Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:52

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2016
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
15/00566
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2015:20
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

HR verklaart het beroep in cassatie gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 januari 2016

Nr. 15/00566

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] h.o.d.n. [A] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 januari 2015, nrs. 14/00053 tot en met 14/00055, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 12/5712, AWB 12/5713 en AWB 12/5714) betreffende op aangifte voldane bedragen aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voldoening van de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) op de voet van artikel 7 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) door een ander dan de kentekenhouder geschiedt namens de kentekenhouder, de belastingplichtige. Daaruit volgt dat het recht op bezwaar slechts toekomt aan de kentekenhouder zelf, aldus het Hof.

2.2.

De middelen I en II zijn gericht tegen de hiervoor in 2.1 omschreven oordelen van het Hof en betogen dat belanghebbende de bevoegdheid heeft bezwaar te maken tegen de voldoening van de bpm zonder een daartoe strekkende volmacht van de kentekenhouder.

2.3.

Met betrekking tot het in artikel 1, lid 2, van de Wet omschreven belastbare feit wordt krachtens artikel 5, lid 1, van de Wet geheven van degene op wiens naam het kenteken wordt dan wel is gesteld. Deze moet de belasting op aangifte voldoen (artikel 6, lid 1, van de Wet, gelezen in samenhang met artikel 19, lid 3, van de AWR). Volgens de in 2011 geldende tekst van artikel 7, lid 1, van de Wet is, ingeval voor een personenauto of motorrijwiel de aanvraag voor de opgave van een kenteken geschiedt door een ander dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, in afwijking van artikel 19, lid 3, van de AWR, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. In dat geval heeft degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, op grond van artikel 26a, lid 1, letter b, van de AWR het recht tegen de voldoening op aangifte bezwaar te maken. Dit recht komt ook toe aan de hiervoor bedoelde ander namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld (zie voor dit een en ander HR 29 augustus 2000, nr. 35501, ECLI:NL:HR:2000:AA6929, BNB 2000/357, onderdeel 3.3).

Uitgaande van hetgeen artikel 7, lid 1, van de Wet bepaalt, te weten dat de aldaar bedoelde ‘ander’ van rechtswege handelt namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, behoeft die ander niet daarenboven te beschikken over een door degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, gegeven volmacht om bezwaar te maken. Dit is niet anders wanneer de bpm feitelijk is betaald door degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Het oordeel van het Hof dat belanghebbende zonder een daartoe strekkende volmacht van de kentekenhouder niet bevoegd is bezwaar te maken tegen het voldane bedrag aan bpm, getuigt daarom van een onjuiste rechtsopvatting. De middelen I en II slagen.

2.4.

Gelet op hetgeen in 2.3 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De overige middelen behoeven geen behandeling. Gelet op de omstandigheid dat de Inspecteur de bezwaren niet inhoudelijk heeft beoordeeld, worden ook de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur vernietigd en wordt de Inspecteur opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in cassatie de zaken met de nummers 15/00562, 15/00563, 15/00564, 15/00566, 15/00570, 15/00576 en 15/00577 samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, bij het Hof de zaak met de nummers 14/00053 tot en met 14/00055 en de zaak met de nummers 14/0097 tot en met 14/00109 samenhangen, en bij de Rechtbank de zaken met de nummers AWB 12/2860 tot en met 12/2872 en AWB 12/5712 tot en met AWB 12/5714 samenhangen.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

Verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, alsmede de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraken van de Inspecteur,

draagt de Inspecteur op om met inachtneming van dit arrest opnieuw uitspraken te doen op de bezwaarschriften van belanghebbende,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 248,

gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 239 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 468,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een zevende van € 2976 derhalve € 425,14, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 992, derhalve € 496, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van de gedingen voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op drie maal een zestiende van € 1488, derhalve € 279, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, E.N. Punt, P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2016.