Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:516

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2016
Datum publicatie
29-03-2016
Zaaknummer
15/02117
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:149, Contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Artikel 80a RO-zaken
Inhoudsindicatie

Art. 327 Sv. Art. 80a RO. Het door het Hof (partieel) bevestigde vonnis is aangetekend in een p-v ttz. dat niet overeenkomstig art. 327 Sv is vastgesteld en ondertekend, zodat het rechtskracht mist. Zoals in de conclusie van de AG onder 10 is uiteengezet kan dit verzuim blijkens bij de Pr ingewonnen nadere informatie niet worden hersteld. E.e.a. brengt mee dat het o.ttz. in e.a. en de naar aanleiding daarvan gewezen uitspraak aan nietigheid lijden. Het vonnis van de Pr leende zich derhalve niet voor (partiële) bevestiging door het Hof. In aanmerking genomen evenwel dat het p-v ttz. in h.b. enerzijds inhoudt dat aldaar het woord tot verdediging is gevoerd door een door de verdachte daartoe uitdrukkelijk gemachtigde advocaat en anderzijds niet inhoudt dat aldaar beroep is gedaan op voormelde nietigheid, kan daarover niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd. Gelet daarop is de HR van oordeel dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. De HR zal daarom - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/771
RvdW 2016/460
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

29 maart 2016

Strafkamer

nr. S 15/02117

ABO/EC

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 november 2014, nummer 23/004006-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing dan wel verwijzing van de zaak teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.

Het middel klaagt dat de bestreden uitspraak nietig is aangezien het door het Hof (partieel) bevestigde vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Amsterdam is aangetekend in een proces-verbaal dat niet overeenkomstig art. 327 Sv is vastgesteld en ondertekend.

2.2.1.

Het in het middel bedoelde proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:

"Tegenwoordig:

mr. J.M. van Hall, politierechter

en mr. D. West, griffier.

(...)

De politierechter die dit vonnis heeft gewezen, is niet meer aan de strafsector van de Rechtbank Amsterdam verbonden en buiten staat dit proces-verbaal vast te stellen en te ondertekenen.

Dit proces-verbaal is vastgesteld en ondertekend door de griffier, alsmede voor gezien getekend door mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter van de Afdeling Publiekrecht van de Rechtbank Amsterdam, tevens aangewezen als politierechter.

(...)

De griffier is buiten staat dit proces-verbaal mede te ondertekenen."

Voorts bevat het proces-verbaal een onleesbare handtekening en de handgeschreven aantekening "gezien 4.8.14".

2.2.2.

Het Hof heeft het vonnis van de Politierechter partieel bevestigd met aanvulling van de gronden. De verdachte is - kort gezegd - ter zake van 1. en 2. mishandeling, meermalen gepleegd en 3. vernieling, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden. Het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:

"Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de toewijzing van de wettelijke rente over de vordering van de benadeelde partij - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof de in hoger beroep gevoerde verweren zal bespreken en daarop zal beslissen en de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen waar nodig zal aanvullen als hierna weergegeven."

2.3.

Art. 327 Sv luidt als volgt:

"Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en (...) onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt."

2.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg is niet vastgesteld en ondertekend overeenkomstig art. 327 Sv, zodat het rechtskracht mist. Zoals in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 10 is uiteengezet kan dit verzuim blijkens bij de Politierechter ingewonnen nadere informatie niet worden hersteld. Een en ander brengt mee dat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en de naar aanleiding daarvan gewezen uitspraak aan nietigheid lijden. Het vonnis van de Politierechter leende zich derhalve niet voor (partiële) bevestiging door het Hof.

2.5.

In aanmerking genomen evenwel dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep enerzijds inhoudt dat aldaar het woord tot verdediging is gevoerd door een door de verdachte daartoe uitdrukkelijk gemachtigde advocaat en anderzijds niet inhoudt dat aldaar beroep is gedaan op voormelde nietigheid, kan daarover niet met vrucht voor het eerst in cassatie worden geklaagd. Gelet daarop is de Hoge Raad van oordeel dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a RO - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2016.