Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:613

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-04-2016
Datum publicatie
12-04-2016
Zaaknummer
15/00504
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:205, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2015:155, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Strafrechtelijke vervolging na stadionverbod en geldboete door de KNVB. Schending ne bis in idem-beginsel? De HR gaat in op de voorwaarden voor en de gevolgen van het opleggen van een stadionverbod door de KNVB en het verbeuren van een geldboete aan de KNVB en komt tot het oordeel dat de toepassing van deze maatregelen door de KNVB niet kan worden aangemerkt als een criminal charge a.b.i. art. 6 EVRM (vgl. de criteria genoemd in EHRM 8 juni 1976, nr. 5370/72, Engel tegen Nederland, NJ 1978/223). ’s Hofs oordeel dat erop neerkomt dat het OM het recht tot strafvervolging van verdachte niet verliest door de enkele omstandigheid dat i.v.m. hetzelfde feit een stadionverbod is opgelegd en een geldboete is verbeurd, is dus juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0179
NJB 2016/840
RvdW 2016/536
AB 2016/217 met annotatie van Redactie, J.G. Brouwer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 april 2016

Strafkamer

nr. S 15/00504

DAZ/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2015, nummer 23/000657-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het verweer heeft verworpen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens strijd met het ne bis in idem-beginsel nu in verband met het tenlastegelegde feit reeds door de KNVB een stadionverbod is opgelegd en aan de KNVB een geldboete is verbeurd.

2.2.1.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 23 november 2013 te Amsterdam met een ander of anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats, de Amsterdam Arena, in elk geval op een voor het publiek toegankelijke plaats, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] en/of een of meer stewards, welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen van [slachtoffer] en/of die stewards en/of in de richting van [slachtoffer] en/of die stewards en/of het gooien en/of smijten met bier en/of (andere) voorwerpen."

2.2.2.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Namens de verdachte is overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk in de vervolging van de verdachte dient worden te verklaard. Hiertoe heeft de raadsman - verkort weergegeven - aangevoerd dat, nu de door de KNVB aan de verdachte opgelegde maatregel van een driejarig stadionverbod en een geldboete van € 450,00 een 'criminal charge' is in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM), de strafrechtelijke vervolging van de verdachte door het Openbaar Ministerie in strijd is met het verbod van dubbele vervolging (ne bis in idem beginsel). De raadsman verwijst hiervoor naar het arrest van Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 25 oktober 2005 (Blake tegen het Verenigd Koninkrijk, appl. nr. 68890/01).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De overwegingen van het EHRM in de betreffende beslissing (r.o. 96-100) houden in dat de privaatrechtelijke aard van een maatregel niet reeds op zichzelf uitsluit dat tevens sprake is van een strafvervolging. Het hof laat zich in zijn beslissing echter niet uit over een mogelijke schending van het ne bis in idem beginsel, terwijl het de maatregel in de betreffende zaak ook niet heeft aangemerkt als een criminal charge. Derhalve biedt deze beslissing zonder nadere onderbouwing van de raadsman geenszins steun voor de conclusie dat de maatregelen van de KNVB moeten worden aangemerkt als een strafvervolging, nog daargelaten of daarmee ook het verbod van dubbele strafvervolging is geschonden.

Het hof ziet ook overigens geen aanknopingspunt voor de juistheid van de stelling van de raadsman."

2.3.1.

In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat het opleggen van een stadionverbod door de KNVB en het verbeuren van een geldboete aan de KNVB steunen op de standaardvoorwaarden die van toepassing zijn op de bij de koop van een toegangs- of seizoenskaart gesloten civielrechtelijke overeenkomst. Het opleggen van een stadionverbod en/of het verbeuren van de geldboete zijn slechts mogelijk ten aanzien van de koper van een toegangs- of seizoenskaart en louter ter zake van het - kort gezegd - in het kader van een voetbalwedstrijd niet-naleven van die voorwaarden, ook al kan de verdenking van het begaan zijn van een strafbaar feit wel de aanleiding vormen voor het opleggen aan hem van een stadionverbod en/of het verbeuren door hem van een geldboete. Voorts wordt een persoon aan wie door de KNVB een stadionverbod is opgelegd slechts beperkt in zijn bewegingsvrijheid gehinderd en is aan het verbeuren van een geldboete rechtens geen vervangende hechtenis verbonden. Gelet hierop kan de toepassing van deze maatregelen door de KNVB niet worden aangemerkt als een 'criminal charge' als bedoeld in art. 6 EVRM (vgl. de criteria genoemd in EHRM 8 juni 1976, nr. 5370/72, Engel tegen Nederland, NJ 1978/223).

2.3.2.

Het oordeel van het Hof dat erop neerkomt dat het Openbaar Ministerie het recht tot strafvervolging van de verdachte niet verliest door de enkele omstandigheid dat in verband met hetzelfde feit een stadionverbod is opgelegd en een geldboete is verbeurd, is dus juist.

2.4.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, H.A.G. Splinter-van Kan, Y. Buruma en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 april 2016.