Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:517

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
15/00024
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:150, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Noodweer(exces). De HR stelt voorop dat de omstandigheid dat een verdachte de hem tlgd. gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg behoeft te staan alsmede dat de rechter de last tot het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag van zo een beroep niet uitsluitend op de verdachte mag leggen (vgl. ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.1.2.) . I.c. is ’s Hofs oordeel “dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich op enig moment heeft bevonden in een noodweersituatie” feitelijk en niet onbegrijpelijk, terwijl het Hof voorts het vooropgestelde niet heeft miskend. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/767
RvdW 2016/457
NJ 2016/317 met annotatie van Redactie
SR-Updates.nl 2016-0169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 maart 2016

Strafkamer

nr. S 15/00024

NA/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 15 december 2014, nummer 21/003599-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Zevenboom, advocaat te Almere, en N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer(exces).

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 31 januari 2013 te Lelystad, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [betrokkene] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [betrokkene] , meermalen, althans eenmaal met een mes, in de linkerborstkas heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven als volgt:

Op 31 januari 2013 was ik in de moskee te Lelystad. In de moskee zei [betrokkene] tegen mij dat we naar buiten moesten gaan om de zaak uit te praten. Op de binnenplaats van de moskee ontstond tussen ons enig getrek en geduw over en weer. [betrokkene] schold mij uit. Ik heb [betrokkene] uitgescholden. [betrokkene] heeft mij met dat stuk pijp meermalen op mijn hoofd geslagen. Ik weet dat ik die dag mijn mes bij mij had.

2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal verhoor, voorzien van het proces-verbaalnummer PL2527 2013008178-17, op 1 februari 2013 gesloten en ondertekend door [verbalisant] , brigadier van Politie Flevoland, onder meer inhoudende, zakelijk weer gegeven, als verklaring van [betrokkene] :

Ik verliet als eerste de moskee en [verdachte] (= verdachte) liep achter mij aan. De discussie werd heviger en wij werden allebei boos. Ik bleef naast mijn auto staan.

Ik werd gestoken. Vlak daarvoor zag ik dat hij (= verdachte) iets in zijn rechterhand had. Ik werd gestoken in mijn linkerborst. Ik voelde het branden. Toen ik werd gestoken, sloeg ik terug. Ik pakte een stok. Twee slagen waren zeker raak.

3. Een proces-verbaal van verhoor, op 3 september 2014 ondertekend door de raadsheer-commissaris, in bovenvermeld hof belast met de behandeling van strafzaken, en na te noemen getuige, onder meer inhoudende, zakelijk weer gegeven, als verklaring van de getuige [getuige 1] :

Het gaat om een gebeurtenis die plaatsvond op 31 januari 2013 vlak bij de moskee. [verdachte] (= verdachte) en [betrokkene] (= [betrokkene] ) hadden ruzie. Ik heb [betrokkene] naar zijn auto gebracht. [verdachte] is gaan schelden tegen [betrokkene] . [betrokkene] pakte een stok of staaf. [betrokkene] is naar [verdachte] toegegaan en heeft met die stok of staaf naar [verdachte] geslagen en heeft hem op het hoofd geraakt. De meeste slagen van [betrokkene] naar [verdachte] toe kwamen op zijn hoofd terecht.

Ik heb gezien dat [getuige 2] er ook was.

4. Een proces-verbaal van verhoor, op 3 september 2014 ondertekend door de raadsheer-commissaris, in bovenvermeld hof belast met de behandeling van strafzaken, en na te noemen getuige, onder meer inhoudende, zakelijk weer gegeven, als verklaring van de getuige [getuige 2] :

Het gaat over een gebeurtenis die plaatsvond op 31 januari 2013 bij de moskee. Het eerste wat ik zag toen ik naar buiten ging, waren [betrokkene] (= [betrokkene] ) en [verdachte] (=verdachte) die aan het bekvechten, duwen en trekken waren. Ik heb [betrokkene] naar zijn auto geduwd.

Hij is terug gekomen en sloeg [verdachte] met een stok."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is naar voren gekomen dat verdachte, zijn medeverdachte [betrokkene] en de getuigen uiteenlopende en wisselende verklaringen hebben afgelegd met betrekking tot hetgeen zich op 31 januari 2013 daadwerkelijk heeft afgespeeld rondom de vechtpartij tussen verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene] .

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Verdachte heeft bij de politie in eerste instantie verklaard dat hij [betrokkene] niet heeft gestoken. Nadat hij was geconfronteerd met het mes en het daarop aangetroffen DNA, heeft verdachte verklaard dat hij het mes wel bij zich had en dat [betrokkene] misschien wel in het mes is gevallen. Hij heeft voorts verklaard, dat hij niet zegt dat hij dat mes niet heeft gebruikt.

Verdachte heeft ter zitting van het hof onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Als ik al een mes heb gebruikt, dan moet dat geweest zijn nadat [betrokkene] mij met een pijp op mijn hoofd heeft geslagen. Ik heb [betrokkene] uitgescholden toen hij naar zijn auto liep. Ik heb [betrokkene] niet terug zien komen lopen. Pas toen hij voor mij stond zag ik dat [betrokkene] mij wilde slaan met een pijp. Nadat ik was geslagen door [betrokkene] ben ik door omstanders opgevangen. Ik ben in de richting van de moskee geduwd en daar ben ik op een stoel gezet. Men heeft geprobeerd het bloed op mijn hoofd te stelpen. Men heeft een ambulance laten komen en daar ben ik ingestapt. Mijn hoofwond is gehecht.

Medeverdachte [betrokkene] heeft bij de politie onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Ik verliet als eerste de moskee en [verdachte] (= verdachte) liep achter mij aan. De discussie werd heviger en wij werden allebei boos. Ik ben in mijn auto gaan zitten en [verdachte] liep ook naar mijn auto. Hij zei dat ik uit de auto moest komen. Hij zei: "vandaag ik of jij." Ik stapte uit en bleef naast mijn auto staan. Ik werd gestoken. Vlak daarvoor zag ik dat hij iets in zijn rechterhand had. Ik werd gestoken in mijn linkerborst. Ik voelde het branden. Toen ik werd gestoken, sloeg ik terug. Ik pakte een stok. Ik weet niet meer of ik een stok van de grond pakte of van omstanders aanpakte.

De getuige [getuige 1] heeft op 3 september 2014 tegenover de raadsheer-commissaris onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

[verdachte] en [betrokkene] (= [betrokkene] ) hadden ruzie. Toen ik bij hen kwam waren ze aan het eind van de ruzie. Ik heb [betrokkene] vastgepakt en hem naar zijn auto gebracht. [betrokkene] is in zijn auto gaan zitten. [verdachte] is daarna gaan schelden tegen [betrokkene] . [betrokkene] pakte aan de linkerkant van zijn stoel een stok of een staaf. [betrokkene] is naar [verdachte] toegegaan en heeft met die stok of staaf naar [verdachte] geslagen en heeft hem op het hoofd geraakt. Ik zag dat [verdachte] bloedde aan zijn hoofd. [betrokkene] is daarna in zijn auto gestapt en weggereden.

De getuige [getuige 2] heeft op 3 september 2014 tegenover de raadsheer-commissaris onder meer verklaard, zakelijk weergegeven:

Het eerste wat ik zag toen ik naar buiten ging, waren [betrokkene] en [verdachte] die aan het bekvechten waren en aan het duwen en trekken. Ik heb ze uit elkaar gehaald en gezegd dat ze moesten ophouden. Ik heb [betrokkene] naar zijn auto geduwd. Hij is één keer teruggekomen en sloeg toen [verdachte] met een stok. [betrokkene] sloeg [verdachte] op zijn hoofd. [verdachte] bloedde uit zijn hoofd. Ik heb ze uit elkaar gehaald en [verdachte] naar de moskee geduwd.

Naar het oordeel van het hof bevatten voormelde verklaringen een aantal tegenstrijdigheden en zijn er zowel door verdachte als zijn medeverdachte onjuistheden verteld. De voorhanden zijnde verklaringen geven naar het oordeel van het hof geen helder beeld van de toedracht van het geweldsincident van 31 januari 2013 dat zich heeft afgespeeld tussen verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene] . De verklaring van verdachte dat, als hij al een mes heeft gebruikt, dat moet zijn geweest nadat [betrokkene] hem met een pijp op zijn hoofd heeft geslagen, is niet aannemelijk geworden. Die lezing vindt immers geen steun in de overige verklaringen. Nu de verklaringen op onderdelen niet op elkaar aansluiten en verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven omtrent het door hemzelf uitgeoefende geweld, kan het hof niet anders dan uitgaan van de feiten en omstandigheden die buiten redelijke twijfel vast staan.

Naar het oordeel van het hof staat buiten redelijke twijfel vast dat op 31 januari 2013 te Lelystad verdachte en zijn medeverdachte ruzie hebben gehad en er door hen beiden geweldshandelingen zijn uitgeoefend. Eveneens staat buiten redelijke twijfel vast dat verdachte zijn medeverdachte met een mes in de linkerborst heeft gestoken en medeverdachte [betrokkene] verdachte met een staaf meermalen op zijn hoofd heeft geslagen.

Naar het oordeel van het hof dient het handelen van verdachte te worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag. Verdachte heeft zijn medeverdachte in zijn linkerborst gestoken. Het is een feit van algemene bekendheid dat zich in de linkerkant van de borst vitale organen bevinden, zoals hart en longen. De medeverdachte heeft letsel opgelopen. Hij is enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest met een klaplong waardoor er een drain in zijn borstholte moest worden geplaatst. In de uiterlijke verschijningsvorm van het met een mes insteken op het bovenlichaam van de medeverdachte met het hiervoor genoemde gevolg is het opzet begrepen. Door aldus te handelen heeft verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans dat de medeverdachte gedood zou worden, willens en wetens aanvaard."

2.2.4.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft ter zitting van het hof een beroep gedaan op noodweer(exces). Verdachte was, aldus de raadsman, gerechtigd zich te verdedigen tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval van de zijde van zijn medeverdachte. Verdachte behoort daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich op enig moment heeft bevonden in een noodweersituatie. Verdachte heeft geen openheid van zaken verschaft omtrent het door hem toegepaste geweld. Nu verdachte die openheid niet heeft gegeven, terwijl hij daarop door het hof wel is bevraagd, kan hij niet met succes een beroep doen op een strafuitsluitingsgrond. Het beroep op noodweer(exces) wordt derhalve verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn."

2.3.

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de omstandigheid dat een verdachte de hem tenlastegelegde gedraging ontkent, niet zonder meer aan het slagen van een subsidiair gedaan beroep op noodweer(exces) in de weg behoeft te staan alsmede dat de rechter de last tot het aannemelijk maken van de feitelijke grondslag van zo een beroep niet uitsluitend op de verdachte mag leggen (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.1.2).

2.4.

Het Hof heeft geoordeeld "dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat verdachte zich op enig moment heeft bevonden in een noodweersituatie". Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de vaststellingen die het Hof in het kader van de bewijsvoering heeft gedaan, in het bijzonder gelet op de in dat verband door het Hof in 2.2.3 gedane vaststelling dat de lezing van de verdachte "dat, als hij al een mes heeft gebruikt, dat moet zijn geweest nadat [betrokkene] hem met een pijp op zijn hoofd heeft geslagen, (...) niet aannemelijk [is] geworden" alsmede op de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene] (bewijsmiddel 2). Uit het voorgaande vloeit bovendien voort dat het Hof hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld niet heeft miskend.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2016.