Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:554

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-04-2016
Datum publicatie
05-04-2016
Zaaknummer
15/00430
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2014:9416, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:176, Gevolgd
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Vrijspraak mensenhandel door het doen afsluiten van telefoonabonnementen, art. 273f.1 onder 1 en 4 Sr.

1. Art. 273f.1 onder 4 Sr. ’s Hofs oordeel dat “uitbuiting” moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f.1 onder 4 Sr, is gelet op ECLI:NL:HR:2015:3309 juist. Hof heeft met juistheid geoordeeld dat voor bewezenverklaring van een op art. 273f.1 onder 4 Sr toegesneden tll. is vereist dat o.g.v. de omstandigheden van het geval uitbuiting komt vast te staan. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2009:BI7099 en ECLI:NL:HR:2015:3309. Hof heeft geoordeeld dat een gedraging als het “afsluiten van een telefoonabonnement” niet z.m. is aan te merken als arbeid of dienst tot het verrichten waarvan iemand wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen a.b.i. art. 273f.1 onder 4 Sr. Uitgaande van voornoemd toetsingskader heeft het Hof geoordeeld dat, i.h.b. gelet op de aard en de korte duur van de diensten, de niet-noemenswaardige beperkingen die zij voor de betrokkenen meebrachten en het economische voordeel dat daarmee door verdachte werd behaald, alsmede gelet op de overige (persoonlijke) omstandigheden van de betrokkenen, geen sprake was van uitbuiting. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, terwijl het ook in het licht van hetgeen door de AG bij het Hof is aangevoerd omtrent de kwetsbaarheid van de betrokkenen, geen nadere motivering behoefde.

2. Art. 273f.1 onder 1 Sr. In het licht van 's Hofs oordeel dat en waarom i.c. (telkens) geen sprake was van uitbuiting, geeft ook ‘s Hofs kennelijke oordeel dat van het oogmerk van uitbuiting in de zin van art. 273f.1 onder 1 Sr evenmin sprake was, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2016-0167
NJB 2016/774
RvdW 2016/505
NJ 2016/315

Uitspraak

5 april 2016

Strafkamer

nr. S 15/00430

SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 4 december 2014, nummer 21/005710-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1 Geding in cassatie

De beroepen zijn ingesteld door de verdachte en de Advocaat-Generaal bij het Hof.

De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de verdachte heeft A.C. Huisman, advocaat te Deventer, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld en tevens het beroep van de Advocaat-Generaal bij het Hof tegengesproken. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2. Beoordeling van de door de Advocaat-Generaal bij het Hof voorgestelde middelen

2.1.

De middelen komen met diverse klachten op tegen de door het Hof gegeven vrijspraken van het aan de verdachte onder 1, 2 en 4 (telkens) primair tenlastegelegde. Zij lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2.1.

Aan de verdachte is - voor zover in cassatie van belang - tenlastegelegd dat:

"1. primair

hij op meerdere tijdstippen op of omstreeks 17 februari 2010 te Apeldoorn, in elk geval (telkens) in Nederland,

(lid 3, onder 1°)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een ander, te weten, [slachtoffer 1]

(lid 1, onder 1°)

(telkens) door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer 1]

en/of

(lid 1, onder 4°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van dit artikel genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie [slachtoffer 1] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of onder de onder 1° van dit artikel genoemde omstandigheden, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of diens mededader(s), wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten,

heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of diens mededader(s)

- terwijl [slachtoffer 1] drugsverslaafd is geweest en/of

- terwijl [slachtoffer 1] recent in een afkickkliniek had gezeten en/of

- terwijl de verstandelijke vermogens van [slachtoffer 1] beneden gemiddeld zijn en/of

- terwijl [slachtoffer 1] in de auto zit bij verdachte en/of diens mededader(s), tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij meerdere, althans één, telefoonabonnement(en) moest afsluiten, omdat hij anders problemen zou krijgen en/of

- terwijl [slachtoffer 1] bang was dat hij in elkaar geslagen zou worden en/of dat zijn familie bedreigd zou worden en/of

- tegen [slachtoffer 1] gezegd "Mondje dicht en geen politie, anders komen er problemen", en/of

- tegen [slachtoffer 1] gezegd dat het/de abonnement(en) en/of contract(en) uit het archief gehaald zou gaan worden en/of

- tegen [slachtoffer 1] gezegd welk adres hij moest opgeven bij de telefoonwinkel(s) en/of

- [slachtoffer 1] (meerdere malen) in de auto vervoerd en/of

- met [slachtoffer 1] naar de Belcompany en/of Hi-winkel en/of T-Mobile en/of Telfort, althans een of meer telefoonwinkel(s) gegaan en/of
- (telkens) nadat [slachtoffer 1] het telefoonabonnement had afgesloten tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij de tas met de telefoon moest afgeven,

- door welke feiten en omstandigheden voor voornoemde [slachtoffer 1] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan hij zich niet heeft kunnen onttrekken en/of ten gevolge waarvan hij geen weerstand aan verdachte en/of diens mededader(s) heeft kunnen bieden en/of

- terwijl [slachtoffer 1] rekeningen van de telefoonmaatschappij(en) heeft ontvangen;

(...)

2. primair

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 18 maart 2010 te Deventer en/of te Apeldoorn, in elke geval (telkens) in Nederland,

(lid 3, onder 1°)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een ander, te weten, [slachtoffer 2]

(lid 1, onder 1°)

(telkens) door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer 2]

en/of

(lid 1, onder 4°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van dit artikel genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie [slachtoffer 2] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of onder de onder 1° van dit artikel genoemde omstandigheden, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of diens mededader(s), wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten,

heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of diens mededader(s)

- terwijl [slachtoffer 2] een verstandelijke beperking heeft met [slachtoffer 2] besproken dat zij geld nodig had en/of

- tegen [slachtoffer 2] gezegd dat als zij tenminste tien telefoonabonnementen zou afsluiten, zij daar geld voor zou krijgen en/of

- tegen [slachtoffer 2] gezegd dat hij verdachte en/of diens mededader(s) iemand kende(n) die het/de abonnement(en) uit het systeem zou halen en/of

- aan [slachtoffer 2] een adres gegeven dat zij moest opgeven bij de telefoonwinkel(s) en/of

- [slachtoffer 2] vervoerd met de auto en/of

- met [slachtoffer 2] naar KPN en/of Belcompany, althans een of meer telefoonwinkel(s) is gegaan en/of

- (telkens) nadat [slachtoffer 2] een telefoonabonnement had afgesloten het/de contract(en) en/of mobiele telefoon(s) ingenomen en/of

- door welke feiten en omstandigheden voor voornoemde [slachtoffer 2] een (afhankelijkheids)situatie is ontstaan waaraan zij zich niet heeft kunnen onttrekken en/of ten gevolge waarvan zij geen weerstand aan verdachte en/of diens mededader(s) heeft kunnen bieden en/of

- terwijl [slachtoffer 2] een bedrag van 150 euro heeft ontvangen van verdachte en/of diens mededader(s) en/of

- terwijl [slachtoffer 2] wel rekeningen van de telefoonmaatschappij(en) heeft ontvangen;

(...)

4. primair

hij op of omstreeks 27 januari 2011 te Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

(lid 3, onder 1°)

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

ander, te weten, [slachtoffer 3]

(lid 1, onder 1°)

(telkens) door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting van [slachtoffer 3]

en/of

(lid 1, onder 4°)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° van dit artikel genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie [slachtoffer 3] heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten en/of onder de onder 1° van dit artikel genoemde omstandigheden, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie, enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte en/of diens mededader(s), wist of redelijkerwijs, moest vermoeden dat [slachtoffer 3] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten,

heeft/hebben en/of is/zijn verdachte en/of diens mededader(s)

- via msn aan [slachtoffer 3] gevraagd of hij gemakkelijk geld wilde verdienen en/of

- met [slachtoffer 3] afgesproken en/of

- tegen [slachtoffer 3] gezegd dat hij 500 euro kon verdienen door zes, althans meerdere, telefoonabonnement(en) af te sluiten en/of vervolgens het/de contract(en) en/of mobiele telefoon(s) aan hem, verdachte, en/of diens mededader(s) af te geven en/of

- tegen [slachtoffer 3] gezegd dat hij, verdachte, en/of diens mededader(s) ervoor zou(den) zorgen dat [slachtoffer 3] naam uit het systeem zou worden verwijderd zodat hij geen rekeningen zou krijgen en/of

- tegen [slachtoffer 3] gezegd dat hij een ander adres moest opgeven dan zijn eigen adres, bij de telefoonwinkel(s) en/of

- met [slachtoffer 3] naar een of meer telefoonwinkel(s) gegaan en/of

- (telkens) nadat [slachtoffer 3] het telefoonabonnement had afgesloten het/de contract(en) en/of mobiele telefoon(s) ingenomen en/of van [slachtoffer 3] gekregen en/of

- terwijl [slachtoffer 3] een bedrag van 280 euro heeft ontvangen van verdachte en/of diens mededader(s) en/of

- terwijl [slachtoffer 3] wel rekeningen van de telefoonmaatschappij heeft ontvangen;

(...)"

2.2.2.

Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het aldus tenlastegelegde. Het heeft die vrijspraak als volgt gemotiveerd:

"Overweging over de tenlastegelegde mensenhandel

Het hof gaat ervan uit dat, waar aan verdachte ten laste is gelegd het strafbare feit van artikel 273f lid 1 onder ten vierde Wetboek van Strafrecht, aan de termen in de tenlastelegging dezelfde betekenis toekomt als in de delictsomschrijving.

Artikel 273f lid 1 van het Wetboek van Strafrecht luidt, voor zover van belang, als volgt:

Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

...

4°. degene die een ander met een van de onder 1 genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze deel uitmaakt van de wetgeving die strekt tot uitvoering van een aantal internationale instrumenten die ertoe strekken uitbuiting te voorkomen en strafbaar te stellen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever aan artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, in het bijzonder het bepaalde onder ten vierde, een ruimere strekking heeft willen geven. Dat heeft tot gevolg dat de delictsomschrijving en - nu in de tenlastelegging dezelfde woorden zijn gebezigd - de tenlastelegging aldus dienen te worden gelezen dat "uitbuiting" daarvan deel uitmaakt, in die zin dat aan de in de delictsomschrijving (en in de tenlastelegging) voorkomende termen, 'het verrichten van arbeid of diensten' een zodanige uitleg wordt gegeven dat het gaat om arbeid en/of diensten die vanwege hun aard (zoals prostitutiewerkzaamheden) en/of omstandigheden waaronder die werkzaamheden worden verricht (bijvoorbeeld geen betaling, lange werkdagen etc.) - in combinatie met een in artikel 273f lid 1 onder 1 genoemd middel - een situatie van uitbuiting opleveren.

Naar het oordeel van het hof ligt het - nu de kern van artikel 273f lid 1 onder ten vierde de strafbaarstelling van uitbuiting betreft - meer voor de hand om het vereiste van uitbuiting aan te merken als impliciet bestanddeel en ligt het minder voor de hand om dit aan te merken als voorwaarde voor kwalificatie.

In zijn arrest van 27 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009: BI7099) heeft de Hoge Raad als volgt overwogen:

"Het in art. 273a, eerste lid, (oud) Sr voorkomende bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Blijkens de (...) memorie van toelichting doelt deze bepaling op een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij, waarbij als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden. De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. (...)".

Uit het voorgaande vloeit voort dat een gedraging als het "afsluiten van een telefoonabonnement" niet zonder meer is aan te merken als arbeid of dienst tot het verrichten waarvan iemand wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen. Voor bewezenverklaring is vereist dat op grond van de omstandigheden van het geval uitbuiting komt vast te staan, waarbij onder meer betekenis toekomt aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald en dat bij de weging van deze en andere relevante factoren de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader dienen te worden gehanteerd. Het hof zal deze vraag voor elk tenlastegelegd feit afzonderlijk dienen te beantwoorden.

(...)

Toepassing voor wat betreft vrijspraken

Wat feit 1 primair (...) betreft stelt het hof voorop dat het geen geloof hecht aan de verklaringen van aangever voor zover daarin gesproken wordt van geweld of verbale dreigingen van de kant van verdachte en de medeverdachte.

Door verdachten is aan aangever verteld dat hij geld kon verdienen door het afsluiten van telefoonabonnementen en vervolgens aan hen de daarbij behorende telefoons te geven, dat zij die telefoons zouden verkopen en hij een deel van de opbrengst zou krijgen. Ook is hem gezegd dat hij geen rekeningen zou krijgen. Aangever had geld nodig. Hij heeft "meegedaan" door op één dag een vijftal abonnementen af te sluiten en de telefoons aan de verdachten af te geven, waarbij hij bij de telefoonwinkels telkens een verkeerd adres opgaf. Aangever heeft daarvoor geld gekregen. In ieder geval één van de verdachten ging telkens met hem mee.

Naar het oordeel van het hof is er in het bijzonder gelet op de aard en duur van de tewerkstelling - voor zover daarvan al kan worden gesproken -, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald, in dit geval geen sprake van uitbuiting. [slachtoffer 1] 's activiteiten zijn beperkt gebleven tot het afsluiten van enkele abonnementen op één dag, terwijl van noemenswaardige beperkingen voor hem geen sprake is. Ook uit de overige omstandigheden valt niet af te leiden dat er sprake is van uitbuiting.

(...)

Wat feit 2 primair betreft stelt het hof vast dat de gang van zaken - kort gezegd - als volgt is geweest.

[slachtoffer 2] had geld nodig. Zij kwam in contact met verdachte en zijn medeverdachte. Zij zijn naar haar toe gekomen en hebben haar uitgelegd wat zij moest doen en hoe het zou werken. Haar werd gezegd dat ze er geld voor zou krijgen als zij tenminste tien telefoonabonnementen zou afsluiten en de telefoons aan hen zou geven. Ze zou geen abonnementen op haar naam krijgen omdat een vriend die de verdachte en zijn medeverdachte bij een telefoonzaak hadden, die abonnementen uit het systeem zou halen, zo werd haar verteld en dat geloofde ze ook. Ze heeft vervolgens een drietal abonnementen afgesloten, waarbij de verdachten haar begeleidden. Ze heeft 150 euro ontvangen.

Naar het oordeel van het hof is er in het bijzonder gelet op de aard en duur van de tewerkstelling - voor zover daarvan al kan worden gesproken -, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald, in dit geval geen sprake van uitbuiting. [slachtoffer 2] 's activiteiten zijn beperkt gebleven tot het afsluiten van enkele abonnementen op één dag, terwijl van noemenswaardige beperkingen voor haar geen sprake is. Ook uit de overige omstandigheden, waaronder haar lage IQ, valt niet af te leiden dat er sprake is van uitbuiting.

(...)

Wat feit 4 primair betreft overweegt het hof dat aangever is ingegaan op het aanbod van verdachte om telefoonabonnementen af te sluiten en de daarbij verworven telefoons te verkopen. Aangever had geld nodig. Een viertal abonnementen is op één dag afgesloten, terwijl daarnaast ook nog enkele andere winkels zijn bezocht voor het afsluiten van telefoonabonnementen. Verdachte is niet mee naar binnen geweest. Aangever is gezegd dat ervoor zou worden gezorgd dat zijn naam uit het systeem van de provider zou worden gehaald. Aangever heeft voor zijn activiteiten geld ontvangen.

Naar het oordeel van het hof is er in het bijzonder gelet op de aard en duur van de tewerkstelling - voor zover daarvan al kan worden gesproken -, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald, in dit geval geen sprake van uitbuiting. De activiteiten van aangever zijn beperkt gebleven tot het afsluiten van enkele abonnementen op één dag en daarnaast mogelijk enkele pogingen daartoe op in totaal twee dagen, terwijl van noemenswaardige beperkingen voor hem geen sprake is. Ook uit de overige omstandigheden, waaronder het verblijf in een afkickkliniek en de omstandigheid dat er sprake zou zijn van begeleid wonen, valt niet af te leiden dat er sprake is van uitbuiting."

2.3.1.

Art. 273f Sr, waarop de tenlastelegging is toegesneden, luidde - voor zover hier van belang - gedurende de in de tenlastelegging vermelde perioden als volgt:

"1. Als schuldig aan mensenhandel wordt met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie gestraft:

1° degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;

2° (...)

3° (...)

4° degene die een ander met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen dan wel onder de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt;

(...).

2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.

3. De schuldige wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien:

1° de feiten, omschreven in het eerste lid, worden gepleegd door twee of meer verenigde personen;

2° (...)"

2.3.2.

De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet van 9 december 2004, Stb. 645, waarbij het - later tot art. 273f Sr vernummerde - art. 273a Sr is ingevoerd, houdt onder meer in:

"ALGEMEEN

1. Inleiding

Het onderhavige wetsvoorstel strekt tot uitvoering van aantal mondiale en regionale rechtsinstrumenten ter bestrijding van mensensmokkel, mensenhandel, uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.

(...)

Mensenhandel is kort gezegd het dwingen - in ruime zin - van mensen om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van (seksuele) diensten of om eigen organen beschikbaar te stellen.

(...)

Mensenhandel is (gericht op) uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. De staat dient strafrechtelijke bescherming te bieden tegen aantasting van het recht op die integriteit en vrijheid.

(...)

ARTIKELSGEWIJS

(...)

Het protocol en het kaderbesluit inzake de bestrijding van mensenhandel hebben betrekking op de bestrijding van mensenhandel met het oogmerk personen uit te buiten. Vanwege deze wijde en algemene strekking wordt voorgesteld om de ingevolge deze instrumenten strafbaar te stellen gedragingen te vatten in één nieuwe bepaling in titel XVIII van het Tweede Boek, gewijd aan misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. Voorgesteld wordt om alle strafbaar te stellen gedragingen op te nemen in de nieuwe bepaling, en deze gedragingen (...) te kwalificeren als mensenhandel. Nu deze nieuwe bepaling ook mensenhandel, gericht op seksuele uitbuiting, omvat, heeft artikel 250a geen zelfstandige betekenis meer.

(...)

Het voorgestelde artikel 273a, eerste lid, ziet op mensenhandel in het algemeen, daaraan gerelateerde vormen van uitbuiting en het trekken van profijt daaruit."

Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 1, 2, 15, 17 en 18)

2.4.1.

Het tweede middel klaagt in de eerste plaats over het oordeel van het Hof dat 'uitbuiting' als een (extra) impliciet bestanddeel van het vierde onderdeel van art. 273f, eerste lid, Sr moet worden aangemerkt.

2.4.2.

Mede gelet op de wetsgeschiedenis en in aanmerking genomen dat handelen in strijd met art. 273f, eerste lid aanhef en onder 4º, Sr wordt gekwalificeerd als 'mensenhandel' en wordt bedreigd met een gevangenisstraf van acht jaren, moet worden aangenomen dat de in het vierde onderdeel omschreven gedragingen alleen strafbaar zijn als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309).

2.4.3.

Dit brengt mee dat die gedragingen eerst dan als 'mensenhandel' kunnen worden bestraft indien uit de bewijsvoering volgt dat voldaan is aan voormelde voorwaarde dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Het oordeel van het Hof dat 'uitbuiting' moet worden aangemerkt als een impliciet bestanddeel van art. 273f, eerste lid aanhef en onder 4º, Sr, is derhalve juist.

2.4.4.

Gelet op het vorenoverwogene heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat voor bewezenverklaring van een op art. 273f, eerste lid aanhef en onder 4º, Sr toegesneden tenlastelegging is vereist dat op grond van de omstandigheden van het geval uitbuiting komt vast te staan. Daarbij komt, gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist in zijn arrest van 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598, onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald terwijl bij de weging van deze en andere relevante factoren de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader dienen te worden gehanteerd. Hierbij geldt in geval van minderjarige slachtoffers dat de beoordeling van dergelijke factoren tot een andere uitkomst kan leiden dan in het geval het slachtoffer meerderjarig is (vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309).

2.5.1.

Voorts klaagt het middel over het oordeel van het Hof dat met betrekking tot geen van de in de tenlastelegging omschreven gevallen sprake is van uitbuiting.

2.5.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat een gedraging als het 'afsluiten van een telefoonabonnement' niet zonder meer is aan te merken als arbeid of dienst tot het verrichten waarvan iemand wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen als bedoeld in art. 273f, eerste lid aanhef en onder 4°, Sr. Uitgaande van het in 2.4.4 vermelde toetsingskader heeft het Hof geoordeeld dat, in het bijzonder gelet op de aard en de korte duur (één of enkele dagen) van de diensten, de niet-noemenswaardige beperkingen die zij voor de betrokkenen meebrachten en het economische voordeel dat daarmee door de verdachte werd behaald, alsmede gelet op de overige (persoonlijke) omstandigheden van de betrokkenen, in geen van deze gevallen sprake was van uitbuiting.

2.5.3.

Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, terwijl het ook in het licht van hetgeen door de Advocaat-Generaal bij het Hof in hoger beroep is aangevoerd omtrent de kwetsbaarheid van de betrokkenen, geen nadere motivering behoefde.

2.5.4.

Het middel faalt.

2.6.1.

Het eerste middel klaagt dat het Hof heeft miskend dat voor een bewezenverklaring van het eerste onderdeel van art. 273f, eerste lid, Sr niet is vereist dat uitbuiting daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, doch slechts dat de verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Het Hof heeft zich, aldus het middel, daarom ten onrechte louter geconcentreerd op de tenlastelegging ter zake van het vierde onderdeel van art. 273f, eerste lid, Sr.

2.6.2.

In het licht van 's Hofs oordeel dat en waarom in de onderhavige gevallen (telkens) geen sprake was van uitbuiting, geeft ook het kennelijke oordeel van het Hof dat van het oogmerk van uitbuiting in de zin van art. 273f, eerste lid onder 1°, Sr evenmin sprake was, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

2.6.3.

Ook het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.

3 Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt de beroepen.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2016.