpartij gegeven – oordeel van de rechter noodzakelijk of wenselijk is, behoort de partij die de productie heeft overgelegd, gelegenheid te krijgen een vertaling daarvan in het geding te brengen, tenzij de eisen van een goede procesorde zich daartegen verzetten. De rechter kan bepalen dat die vertaling door een beëdigd vertaler moet zijn opgemaakt en ondertekend.

3.5

In het licht van het voorgaande heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de als productie 2 bij memorie van grieven overgelegde verklaring in de Duitse taal buiten beschouwing te laten zonder te beoordelen of een vertaling in de omstandigheden van het geval noodzakelijk of wenselijk is, en door andere producties zonder meer buiten beschouwing te laten op de grond dat die niet in het Nederlands zijn gesteld en niet zijn voorzien van een vertaling. De hiervoor in 3.3 weergegeven klacht slaagt.

3.6.1

Middel 2 klaagt onder meer (onder 31 e.v. in de cassatiedagvaarding) dat het hof in de rov. 7.12 en 7.13 van het eindarrest ten onrechte het bewijsaanbod van [eisers] tot het doen horen van de getuigen [betrokkene 3] en [verweerster] heeft gepasseerd.

3.6.2

Bij de beoordeling van deze klacht is op grond van vaste rechtspraak (HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270) uitgangspunt dat, ingevolge het bepaalde in art. 166 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv, een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.

3.6.3

In het licht van het voorgaande is de klacht gegrond. Door te oordelen dat [eisers] onvoldoende concreet hebben vermeld wat [betrokkene 3] en [verweerster] als getuigen zouden kunnen verklaren met betrekking tot de stelling van [eisers] dat [verweerster] de auto door oplichting van [eisers] afhandig heeft gemaakt (rov. 7.13), heeft het hof miskend dat aan het bewijsaanbod niet de eis kan worden gesteld dat wordt vermeld wat door de getuigen zal kunnen worden verklaard over de stellingen waarop het bewijsaanbod betrekking heeft.

3.7

De overige klachten van de middelen behoeven geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 maart 2014 en 22 juli 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 922,29 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, G. de Groot, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 15 januari 2016.