Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:582

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
08-04-2016
Datum publicatie
08-04-2016
Zaaknummer
14/06275
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:1377, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:8846, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid. Art. 40, leden 1 en 6, IW 1990. Aansprakelijkstelling op grond van art. 40, lid 1, IW 1990 is niet beperkt tot natuurlijke personen (BNB 2016/8). Oordelen over de aard van de handelingen na de aandelenoverdracht en over het beroep van belanghebbende op disculpatie zijn onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1036
V-N Vandaag 2016/774
V-N 2016/22.17 met annotatie van Redactie
BNB 2016/130 met annotatie van A.E.H. van der Voort Maarschalk
FutD 2016-0895 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFRB 2016/24 met annotatie van TH.J.M. VAN SCHENDEL
NTFR 2016/1131 met annotatie van mr. R.B.H. Beune
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

8 april 2016

nr. 14/06275

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 november 2014, nr. 14/00209, op het hoger beroep van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 13/165) betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking tot aansprakelijkstelling ingevolge de Invorderingswet 1990 voor de van [A] B.V. te [Z] geheven vennootschapsbelasting over het jaar 2007. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 30 juni 2015 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende was tot 31 juli 2007 enig aandeelhouder en bestuurder van [A] B.V. (hierna: [A] BV). [A] BV was eigenaar van een verhuurde onroerende zaak, die zij heeft verkocht en op 5 maart 2007 heeft geleverd. Daarbij heeft zij een boekwinst behaald (hierna: de boekwinst). Na de verkoop van de onroerende zaak heeft belanghebbende het bedrag van de boekwinst in rekening-courant bij [A] BV opgenomen.

2.1.2.

Op 31 juli 2007 heeft belanghebbende haar aandelen in [A] BV (hierna: de aandelen) verkocht en geleverd aan [F] B.V. (hierna: [F] BV). [F] BV heeft de koopsom van de aandelen gedeeltelijk voldaan door overname van de schuld in rekening-courant van belanghebbende aan [A] BV en gedeeltelijk door betaling in geld.

2.1.3.

Eveneens op 31 juli 2007, maar na de hiervoor in 2.1.2 genoemde aandelenlevering, heeft [A] BV onroerende zaken gekocht van een vennootschap die behoorde tot hetzelfde concern als waarvan [A] BV deel uitmaakte. Op deze onroerende zaken rustten reeds op dat moment hypotheken en conservatoire beslagen ten behoeve van schuldeisers van een derde tot het concern behorende vennootschap. In 2008 zijn de onroerende zaken, op enkele percelen na, door de hypotheekhouder executoriaal verkocht en is laatstbedoelde vennootschap failliet verklaard.

2.1.4.

[A] BV heeft voor het jaar 2007 geen aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan. De aanslag voor dat jaar is opgelegd naar een ambtshalve vastgesteld belastbaar bedrag, waarin is begrepen het bedrag van de boekwinst. De aanslag is onbetaald gebleven, waarna de Ontvanger belanghebbende op de voet van artikel 40, lid 1, van de Invorderingswet 1990 (hierna: de Wet) aansprakelijk heeft gesteld voor een deel van de aanslag.

2.2.1.

Het Hof heeft in de eerste plaats geoordeeld dat de tekst noch de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 40, lid 1, van de Wet aansprakelijkstelling van rechtspersonen toelaat.

2.2.2.

Voorts heeft het Hof, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014, nr. 13/03045, ECLI:NL:HR:2014:1525, BNB 2014/204, geoordeeld dat belanghebbende ten tijde van de vervreemding niet wist of behoorde te weten dat de koper van de aandelen of een derde, door het entameren van buiten de normale bedrijfsuitoefening liggende handelingen, de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger illusoir zou maken. Het Hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat naar zijn oordeel voor de conclusie dat het vermogen van [A] BV is verminderd door handelingen die buiten de normale bedrijfsuitoefening liggen, onvoldoende is dat [A] BV de onroerende zaken aankocht terwijl daarop een hypotheekrecht was gevestigd voor het voldoen van schulden van een derde.

2.2.3.

Op de hiervoor in 2.2.1 en 2.2.2 vermelde gronden heeft het Hof de beschikking waarbij belanghebbende aansprakelijk is gesteld, vernietigd.

2.3.

Middel I, dat zich richt tegen het hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordeel van het Hof, slaagt op de gronden vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 16 oktober 2015, nr. 14/02700, ECLI:NL:HR:2015:3081, BNB 2016/8.

2.4.1.

Middel II richt zich tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof.

2.4.2.

Voor zover het middel tegen het hiervoor in 2.2.2 als tweede weergegeven oordeel opkomt met de klacht dat het onbegrijpelijk is, slaagt het. Zonder nadere toelichting, die evenwel ontbreekt, is niet begrijpelijk dat de omstandigheid dat [A] BV de onroerende zaken aankocht terwijl daarop een hypotheekrecht was gevestigd voor het voldoen van de schulden van een derde, onvoldoende is voor de conclusie dat het vermogen van [A] BV is verminderd door handelingen die liggen buiten de normale bedrijfsuitoefening van [A] BV. Ook de door het Hof mede in aanmerking genomen omstandigheid dat na herfinanciering, waarover onderhandelingen gaande waren, de desbetreffende schulden zouden kunnen worden afgelost, maakt dit oordeel zonder nadere toelichting niet begrijpelijk.

2.4.3.

Voor zover het middel opkomt tegen het hiervoor in de eerste volzin van 2.2.2 weergegeven oordeel slaagt het eveneens. Het Hof heeft in onderdeel 4.6 van zijn uitspraak overwogen dat niet in geschil is dat, zo het vermogen van [A] BV al is verminderd na de aandelenoverdracht, dit niet is gebeurd door toedoen van belanghebbende. De stukken van het geding laten echter geen andere conclusie toe dan dat de Ontvanger voor het Hof gemotiveerd heeft gesteld dat de vermogensvermindering bij [A] BV het gevolg is van handelen dat, minst genomen, bij belanghebbende bekend was ten tijde van de verkoop van de aandelen in [A] BV. Dit brengt mee dat het hiervoor in de eerste volzin van 2.2.2 weergegeven oordeel nadere motivering behoefde. In de motivering van dat oordeel ligt immers niet zonder meer besloten de verwerping van de stelling van de Ontvanger dat belanghebbende wist of behoorde te weten van de door de Ontvanger gestelde onzakelijkheid van de desbetreffende handelingen.

2.5.

Gelet op het hetgeen hiervoor in 2.3, 2.4.2 en 2.4.3 is overwogen, kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven. Middel II voor het overige behoeft geen behandeling. Verwijzing moet volgen voor hernieuwd onderzoek van de zaak in volle omvang. Daarbij verdient opmerking dat uit het hiervoor in 2.2.2 genoemde arrest volgt dat op degene die aansprakelijk is gesteld in volle omvang de bewijslast rust ter zake van feiten die kunnen leiden tot disculpatie op de voet van artikel 40, lid 6, van de Wet.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2016.