Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2016:482

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-03-2016
Datum publicatie
25-03-2016
Zaaknummer
15/02680
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2015:1216, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Heffingsrente. Art. 30j en art. 30f, lid 2, letter b, jo. art. 30f, lid 3, letter d, onder 2, AWR (tekst tot 31 december 2012); artt. 4:98, lid 2, Awb. Beschikking waarbij over een teruggaaf van btw naar aanleiding van een Hofuitspraak heffingsrente wordt vergoed, is voor bezwaar vatbaar. Wettelijke rente verschuldigd over de heffingsrente?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/677
V-N 2016/18.7 met annotatie van Redactie
BNB 2016/129 met annotatie van E.B. PECHLER
FutD 2016-0786
NTFR 2016/1122 met annotatie van mr. J.M. van der Vegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 maart 2016

nr. 15/02680

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Vereniging [X] te [Z] te [Q] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 mei 2015, nrs. BK‑14/01467, BK‑14/01468 en BK-14/01469, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 14/2729, SGR 14/2731 en SGR 14/2732) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen inzake omzetbelasting en inzake vergoeding van heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Bij uitspraak van 28 juni 2013 heeft het Hof belanghebbendes beroep inzake door haar over twee tijdvakken in 2010 op aangifte voldane omzetbelasting gegrond verklaard en aan belanghebbende teruggaaf van omzetbelasting verleend tot bedragen van € 3677 en € 1451.

2.1.2.

Bij kennisgevingen van 4 oktober 2013, met het opschrift “Uitspraak op bezwaarschrift”, heeft de Inspecteur nadere uitvoering gegeven aan de hiervoor in 2.1.1 bedoelde teruggaven.

2.1.3.

Bij brieven van 17 oktober 2013 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de hiervoor in 2.1.2 vermelde kennisgevingen van de Inspecteur voor zover daarin “heffingsrentebesluiten ad € nihil” waren begrepen. Zij verzocht voorts om vergoeding van wettelijke rente vanaf 1 september 2013 over de door de Inspecteur verschuldigde heffingsrente en om vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar.

2.1.4.

Bij beschikkingen gedagtekend 25 oktober 2013 heeft de Inspecteur de bedragen van aan belanghebbende te vergoeden heffingsrente vastgesteld op € 251 en € 99.

2.1.5.

Bij brief van 28 oktober 2013 heeft belanghebbende, onder verwijzing naar haar bezwaarschriften van 17 oktober 2013, bezwaar gemaakt tegen de hiervoor in 2.1.4 bedoelde beschikkingen.

2.1.6.

Belanghebbende heeft op 27 maart 2014 beroep ingesteld bij de Rechtbank en daarbij aangevoerd dat de Inspecteur niet heeft beslist op de bezwaarschriften van 17 oktober 2013 en 28 oktober 2013.

2.1.7.

De Inspecteur heeft met dagtekening 26 mei 2014 uitspraken gedaan op belanghebbendes bezwaren. Daarin heeft hij de bezwaren van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om toekenning van vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar afgewezen. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende aangemerkt als mede gericht tegen deze uitspraken.

2.1.8.

Bij brief van 3 juni 2014 aan belanghebbende heeft de Inspecteur uiteengezet waarom hij belanghebbende geen wettelijke rente heeft vergoed over de bedragen van de rentebeschikkingen.

2.2.1.

Voor de Rechtbank en het Hof was in geschil de ontvankelijkheid van de bezwaren en, zo deze bezwaren ontvankelijk zijn, of belanghebbende in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, toekenning van dwangsommen, alsmede vergoeding van wettelijke rente.

2.2.2.

De Rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard voor zover zij zijn gericht tegen het niet tijdig beslissen door de Inspecteur, om de reden dat belanghebbende heeft verzuimd de Inspecteur in gebreke te stellen.

2.2.3.

De Rechtbank heeft de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de hiervoor in 2.1.2 bedoelde kennisgevingen handelingen zijn van de Inspecteur ter uitvoering van de uitspraak van het Hof waartegen de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep niet openstaan, zodat de Inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaren van – naar de Hoge Raad begrijpt – 17 oktober 2013. Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat, aangezien de bezwaren tegen de teruggaafbeschikkingen niet-ontvankelijk zijn, de naar aanleiding daarvan gegeven rentebeschikkingen niet anders kunnen worden beschouwd dan als ambtshalve genomen besluiten waartegen evenmin bezwaar en beroep openstaat. Daaraan heeft de Rechtbank de gevolgtrekking verbonden dat de bezwaren van 28 oktober 2013 gericht tegen de rentebeschikkingen eveneens niet-ontvankelijk zijn.

2.2.4.

Ten slotte heeft de Rechtbank geoordeeld dat de brief van de Inspecteur van 3 juni 2014, waarin hij heeft uiteengezet waarom hij geen wettelijke rente heeft vergoed over de bedragen van de rentebeschikkingen, geen besluit is waartegen bezwaar of beroep openstaat, zodat zij geen aanleiding ziet het beroep mede aan te merken als gericht tegen dit besluit.

2.2.5.

Op het door belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank ingestelde hoger beroep heeft het Hof bij de bestreden uitspraak, na te hebben overwogen dat de Rechtbank op alle punten terecht en op goede gronden heeft beslist zoals zij heeft beslist, de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

2.3.1.

De klachten houden onder meer in dat het Hof door, in het voetspoor van de Rechtbank, te overwegen dat tegen de kennisgevingen van 4 oktober 2013 geen bezwaar en beroep mogelijk is en daardoor de heffingsrentebeschikkingen ambtshalve gegeven beschikkingen zijn waartegen evenmin bezwaar en beroep openstaat, heeft miskend dat op grond van artikel 30f, lid 2, letter b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst tot 31 december 2012; hierna: AWR) een zelfstandig recht op heffingsrente is ontstaan.

2.3.2.

Bij de beoordeling van deze klacht wordt vooropgesteld dat, aangezien het in de onderhavige zaak omzetbelastingschulden betreft die zijn ontstaan in tijdvakken die zijn geëindigd vóór 1 januari 2012, van toepassing zijn de bepalingen inzake de heffingsrente zoals die luidden op 31 december 2012 (artikel XXXIV, lid 1, aanhef en letter d, van de Wet van 22 december 2011 houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2012)).

2.3.3.

Op grond van het bepaalde in artikel 30f, lid 2, aanhef en letter b, AWR in samenhang met artikel 30f, lid 3, aanhef en letter d, onder 2, AWR was de Inspecteur gehouden over de hiervoor in 2.1.1 bedoelde teruggaven van omzetbelasting heffingsrente te vergoeden over de periode aanvangend op 1 april 2011 en eindigend op 4 oktober 2013, de dag van dagtekening van de – ten onrechte het opschrift “uitspraak op bezwaarschrift” dragende – kennisgevingen van de teruggaven. De Inspecteur had dit moeten doen gelijktijdig met de kennisgevingen van de teruggaven van 4 oktober 2013, in de vorm van voor bezwaar vatbare beschikkingen als bedoeld in artikel 30j AWR. Hij heeft de besluiten tot vergoeding van heffingsrente echter pas genomen bij de hiervoor in 2.1.4 bedoelde beschikkingen van 25 oktober 2013. Anders dan het Hof heeft geoordeeld, dienen deze beschikkingen te worden aangemerkt als in het eerste lid van artikel 30j AWR bedoelde voor bezwaar vatbare beschikkingen.

2.3.4.

Voor zover belanghebbende in haar brieven van 17 oktober 2013 bezwaar heeft gemaakt tegen “heffingsrentebeschikkingen ad € nihil” zijn die bezwaren niet-ontvankelijk, aangezien ten tijde van het indienen van die bezwaarschriften nog geen voor bezwaar vatbare beschikkingen inzake heffingsrente waren gegeven. De enkele omstandigheid dat bij de kennisgevingen van de teruggaven iedere beslissing met betrekking tot heffingsrente ontbrak, is onvoldoende om het bestaan van dergelijke beschikkingen aan te nemen. Het Hof heeft belanghebbendes bezwaren van 17 oktober 2013 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor een vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van die bezwaren bestaat dan ook geen aanleiding; de uitspraak van het Hof of de stukken van het geding bieden geen aanknopingspunten voor een ander oordeel.

2.3.5.

Belanghebbende heeft in haar brieven van 17 oktober 2013 voorts verzocht om vergoeding van wettelijke rente over de vergoeding van heffingsrente. De beschikkingen van de Inspecteur van 25 oktober 2013 moeten aldus worden verstaan dat de Inspecteur dit verzoek heeft afgewezen. Deze afwijzing heeft hij toegelicht in zijn brief van 3 juni 2014.

2.3.6.

Hetgeen hiervoor in 2.3.3 en 2.3.5 is overwogen leidt tot de gevolgtrekking dat het door belanghebbende op 28 oktober 2013 ingediende bezwaarschrift was gericht tegen de voor bezwaar vatbare heffingsrentebeschikkingen van de Inspecteur van 25 oktober 2013 en de daarbij gegeven beschikkingen inhoudende de afwijzing van het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de vergoeding van heffingsrente. Die bezwaren zijn ontvankelijk.

2.3.7.

Het oordeel van het Hof dat de bezwaren die belanghebbende heeft ingediend bij haar brieven van 28 oktober 2013 niet-ontvankelijk zijn, is dus onjuist. De klachten zijn in zoverre gegrond.

2.3.8.

Hoewel de bezwaren van belanghebbende van 28 oktober 2013 ontvankelijk zijn, kunnen die bezwaren haar evenwel niet baten.

De heffingsrentebeschikkingen van de Inspecteur van 25 oktober 2013 zijn in overeenstemming met het bepaalde in artikel 30f, lid 2, aanhef en letter b, AWR in samenhang met artikel 30f, lid 3, aanhef en letter d, onder 2, AWR.

Voor zover de bezwaren van belanghebbende betroffen het besluit van de Inspecteur tot het niet vergoeden van wettelijke rente over de te vergoeden bedragen aan heffingsrente, heeft het volgende te gelden. De Inspecteur had de heffingsrentebeschikkingen moeten vaststellen op 4 oktober 2013. Als die rentebeschikkingen op die dag zouden zijn vastgesteld, had de Ontvanger uiterlijk zes weken daarna moeten uitbetalen. Dat betekent dat het betalingsverzuim met ingang van 16 november 2013 is ingetreden. In zijn verweerschrift voor de Rechtbank heeft de Inspecteur – door belanghebbende niet bestreden – gesteld dat de uitbetalingen van de heffingsrente twaalf dagen na 16 november 2013 hebben plaatsgevonden. Aangezien dit verzuim bij beide uitbetalingen niet leidt tot een aan wettelijke rente verschuldigd bedrag van ten minste € 10 heeft belanghebbende geen recht op vergoeding van wettelijke rente (zie artikel 4:98, lid 2, Awb).

Voor een vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar bestaat dus ook geen aanleiding.

2.3.9.

De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof alsmede de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover zij betrekking hebben op de uitspraken van de Inspecteur van 26 mei 2014 waarbij de bezwaren van 28 oktober 2013 niet-ontvankelijk zijn verklaard,

vernietigt die uitspraken op bezwaar,

verklaart de bezwaren van 28 oktober 2013 ongegrond,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 497, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 493 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 328, derhalve in totaal € 821,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1984 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 496 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 496 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 992.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2016.