Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:64

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2016
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
14/05550
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:2494, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2014:2174, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Opdracht. Bewijs van prijsafspraak. Overgelegd faxbericht ten onrechte aangemerkt als niet in het geding gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/205
JWB 2016/31
RvdW 2016/148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 januari 2016

Eerste Kamer

14/05550

LZ/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.W. Keus,

t e g e n

1. [verweerster 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats],

3. [verweerster 3],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTERS in cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweersters]

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de vonnissen in de zaak 258087\CV EXPL 09-5404 van de kantonrechter in de rechtbank Roermond van 20 juli 2010 en 10 mei 2011;

b. het arrest in de zaak HD 200.093.294/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 juli 2014.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld, onder betekening aan [verweersters] van de akte van cessie waarbij de besloten vennootschap [A] B.V. (hierna: [A]) haar vordering op [verweersters] aan [eiseres] overdraagt. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweersters] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De advocaat van [verweersters] heeft bij brief van 30 oktober 2015 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) [A] heeft vanaf 2005 fiscale en administratieve werkzaamheden verricht voor (de rechtsvoorgangster van) [verweerster 1] (hierna: [verweerster 1]).

  • -

    ii) Voor de werkzaamheden die [A] voor [verweerster 1] over het jaar 2005 zou verrichten, is een prijsafspraak gemaakt van € 1.100,-- excl. BTW.

  • -

    iii) In verband met de werkzaamheden die [A] over de jaren 2006 en 2007 heeft verricht, heeft [A] aan [verweerster 1] facturen toegezonden die onbetaald zijn gebleven.

  • -

    iv) Eind 2007 is [verweerster 1] als klant bij [A] vertrokken.

3.2

[A] vordert (onder meer) een bedrag van € 4.549,20 ter zake van de hiervoor in 3.1 onder (iii) bedoelde onbetaald gelaten facturen.

De kantonrechter heeft [A] bij tussenvonnis in de gelegenheid gesteld tot het leveren van bewijs van haar stelling dat de (door [verweersters] ten verwere aangevoerde, door de kantonrechter voorshands aannemelijk geachte) prijsafspraak uitsluitend gold voor het jaar 2005 en niet voor de daarop volgende jaren. Bij eindvonnis heeft de kantonrechter [A] niet in de levering van het bewijs geslaagd geacht en [verweersters] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het door [verweersters] schuldig erkende bedrag van € 649,45 excl. BTW.

3.3

Het hof heeft het eindvonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Daartoe heeft het onder meer als volgt overwogen:

“4.4 [A] heeft haar zeer summiere toelichting op de grieven vergezeld doen gaan van een uitgebreid relaas met een groot aantal bijlagen van [A] zelf, onder de vermelding dat de inhoud ervan als letterlijk herhaald en ingelast heeft te gelden. [verweerster 1] maakt in haar memorie van antwoord bezwaar tegen deze werkwijze. Het hof deelt dit bezwaar.
In een procedure als de onderhavige geldt als uitgangspunt dat een procespartij haar stellingen voldoende kenbaar en duidelijk in haar processtukken moet laten innemen door haar (hiertoe verplicht ingeschakelde) advocaat. Dit heeft tot gevolg dat een procespartij niet ermee kan volstaan zélf een stuk op te stellen en hiernaar in haar processtuk te (laten) verwijzen, met de vermelding dat de inhoud ervan geldt als herhaald en ingelast. De achtergrond van dit uitgangspunt is dat de andere partij - in het onderhavige geval [verweerster 1] - zich naar behoren moet kunnen verdedigen. Nu gesteld noch gebleken is dat in casu een uitzondering op voormeld uitgangspunt aan de orde is, geldt dit uitgangpunt ook in de onderhavige procedure. Dit heeft tot gevolg dat het hof niet zelf stellingen zal putten uit het eigen commentaar van [A] en/of de 12 bijlagen. [A] heeft in haar memorie van grieven geen voldoende duidelijke en kenbare stelling doen innemen, waarbij ter onderbouwing daarvan is verwezen naar (een bepaald deel van) haar eigen commentaar en/of een of meer van de 12 bijlagen, zodat dit stuk niet is te beschouwen als een onderbouwing van de door [A] in haar processtukken ingenomen stellingen. Hierbij kan een uitzondering worden gemaakt voor de onderdelen waar [verweerster 1] op ingegaan is, aangezien daaruit blijkt dat zij er bepaalde stellingen van [A] uit gedestilleerd heeft.

(…)

4.5

[A] heeft geen grieven gericht tegen de bewijsopdracht in het tussenvonnis (…) zodat deze het hof vooralsnog tot uitgangspunt strekt. De vraag is of [A] er in eerste aanleg in is geslaagd het gevraagde bewijs te leveren. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat dit niet het geval is. (…) Bij haar memorie van grieven heeft [A] een aantal producties gevoegd die door [verweerster 1] in haar memorie van antwoord als nieuwe producties zijn aangemerkt en door haar in punt 45-58 van deze memorie worden besproken. Deze producties, genummerd 2, 3, 8, 9 en 10, vallen daarmee onder de hiervoor bedoelde uitzondering.

4.6 (…)

Ten slotte de fax van 22 februari 2007 (prod. 9 en 10). Deze fax houdt een bevestiging in van afspraken die in een fax van 17 januari 2007 zijn opgenomen. [verweerster 1] betwist laatstgenoemde fax te hebben ontvangen en in de procedure is deze niet overgelegd. Aldus kan niet worden vastgesteld of dit stuk relevant is voor de bewijsopdracht, zodat ook deze producties niet tot het bewijs kunnen bijdragen.”

3.4

Onderdeel e van het middel komt op tegen het oordeel van het hof dat het faxbericht van 17 januari 2007, waarin afspraken tussen [A] en [verweerster 1] zouden zijn vastgelegd, niet in het geding is gebracht (rov. 4.6). Dit onderdeel slaagt. Het wijst terecht erop dat in het faxbericht van 22 februari 2007 niet wordt verwezen naar een faxbericht van 17 januari 2007, maar naar een faxbericht van 15 januari 2007. Dat faxbericht van 15 januari 2007 is door [A] overgelegd bij de memorie van grieven als productie 5 bij bijlage II. Het oordeel van het hof dat niet kan worden vastgesteld of het faxbericht relevant is voor de bewijsopdracht omdat het niet is overgelegd, is dan ook onbegrijpelijk. Ook onderdeel f slaagt voor zover het erover klaagt dat het hof op deze grond heeft geoordeeld dat het faxbericht niet tot het bewijs kan bijdragen.

3.5

De overige klachten van het middel – die onder meer zijn gericht tegen rov. 4.4 – kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 15 juli 2014;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweersters] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 928,70 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en A.H.T. Heisterkamp, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 15 januari 2016.